of 58952 LinkedIn

De Kaderwet decentralisaties: wie zal handhaven?

Een klassiek constitutioneel principe luidt dat een machtsevenwicht nooit afhankelijk mag zijn van de goede voornemens van de machthebbers. ‘Ambition must be made to counteract ambition’, schrijven de Federalist Papers, en dat doen goede constituties door ‘constitutional means’ slim te koppelen aan ‘personal motives’. Goede voornemens zijn daarbij mooi, maar slechte bedoelingen zijn betrouwbaar. 

Wie bijvoorbeeld wil dat een college scherper wordt gecontroleerd door de gemeenteraad, moet niet volstaan met een collegeakkoord waarin het college plechtig belooft alle fracties voortaan gelijkelijk te zullen informeren. Dat is een prima voornemen, maar daarop kan geen machtsevenwicht rusten.

Wie tegenkracht tegenover het college wil organiseren, moet raadsminderheden meer onderzoeksrechten geven. Of lokale onderzoeksjournalisten subsidie. Dán compenseer je de ambitie van een wethouder om onwelgevallige informatie buiten beeld te houden met de ambitie van de oppositie of de pers juist daar te gaan wroeten waar het stinkt.

Aan dit oude principe moest ik denken bij het betoog van de Staatscommissie-Remkes over de Kaderwet decentralisaties. De Staatscommissie constateert terecht dat het parlement nog behoorlijk zoekende is bij zijn nieuwe rol na de grote decentralisaties uit 2015. Een brandpunt van verwarring is daarbij het idee van de stelselverantwoordelijkheid. Niemand zal de zware jeugdzorg voor kwetsbare kinderen integraal naar de gemeentepolitiek willen overhevelen, maar het begrip blijkt ook een schaamlap voor media gedreven Haagse bemoeizucht. En als de minister bij elk schrijnend verhaal dat de pers haalt onmiddellijk aan de telefoon hangt bij de wethouder, wordt het natuurlijk nooit wat met die decentralisaties. Dan resulteert de hele onderneming uiteindelijk in een omslachtige regionalisering van overheidsorganisaties. Dat kan niet de bedoeling zijn en dus adviseert de Staatscommissie de ontwikkeling van een Kaderwet decentralisaties om de verhoudingen in de verticale machtenscheiding scherper te codificeren.

Ik vind zo’n wet een goed idee en juich het onderzoek daarnaar zeker toe. Maar als het een document wordt waarin de rijksoverheid aan de gemeenten belooft wat zij niet meer zal doen, dan voorspelt de constitutionele theorie dat er weinig zal veranderen. Werkelijke tegenkracht organiseer je immers niet door de daders te laten beloven hun leven te beteren, maar door de slachtoffers van het verlies aan decentrale autonomie meer middelen te geven om voor zichzelf op te komen. Of om degenen die de middelen hebben voor de decentrale autonomie op te komen, meer motieven te geven dat te doen. Hoe dat kan? Bijvoorbeeld door te voorzien in een instantie waarvan het bestaansrecht samenvalt met het handhaven van de goede voornemens uit de Kaderwet. Een rechterlijk college waar gemeenten beroep hadden kunnen aantekenen tegen de wijze waarop het Wmo-abonnementstarief is ingevoerd, bijvoorbeeld.

Maar een echt uitgelezen kans doet zich voor nu het kabinet voornemens is om de Eerste Kamer door een andere wijze van verkiezen wat meer op afstand van de dagelijkse politiek te zetten. Het voorstel is nu om de situatie terug te draaien naar die van vóór 1983. Toen hadden we de huidige problemen immers nog niet. In een land waarin staatkundige vernieuwing toch al een zaak van lange adem vormt, wordt het echter nooit wat als we onze ambitie ook nog eens beperken tot het terugdraaien wat ooit wel lukte. En dat hoeft ook niet. John Bijl deed eerder in dit blad een interessanter voorstel: laat de Eerste Kamer samenstellen door de ruim 8.500 gemeenteraadsleden.

Zoiets doen ze in Frankrijk ook en zo krijgen we een Senaat die écht belang zal hebben bij het nauwkeurig bewaken van de lokale autonomie.


Geerten Boogaard is hoogleraar decentrale overheden (Thorbecke Leerstoel) aan de Universiteit Leiden.  

Lees hier al zijn columns.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.