of 63966 LinkedIn

Burger raadslid verdient spelregels

Waar zou deze column over zijn gegaan als er geen corona had geheerst? Als we niet aan de bak hoefden om onze verkiezingen te verdedigen tegen de zorgen van de witte jassen in het OMT? Als we niet dringend hadden willen weten wie in de cultuursector het meeste profiteren van de gemeentelijke steunpakketten? Dan zou deze column over burgerleden zijn gegaan.

Burgerleden zijn ongekozen burgers die in raadscommissies zitten. Dat kan al sinds 1964 maar gebeurde lange tijd praktisch niet. Alleen kleine fracties die zelf niet elke commissievergadering konden aflopen, maakten er gebruik van. Inmiddels is het een fenomeen van serieuze omvang. Het precieze aantal schommelt voortdurend, maar onlangs liet de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden uitzoeken aan welk getal we moeten denken en hoe ze zijn ingeregeld. Twee studenten maakten er hun afstudeerproject van en concludeerden dat Nederland inmiddels 5.000 burgerleden telt. Ten opzichte van 8.600 raadsleden is dat een substantiële groep.

Natuurlijk doen ze lang niet overal hetzelfde. Maar een behoorlijke groep doet mee aan het echte politieke handwerk. Die nemen in de commissies deel aan de meningsvorming waardoor voorstellen als hamerstukken door kunnen naar de raad. Dat zijn dan voorstellen waarover door raadsleden niet meer wordt gesproken. Waar burgerleden serieus raadswerk doen, staan ze vaak op op de kandidatenlijst van de betreffende partij en voldoen ze aan de voorwaarden voor het raadslidmaatschap.

Zo’n groot fenomeen had een column gerechtvaardigd, vooral omdat de burgerleden in de literatuur en de rapporten nog grotendeels worden genegeerd. In alle discussies over gemeenteraden die rekenkamers afknijpen, griffies klein houden of domweg weigeren een verordening op de fractieondersteuning vast te stellen, zou je verwachten dat het ook gaat over de hulptroepen die gemeenteraden dan wél benutten. Toch gebeurt dat nauwelijks.

Ook de Raad voor het Openbaar Bestuur spreekt in het recente rapport Goede ondersteuning, sterke democratie alleen over de wettelijke hulptroepen waar raden te weinig gebruik van maken. En niet over de feitelijke hulptroepen die de fracties wel massaal bijschakelen om het werk te verlichten.

Naar de redenen voor dit gebrek aan aandacht voor het succes van burgerleden had ik in de column slechts kunnen gissen. Het zou mij niet verbazen als een zekere weerzin tegen politieke partijen ook hier een rol speelt. Daardoor heeft een versterking van de positie van de raad door professionele en neutrale ondersteuning toch de voorkeur boven politieke fracties die een extra schil van net-niet-verkozen politici organiseren. Terwijl het natuurlijk allebei ergens goed voor is. Wat daar ook van zij, de column had geconcludeerd dat het burgerlidmaatschap in de praktijk zo groot is geworden dat het expliciete erkenning en regeling in de Gemeentewet verdient.

Op dit moment zijn de spelregels voor het raadswerk grotendeels van overeenkomstige toepassing op raadscommissies, maar de spelregels voor raadsleden zijn niet van toepassing op burgerleden die raadswerk doen. Dat wordt aan de gemeenteraden zelf overgelaten. Dat klinkt autonoom, maar is vooral raar. Waarom zou de Gemeentewet verplichten dat de raad voor zijn leden een gedragscode vaststelt om het verder op zijn beloop te laten of ook burgerleden integer moeten handelen? In de praktijk zijn gedragscodes vaak van toepassing op burgerleden en in de meeste verordeningen op de raadscommissie worden de relevante bepalingen uit de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing verklaard op burgerleden, maar dat laat onverlet dat dit spelregels zijn die in de organieke wet zelf thuishoren.

Zonder corona hadden we het dus heerlijk over het reguliere onderhoud aan de Gemeentewet gehad. Nu voelt dat als luxeprobleem uit een andere wereld. Omdat we in de onze eerst maar eens moeten zien of de essentie van verkiezingen overeind blijft. Namelijk dat ze altijd doorgaan.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.