of 59250 LinkedIn

Bijstand voor de raad ver onder de maat

Deze week promoveerde de burgemeester van Echt-Susteren – Jos Hessels – in Nijmegen op het proefschrift ‘Raad zonder raadgevers’. Hessels onderzocht onder meer hoe het is gesteld met de ambtelijke bijstand aan de gemeenteraad en met de fractie-ondersteuning. Bij de invoering van de dualisering in 2002 werd voor beide een stevige wettelijke grondslag in de Gemeentewet opgenomen. 

In de vroegere situatie was er een directe relatie tussen raad en gemeentesecretaris. De dualisering doorbrak die verhouding en daaruit vloeide de noodzaak voort om de ondersteuning van de gemeenteraad een specifieke wettelijke grondslag te geven. Bovendien bepleitte de Staatscommissie dualisering dat de burgemeester er scherp op moest toezien dat deze ondersteuning in de praktijk ook goed uit de verf komt.

Hessels constateert nu dat lang niet in alle gemeenten hier sprake van is. De ambtelijke bijstand aan de gemeenteraad is een vaag construct gebleven en als er problemen zijn, is het toch veelal het college dat het laatste woord heeft. Via de griffie – al dan niet via detachering – kunnen daar wel oplossingen worden bereikt, maar het algemene beeld blijft hier zeer diffuus. Wat betreft de fractieondersteuning is het beeld al niet veel beter. In globaal 20 procent van de gemeenten is de fractie-ondersteuning geschrapt. In vele andere gemeenten is deze qua financiering in een neerwaartse spiraal terecht gekomen.

Ook worden aanzienlijke regionale verschillen waargenomen. De Drentse gemeenten bijvoorbeeld hebben alle een goed functionerende regeling voor fractiebijstand, terwijl in Utrecht en Friesland bijna de helft van de gemeenten de bij wet verplichte fractieondersteuning heeft afgeschaft. Hessels constateert dat deze situatie niet wenselijk is. Van een goede en daadwerkelijke ondersteuning van de raad kan niet worden gesproken in veel gemeenten. Letterlijk: ‘Dat is een hoogst ongebruikelijke en zeker ongewenste situatie. Het kan en mag niet zo zijn dat lokale overheden eigen afwegingen maken over het al dan niet toepassen van nationale wetgeving. De landelijke politiek zal dus een keuze moeten maken: gemeenten dwingen de wet toe te passen of de wet aanpassen’, aldus Hessels.

Maar hier rijst wel een uiterst principiële vraag. In eerdere beschouwingen voor Binnenlands Bestuur hekelde ik bijvoorbeeld de positie van slapende of bijna weg bezuinigde lokale rekenkamers of rekenkamercommissies.

De Gemeentewet verplicht alle gemeenten om een rekenkamer of een rekenkamercommissie te hebben, maar de wet schrijft niet voor dat de die rekenkamers ook echt iets moeten doen of aan bepaalde minimumeisen moeten voldoen. Sinds de dualisering is aan de gemeenten overgelaten om in een zekere autonomie invulling te geven aan de nieuwe instrumenten die destijds werden geïntroduceerd.

Na jaren van experiment en proef is er aanleiding om die vrije koers op diverse onderdelen los te laten. Zoals er in het gemeentelijke stelsel en daarbuiten is voorzien in allerlei waarborgen dat er een adequate accountantscontrole is, zo zouden ten aanzien van rekenkamers, ambtelijke bijstand, fractieondersteuning, integriteitsarrangementen etc. nadere wettelijke waarborgen in het leven moeten worden geroepen. Die waarborgen moeten bestaan uit minimumeisen, ook qua budget. Het onderzoek van Jos Hessels moet in dat verband in een breder perspectief worden geplaatst. Het zou aanleiding voor de wetgever moeten zijn om het gemeentelijke stelsel op een zeer principieel punt anders in elkaar te steken. 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.