of 60831 LinkedIn

Ben ik nog wel rechts genoeg?

Met het klimmen der jaren - de notie van sterfelijkheid is een ondraaglijke - is de tijdgeest moeilijker te doorgronden.

In mijn jonge jaren stelden dierbaren regelmatig de vraag, of ik wel links genoeg was. Dat was toen een lakmoesproef voor beschaving, weldenkendheid en intelligentie in het algemeen. Althans dat vonden mensen, die zichzelf beschaafd, weldenkend en dus intelligent achtten.

 

Dat die vraag regelmatig werd gesteld, was een teken dat aan mijn politieke correctheid werd getwijfeld. In het marxistische Nijmegen van de jaren ‘70 was ik sociaaldemocraat en dus in de ogen van puristisch links renegaat, ‘verrader van de arbeidersklasse’, reactionair en overigens minderwaardig.

 

Toen Nijmegen een bezette stad leek vanwege de Piersonrellen (krakersverzet tegen een parkeergarage) noemde ik in een plaatselijk krantje dat verzet kleinburgerlijk en kraken diefstal. Het geweldsmonopolie van de staat was mij toen al dierbaar. Kraken was een aantasting van dat monopolie en daarom toen en nu nog steeds onaanvaardbaar. Merkwaardig dat we dat in een wet hebben moeten expliciteren.

 

In de jaren ‘80 moesten handtekeningen tegen de plaatsing van kruisraketten worden opgehaald. Mijn weigering leverde me bijna een partijroyement op. Op basisscholen was het toentertijd usance kinderen mee te laten demonstreren tegen die plaatsing. Ik vond Reagans standpunt dat bewapening de totalitaire Sovjet-Unie op de economische knieën zou dwingen wel plausibel.

 

Dat een matig acteur in slechte B-films president kon worden, achtte men tekenend voor het beschavingsgebrek van Amerika. Dat de filmindustrie een vooraanstaande cultuurdrager was, miskende de politiek-bestuurlijke elite in misplaatst dedain. In 1989 bleek zijn gelijk. Zijn presidentschap is inmiddels aan herwaardering toe.

 

Aan de Italiaanse marxist Antonio Gramsci danken we de term ‘culturele hegemonie’. Hij betoogde dat economische en politieke macht niet volstaat. Van groter gewicht zijn de waarderingen en bewoordingen van de tijdgeest. Wie deze beheerst en taal kan geven aan de tekenen van de tijd is pas echt machtig. Gramsci bracht lange tijd door in Mussolini’s gevangenissen. Hij moest nieuwe en omfloerste woorden verzinnen om te ontsnappen aan de censuur. Dat leerde hem hoe belangrijk betekenisgeving is.

 

Vanaf de jaren ‘60 was de culturele hegemonie aan links. Niet zetelaantallen, maar bewoordingen en waarderingen waren doorslaggevend. Dat verklaart waarom politieke meerderheden constant rechts en beleid en regelgeving constant links waren. Dat verklaart ook waarom nu de politieke vertaling van maatschappelijk onbehagen zich zo obsessief tegen links keert.

 

‘Linkse hobby’s’ liggen onder vuur van de uzi-retoriek van de geblokte en getatoeëerde patriotten. Subversiviteit blijkt tegenwoordig uit strafbladen die getuigen van effectief verzet tegen linkse regelzucht. Het moet heerlijk foeteren zijn tegen linkse superioriteitsgevoelens die jarenlang het pluche van de macht hebben bezet en de subsidiekranen van de verzorgingsstaat hebben beheerst.

 

De gretigheid waarmee de aanval op de kunsten wordt ingezet is net zo verhelderend als de in krachttermen gehulde analyse van overlastproblematiek. Nog even en ook het niet op tijd rijden van de treinen is een linkse samenzwering tegen Henk en Ingrid. En ook al zijn historische vergelijkingen politiek incorrect: dat was onder Mussolini bepaald beter geregeld.

 

Dat de tijdgeest een dramatische wending heeft ondergaan, blijkt wel uit het feit dat ik nooit meer de vraag krijg of ik nog wel links genoeg ben. Integendeel. Wat decennia lang niet is gebeurd, overkomt me nu steeds vaker: men plaatst mij in het linkse kamp. Terwijl ik meen dat mijn opvattingen op een aantal punten een ijzeren consistentie vertonen, hetgeen voor een vermeende postmodernist toch opmerkelijk mag heten.

 

Nog steeds acht ik de staat een gevaarlijke institutie, veel beleid betuttelend, maakbaarheid een illusie. Nog steeds is in mijn ogen het leven in essentie tragisch, het recht een waarborg tegen de macht en vrijheid de kern van de liberale democratie.

 

Dat zijn nu elitaire opvattingen, die geen oog hebben voor de staat van oorlog waarin wij verkeren en die de problemen van het volk walgelijk miskennen. De hegemonie is nu duidelijk aan rechts. De superioriteitsgevoelens zijn echter even vals als continu gebleven. Ben ik nog wel rechts genoeg?

 

Paul Frissen is decaan en bestuursvoorzitter van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur, hoog leraar bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg en lid van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door rwindt (machteloze burger) op
Citaat uit column: Hij betoogde dat economische en politieke macht niet volstaat. Van groter gewicht zijn de waarderingen en bewoordingen van de tijdgeest. Wie deze beheerst en taal kan geven aan de tekenen van de tijd is pas echt machtig. Einde citaat.

Hoe waar!
Wie dit 200 procent beheerste was Fortuyn.
Daarom kreeg die uit zoveel geledingen van de samenleving steun! De angst sloeg toe bij de zittende politiek, met name aan de linkerzijde van de politieke middenlijn. Demonisering werd het politieke wapen.

Op de nieuwe tijdgeest werd niet geanticipeerd in de jaren 50 en de jaren 60 revolutie barstte los.
40 jaar later, wederom niet geanticipeerd op de nieuwe tijdgeest.. 2002! Men hoopte dat na de moord op Fortuyn en het ter ziele gaan van de LPF, de omwenteling bezworen was. 2010!

Taal geven aan tekenen van de tijd volstaat ook niet als het gaat om een politicus. Daarbij is onlosmakelijk vertrouwen verbonden in de politieke persoon die de tijdsgeest aanvoelt, in heldere bewoordingen weergeeft en daarbij een nieuwe richting paraat heeft. Fortuyn had dat allemaal. Fortuynisme= Pragmatisch, Integer, Menselijke maat, in dienst van algemeen belang.