of 59345 LinkedIn

Kwart Statenleden haakt tussentijds af

Bijna een op de vier Statenleden (24 procent) die in 2015 werd gekozen, is voortijdig teruggetreden. Dat is een forse stijging ten opzichte van de periode 2011-2015, toen 17 procent van de in 2011 aangetreden Statenleden de eindstreep niet haalde. Dat blijkt uit een inventarisatie van de Stichting Decentraalbestuur.nl/

Bijna een kwart van de Statenleden (24 procent) die in 2015 werd gekozen, is voortijdig teruggetreden. Dat is een flinke stijging ten opzichte van de periode 2011-2015, toen 17 procent van de in 2011 aangetreden Statenleden de eindstreep niet haalde.

Groot verloop

Dat blijkt uit een inventarisatie van de Stichting Decentraalbestuur.nl. Vooral in de Statenfracties van GroenLinks en de ChristenUnie waren er veel wijzigingen. Bij beide fracties vertrok 37 procent van de Statenleden die in 2015 aantraden. ‘Dat dit bij GroenLinks gebeurde is op zich niet vreemd. Je ziet vaker bij groeiende partijen een groot verloop’, verduidelijkt Peter Castenmiller van de Stichting. Veel nieuwe mensen moeten worden aangetrokken en soms blijkt het leven van een Statenlid anders dan vooraf gedacht. ‘Bij een gevestigde partij als de ChristenUnie had ik die stijging niet verwacht.’ Bij de PVV waren deze periode betrekkelijk weinig mutaties. Bij de inventarisatie kwam de Stichting daar uit op 17 procent.

 

Andere functies

Kijkend naar de afzonderlijke provincies valt vooral Utrecht op, waar met 35 procent bovengemiddeld veel Statenleden hun zittingsperiode niet volmaakten. Navraag bij de communicatieadviseur van de Utrechtse Staten leert onder meer dat een aantal Statenleden zijn vertrokken om wethouder, Kamerlid en gedeputeerde te worden. Ook in Limburg en Overijssel waren de percentages met respectievelijk 28 bovengemiddeld hoog. In Drenthe is het verloop met 15 procent het laagst.

 

Vrouwelijke Statenleden

De redenen voor het afhaken van de in 2015 gekozen Statenleden zijn niet door de Stichting Decentraalbestuur.nl onderzocht. Wel heeft een beperkt aantal gekozen provinciale volksvertegenwoordigers een aftredende gedeputeerde opgevolgd, weet Castenmiller. Het aantal vrouwelijke Statenleden ligt nu op 32 procent. Bij aanvang van deze Statenperiode lag dat percentage op 35 procent.

 

Gedeputeerden

Een op de zeven gedeputeerden (14 procent) heeft deze provinciale bestuursperiode niet afgemaakt. Dat is flink minder dan in de vorige bestuursperiode. Toen zat een kwart van de gedeputeerden de rit niet uit.


Inventarisatie

De inventarisatie is louter op basis van de provinciale websites gemaakt. Er is gekeken wie er na de verkiezingen in 2015 als Statenlid begon en wie nu nog als Statenlid op de websites staan. Tussentijdse vervangingen zijn daarmee niet in de inventarisatie meegenomen. De meting na de verkiezingen van 2015 heeft plaatsgevonden nadat in alle provincies de nieuwe colleges van Gedeputeerde Staten waren gevormd.

Verstuur dit artikel naar Google+

Gerelateerde artikelen

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Alexander op
Een niets zeggend onderzoek, waarbij onbetrouwbare cijfers worden vermengd met persoonlijke opvattingen. Zeer onwetenschappelijk.
Ook deze wetenschappers, zeer goed betaalde zzp ers, hadden moeten weten dat gegeven op websites onbetrouwbaar zijn en zeker niet actueel. Trouwens wat heeft dit onderzoek gekost? En wie was opdrachtgever?
Door Peter Zwart (oud-statenlid GroenLinks Noord-Holland) op
Een kwart van de in maart 2015 geïnstalleerde statenleden heeft de periode niet afgemaakt, de in 2015 tot gedeputeerde gekozen leden nog niet eens meegerekend. Inderdaad een zeer fors aantal, maar de uitsplitsing per partij behoeft een kanttekening.

Het grootste verloop vond plaats bij GroenLinks (11 van de 30 zetels voortijdig vertrokken – één tussentijds ingevallen statenlid maakte de periode ook niet vol) en de ChristenUnie (10 van de 31 zetels; daarbij zijn de twee statenleden van de CU/SGP tot de ChristenUnie gerekend, aangezien zij tot die partij behoren).

De in het artikel gegeven verklaring voor het relatief grote verloop bij GroenLinks – een groeiende partij waar veel nieuwe mensen moeten worden aangetrokken, die zich misschien niet altijd realiseren wat het statenlidmaatschap allemaal inhoudt – geeft mij aanleiding tot een reactie, aangezien dit voor deze statenperiode niet kan kloppen.

De kandidatenlijsten voor de periode 2015-2019 zijn vastgesteld in de tweede helft van 2014, en toen was GroenLinks nog aan het opkrabbelen van de grote nederlaag bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2012. Van een snel groeiende partij was zeker nog geen sprake.
De groei heeft wel invloed gehad op het verloop in de statenfracties, maar op een andere manier. Als we kijken naar de redenen van vertrek, dan blijkt dat zowel bij GroenLinks als bij de ChristenUnie de meerderheid van de vertrekkers een andere politieke functie voor die partij gaat vervullen.
Bij GroenLinks: van de 11 vertrekkenden werden er 5 wethouder, en 1 fractievoorzitter in de gemeenteraad. In het verre verleden waren Provinciale Staten een verzamelplaats van burgemeesters, wethouders en raadsleden; tegenwoordig komen dergelijke combinaties steeds minder voor.. Als men nu tot wethouder wordt gekozen, bedankt men als statenlid.
Bij de ChristenUnie werden er van de 10 vertrekkenden 4 wethouder, 1 lid van de Tweede Kamer en 1 tussentijds gedeputeerde.

De groei van GroenLinks manifesteerde zich pas bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2017 en de gemeenteraadsverkiezingen van 2018. De uitslag van deze laatste verkiezingen bracht met zich mee, dat er voor GroenLinks aanzienlijk meer wethoudersposten waren weggelegd, en dat in veel gevallen de wethouder niet uit de gekozen raadsfractie – met waarschijnlijk veel nieuwelingen - kon worden gerekruteerd. Uit de Provinciale Staten vertrekken dan juist de oudgedienden, die met hun ervaring in een vertegenwoordigend lichaam en een bredere blik dan alleen de gemeente, kennelijk het juiste profiel voor een wethouderschap hebben. Ook bij de ChristenUnie ziet men, dat Provinciale Staten meer een kweekvijver voor wethouders zijn geworden dan een rustoord voor oud-gemeentepolitici, zoals in vroeger jaren bij alle partijen wel het geval was.

Overigens is het verloop bij GroenLinks en de ChristenUnie niet heel veel groter dan bij de andere partijen: bij de VVD haalde 30% de eindstreep niet, bij de SGP 28%, bij de SP 27%, bij het CDA 26% en bij de PvdA 25%.

Een andere manier om te zien bij welke partij het grootste verloop plaatsvindt, is het inventariseren van het aantal afsplitsingen.
In de periode 2015-2019 hebben 13 statenleden hun fractie verlaten (2,3 %). In twee gevallen sloot een statenlid zich aan bij een andere, al bestaande fractie (1 x van D66 naar GroenLinks en 1 x van 50PLUS naar een provinciale partij). In de overige elf gevallen begon het afgesplitste lid een eigen fractie (in Noord-Brabant een tweepersoonsfractie, elders 9 eenpersoonsfracties).

De meeste afsplitsingen deden zich voor bij 50PLUS: 5 van de 13, d.w.z. 35% van hun gekozen statenleden. Bij de PVV verlieten 3 leden de partij met behoud van de zetel, bij D66 en SP twee, en bij het CDA één.
Op één na waren dit allen statenleden die vanaf het begin van de statenperiode zitting hadden.

Van de 10 nieuw gevormde statenfracties doen er 4 met een eigen lijst mee met de komende verkiezingen: ex-D66 in Friesland heet nu Natuurlijk Fryslân, ex-SP in Drenthe gaat de strijd in voor de al bestaande, maar zetelloze Onafhankelijke Partij Drenthe, het afgesplitste statenlid van 50PLUS in Flevoland is overgestapt naar de OPA (Ouderen Politiek Aktief) en de twee ex-50PLUSsers in Noord-Brabant zijn op het stembiljet terug te vinden als Ouderen Appèl/Hart voor Brabant.
Het afgesplitste CDA-lid heeft onderdak gevonden (op een onverkiesbare plaats) bij 50PLUS, en de overige vier zijn nergens meer kandidaat.