of 59162 LinkedIn

Geleerde anarchist aan het plein

Bert Marseille Reageer

Hoe was het om in de jaren veertig, vijftig en zestig bij de Nederlandse overheid te werken? Wim Duk, die dit jaar negentig wordt, vertelt er over in zijn memoires, Eindverslag. Duk is vooral bekend vanwege zijn briljante analyse van de discretionaire bevoegdheden van het bestuur, De zachte kern van het bestuursrecht, die hij in 1978 publiceerde. Hij was op dat moment hoogleraar bestuursrecht, maar had daarvoor, van 1945 tot 1973, als ambtenaar in Groningen en Den Haag gewerkt.

 

De weinige jaren in Groningen worden gedomineerd door twee sterke vrouwen, de vele jaren in Den Haag door twee sterke mannen. De twee sterke vrouwen zijn mejuffrouw Liny Bakker Niemeyer en mejuffrouw Lijsje Wouda. De een was hoofd afdeling Stadsbezittingen van de gemeente Groningen, de ander adjunct-griffier van de provincie Groningen. Op het moment dat Duk in dienst treedt van de gemeente Groningen, is Bakker Niemeyer nog afwezig. Ze is sterk verzwakt door de oorlog en heeft maanden nodig om op krachten te komen. Haar geest waart echter over de burelen van het gemeentehuis, wat Duk merkt als hij op een van zijn eerste werkdagen telefonisch informatie inwint bij de provincie.

 

Het blijkt de grootste fout die hij kan maken, want als er een ding is wat een Groningse gemeenteambtenaar nimmer zal doen, is het een vraag voorleggen aan de provincie. Duk had het wel gedaan, en was trouwens meer dan adequaat geholpen door Lijsje Wouda, een zo mogelijk nog uitzonderlijker persoonlijkheid dan Bakker Niemeyer, en in bijna alles haar tegenpool.

 

Van de vele bijzondere anekdotes die het boek van Duk bevat, is die over hoe Wouda uiteindelijk geen griffier van de provincie werd waarschijnlijk de mooiste. Gezien haar kwaliteiten zonder meer de beste kandidaat, werd zij gepasseerd omdat Provinciale Staten de voorkeur gaven aan een man. Nadat haar concurrent plotseling was overleden, werd zij alsnog voorgedragen. Duk beschrijft de beëdiging als volgt: 'Daar verscheen Lijsje in een stemmig donker mantelpak. Met koninklijke tred schreed zij naar de Commissaris, in wiens handen zij de ambtseed moest afleggen. Bij diens zetel aangekomen (...) draaide zij zich resoluut om, en beet de voltallige vergadering met heldere stem toe: 'Tweede keus, hè?! De heer'n worde'n bedankt!' Daarop verliet zij waardig (...), onder doodse stilte de vergaderzaal.'

 

De sterke mannen zijn de ministers van Justitie Donker en Scholten. Duk kwam in 1949 op het ministerie. Zijn beschrijving van de gang van zaken vormt een mooie nuancering van het beeld van de jaren vijftig als het saaiste decennium van de vorige eeuw. Het ministerie van Justitie is, als we Duk mogen geloven, een vrijplaats voor scherpzinnige en goed van de tongriem gesneden juristen, waar verschillen in afkomst, herkomst, kerkelijke gezindte en sekse een voortdurende bron van subtiele plagerijen zijn.

 

En passant worden de ministers van hoogwaardige memories van toelichting voorzien. Donker, minister is van 1952 tot 1956, is heer en meester en tevens een enorm productieve wetgever. Hij sterft overwerkt in het harnas. Scholten, waarover Duk vertelt dat hij zijn politieke carrière te danken heeft aan een vergissing van De Quay, die per ongeluk hem in plaats van zijn broer Geb belde met de vraag of hij staatssecretaris van Onderwijs wilde worden, doet het in die functie zo goed dat hij in het volgende kabinet (het kabinet-Marijnen, 1963 tot 1965) tot minister wordt bevorderd. Duk is vol bewondering over zijn intellect en pragmatisme en vertelt met kennelijk plezier hoe hij en de minister gedaan weten te krijgen dat de Tweede Kamer instemt met plannen waar zij eigenlijk op tegen is.

 

Adembenemend

 

Duks beschrijving van zijn ambtelijke loopbaan verveelt geen moment, maar bevredigt uiteindelijk toch niet helemaal. Hoe boeiend de mensen ook worden beschreven, en hoe tekenend of hilarisch de anekdotes waarmee hij ons vermaakt ook zijn, de context blijft nogal buiten beeld. Heel af en toe, en dan nog indirect, laat Duk iets los over de ongetwijfeld grote veranderingen in de ruim twintig jaar dat hij aan het Plein werkte. Slechts de benoeming tot hoogleraar in Amsterdam is aanleiding voor een beknopt exposé over de cultuurverandering bij Justitie in de jaren zestig, waar de stroomlijning van de organisatie steeds minder plaats liet voor geleerde anarchisten als Duk.

 

De memoires gaan behalve over de ambtenarij over het hoogleraarschap, behalve over het werk over thuis, en behalve over het vooroorlogse Groningen over de oorlog. Uiteindelijk blijven thuis (de afloop van zijn eerste huwelijk en de dood van zijn zoon Maarten) en de oorlog (de detentie in het kamp Amersfoort) het scherpst op het netvlies. In Amersfoort komen het allerlaagste en het allerhoogste samen. Duks beschrijving is adembenemend. Dat deel van het boek kan gelden als een postuum eerbetoon aan Arthur Meerwaldt, de jongen die blind van woede een kampbewaarder aanvalt als die een medegevangene mishandelt, om de ongelijke strijd pas op te geven nadat de bewaarder hem met zijn wapenstok tot moes heeft geslagen. Meerwaldt, die in de ogen van Duk alles in zich had om uit te groeien tot een leidende persoonlijkheid in het naoorlogse Nederland, komt om in concentratiekamp Neuengamme.

 

Duks boek, meer dan zevenhonderd dichtbedrukte bladzijden, is ongetwijfeld te omvangrijk, te overladen, te vol en te compleet. Maar van onvolkomen egodocumenten als dit kunnen er, vanwege het echte leven waarvan iedere bladzijde doordrenkt is, niet genoeg worden geschreven. bert marseille Bert Marseille is universitair hoofddocent bij de vakgroep Bestuurskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen.

 

Wim Duk, Eindverslag, Zutphen, 2007, Uitgeverij Paris, ISBN 97890 77320433, € 39,00.

 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.