of 63946 LinkedIn

EZ: dominante boys die alles regelen

Het ministerie van Economische Zaken (EZ) was en is de belangenbehartiger van ondernemers en de stem van het bedrijfsleven.

Het ministerie van Economische Zaken (EZ) was en is de belangenbehartiger van ondernemers en de stem van het bedrijfsleven. We hebben er loonmatiging, exportbevordering, deregulering en privatisering ‘aan te danken’.

Wat is er nieuw onder de zon? Ook tijdens en vlak na de crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw kreeg de overheid een actievere rol toebedeeld op economisch vlak. De naamswijziging van het in 1845 opgerichte ministerie van Handel en Nijverheid in het ministerie van Economische Zaken (EZ) sprak wat Jonne Harmsma betreft boekdelen. De onderzoeker bij het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis van de Radboud Universiteit Nijmegen en docent politieke geschiedenis aan de Universiteit Utrecht zet in de Binnenlands Bestuur-reeks het DNA van ministeries uiteen waar EZ voor stond en staat.


Verlicht liberalisme
Terwijl Financiën en de centrale bank er conservatieve ideeën op na bleven houden, werd op EZ in de jaren dertig een moderne economische politiek ontwikkeld. Gesproken werd van een ‘verlicht liberalisme’, waarbij de vrije markt uitgangspunt bleef maar overheidsingrijpen werd omarmd om ongewenste ontwikkelingen te corrigeren en het particuliere initiatiefwaar nodig te ondersteunen.

Hoewel velen overheidsingrijpen zagen als tijdelijke noodzaak, werd centrale ‘planning’ van de economie door andere ambitieuze economen en politici juist volgens Harmsma gehuldigd als een blijvend kenmerk van de naoorlogse wereld. ‘Was het niet juist de vrije markt die geleid had tot de ineenstorting van de economie in de jaren dertig, waaruit de totalitaire verschrikkingen van de jaren veertig voort waren gekomen? Breed gedragen was het idee dat de overheid op basis van moderne wetenschappelijke inzichten de conjunctuur in goede banen kon leiden.’

Oude spoor
Onder dat gesternte richtte de sociaaldemocraat Hein Vos in juni 1945 als minister het Centraal Planbureau op, waarbij hij zijn partijgenoot Jan Tinbergen als directeur installeerde. Het ambitieuze wederopbouwplan leed echter schipbreuk, waarna het economische beleid tussen 1946 en 1952, onder de katholieke ministers Huysmans en Van den Brink met krachtige hand op het oude spoor werd gezet: de overheid had zonder meer een belangrijke taak in de wederopbouw van het land, maar moest het particuliere bedrijfsleven vooral indirect steunen en stimuleren.

Tijdens de industrialisatiegolf in de jaren vijftig was het EZ-beleid voorwaardenscheppend, door bijvoorbeeld industrieterreinen te bouwen en stimulerend door investeringen te faciliteren via belastingaftrek en kredietverstrekking. Harmsma: ‘Wel hield de overheid de lonen en prijzen in deze periode stevig in de greep om op die manier de concurrentiepositie van Nederland te verbeteren en de export aan te jagen. Op EZ volgde de directie Prijzen de prijsontwikkeling per productklasse nauwgezet. Waar nodig werd ingegrepen, al gaf het ministerie de voorkeur aan overleg met het bedrijfsleven. Stap voor stap vergrootte het ministerie de vrijheid van het bedrijfsleven.’

Industriepaus
De oliecrisis gooide in de jaren zeventig roet in het eten. De sterke prijsstijging die er het gevolg van was zorgde voor een wereldwijde recessie. ‘Voor sectoren zoals scheepsbouw en textielnijverheid, die al langer onder druk stonden door toenemende concurrentie uit het buitenland, namen de problemen hand-over-hand toe. Om banen te behouden ontstond een defensief industriebeleid waarbij EZ grote bedragen in verliesgevende sectoren pompte en waarvan directeur-generaal Joseph Molkenboer als ‘industriepaus’ het symbool was’, zo schetst Harmse de situatie.

Fiscale vrijstelling
De directie Algemene Economische Politiek (AEP) op EZ kreeg steeds meer macht. ‘Direct ressorterend onder de secretaris-generaal was AEP in 1952 opgericht als braintrust van het ministerie. Deze rol kreeg grote betekenis toen de economische problemen in de loop van de jaren zeventig toenamen en het keynes­iaanse beleidsdenken onder druk kwam te staan. Onder secretaris-generaal Frans Rutten omarmde AEP de aanbodfilosofie: in plaats van het conjunctureel stimuleren van de vraag was de economie gebaat bij een structurele verbetering van het ondernemingsklimaat. Alleen via lagere loonkosten en hogere winstgevendheid konden groei en banen worden gerealiseerd’, aldus Harmsma. Wat volgde was de zogenaamde WIR-regeling van minister Lubbers. Het leverde het bedrijfsleven tussen 1978 en 1988 meer dan 46 miljard aan fiscale vrijstelling op, met alleen al honderden miljoenen in het beruchte ‘WIR-weekend’.

Nieuwe dominantie
De jaren zeventig vormden volgens Harmsma de opmaat voor een nieuwe dominantie van EZ in de jaren tachtig en negentig. ‘Dit bleek niet alleen uit de economische visie die de kabinetten in deze periode uitdroegen maar ook uit het feit dat de minister van EZ in de eerste kabinetten-Lubbers en
het kabinet-Kok-II vicepremier was. Bovendien oefende AEP via de Centrale Economische Commissie (CEC) grote invloed uit op het interdepartementale overleg. Niet alleen was de machtige SG Frans Rutten voorzitter van de CEC, ook werden de vergaderingen door ‘zijn’ AEP voorbereid. Zo bevorderden en bewaakten de Rutten-boys van EZ in de jaren tachtig en negentig de neoliberale beleidslijn, met loonmatiging, exportbevordering, deregulering en privatisering als sleutelwoorden.’

Lees het volledige artikel in Binnenlands Bestuur nr. 10 van deze week

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.