of 58952 LinkedIn

Ambtelijke sturing bij temperen voedselcrisis

© Shutterstock
© Shutterstock
Reageer

Vooroorlogse voorbereidingen en een goed distributieapparaat zorgden ervoor dat Nederland in de Tweede Wereldoorlog snel de omslag kon maken naar agrarische zelfvoorziening. Rantsoenen voor de burgerbevolking bleven op peil. Zo wisten voedselambtenaren tot aan de herfst van 1944 een voedselcrisis te voorkomen.    

door: Ingrid de Zwarte*

Dankzij de lessen uit de Eerste Wereldoorlog begon de overheid op het gebied van voedselvoorziening al in 1937 met voorbereidingen voor een potentiële nieuwe oorlog. In dat jaar installeerde minister Steenberghe (Economische Zaken) het Rijksbureau voor de Voorbereiding van de Voedselvoorziening in Oorlogstijd (RBVVVO). De eerste doelstelling was de oprichting van een organisatie die het hele voedselsysteem kon reguleren en controleren van productie tot distributie. Het tweede doel was voedselvoorraden aan te leggen die de periode konden overbruggen waarin omschakeling naar zelfvoorziening moest plaatsvinden.

Rantsoenkaarten
Een van de eerste maatregelen was de omschakeling naar nieuwe soorten veevoeder om granen te sparen voor menselijke consumptie. Het Centraal Distributiekantoor deelde het land op in distributiedistricten en verstrekte de eerste rantsoenkaarten aan de bevolking. Tegelijkertijd werden grote voorraden aangelegd, in het bijzonder van graan, veevoeder en eetbare oliën.
Het nationale rantsoeneringssysteem trad eveneens in werking, hoewel eerder als test dan als een gevolg van schaarste. Toen nazi-Duitsland in mei 1940 Nederland binnenviel, was het gehele distributiesysteem al volledig ontwikkeld en uitvoerig getest.

Na de Duitse inval wees Hitler een Duits burgerbestuur aan voor de bezette Nederlandse gebieden. Hitlers voornaamste prioriteit in Nederland was de exploitatie van de economie en technologie. De Nederlanders uithongeren was geen onderdeel van deze plannen. Het was in Duits belang om Nederlandse experts in dienst te houden die wisten hoe ze de landbouwproductie konden maximaliseren en een goedwerkend distributiesysteem opzetten. Om die reden bleef verantwoordelijkheid voor de voedselvoorziening in handen van twee Nederlandse hoge ambtenaren.

Twintigduizend ambtenaren
Het bureaucratische voedselsysteem groeide enorm. Landelijk waren, exclusief de duizenden medewerkers van lokale distributiekantoren, meer dan twintigduizend ambtenaren betrokken bij de voedselvoorziening.

De aangelegde reserves bleken van onschatbare waarde. Een omvangrijke agrarische transitie naar zelfvoorziening was door het verlies van de import echter onvermijdelijk. Deze omschakeling hield een drastische vermindering in van de varkens- en pluimveestapel. Tegelijkertijd moest de verbouwing van gewassen toenemen, specifiek van voedsel dat veel koolhydraten bevat, zoals aardappelen en broodgraan.

Zo werden tot de herfst van 1944 ernstige voedseltekorten voorkomen, met officiële rantsoenen die net iets onder het Duitse niveau lagen.

Hongerwinter
Daarna gooiden de geallieerde opmars en de Duitse tegenaanval roet in het eten. Vaak wordt gedacht dat de Duitse bezetter vervolgens bewust hongersnood heeft gecreëerd, om zo het Nederlandse verzet te breken. In werkelijkheid was de hongersnood in stedelijk West-Nederland het gevolg van een opeenstapeling van verschillende transport- en distributieproblemen, waaronder de Nederlandse spoorwegstaking, een tijdelijk Duits verbod op scheepsvervoer en een hevige vorstperiode, gecombineerd met ernstige brandstofschaarste, Duitse inbeslagname van transportmiddelen en het langdurig uitblijven van geallieerde noodhulp.

De belangrijkste taak van de Nederlandse voedselambtenaren tijdens de ‘Hongerwinter’ was hervatting van het gecentraliseerde distributiesysteem. De sleutel tot herstel was de mobilisatie van transport, maar dat ging door de Duitse inbeslagnames, ondergedoken vervoerders en groeiende brandstoftekorten uiterst moeizaam. Bovendien waren veel boeren het vertrouwen in het distributiesysteem verloren en hielden ze liever voedsel achter voor de zwarte markt. Op 5 december 1944 richtten onder andere de burgemeesters van Amsterdam en Rotterdam de Centrale Reederij voor de Voedselvoorziening op. Dit werd het centrale transportorgaan tijdens de Hongerwinter.

Gaarkeukens
Maar transport was niet het enige probleem. Door de brandstoftekorten konden veel mensen niet langer thuis warme maaltijden bereiden. De afdeling Massavoeding van het RBVVO moest hierdoor de capaciteit van de gaarkeukens enorm uitbreiden. In Den Haag, bijvoorbeeld, moesten deze Centrale Keukens tussen september en december 1944 omschakelen van het voeden van 3.700 naar 209.400 personen. In april 1945 bereidden de keukens in West-Nederland zo’n 1.800.000 warme maaltijden per dag plus 200.000 maaltijden in de rest van bezet Nederland, met gaarkeukens verspreid over 183 gemeenten.

In mei 1945 bleek hoe ernstig de oorlog het Nederlandse voedselsysteem ontwricht had. De gehele infrastructuur lag plat, landbouwgrond stond onder water, de veestapel was gedecimeerd, zware machines en transportmiddelen ontbraken en het brandstoftekort was nijpend. De Nederlandse voedselautoriteiten hadden hier echter al tijdens laatste bezettingsfase plannen voor opgesteld die na de oorlog snel werden uitgevoerd.

*Ingrid de Zwarte is universitair docent Agrarische en Milieugeschiedenis aan de Wageningen Universiteit en onderzoeker aan het NIOD.

Lees het volledige artikel in Binnenlands Bestuur nr. 6 van deze week (inlog)

Verstuur dit artikel naar Google+

Gerelateerde artikelen

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.