of 63966 LinkedIn

Zoek de verschillen

Vluchtelingen in Nederland zijn een divers gezelschap. De verschillen tussen de groepen op het gebied van integratie zijn groot, blijkt uit een recente studie van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Is de tijd weer rijp voor specifiek beleid?

Van de volwassen Somalische vluchtelingen in Nederland heeft bijna 60 procent alleen op de basisschool gezeten, of zelfs dat niet. Slechts één op de twintig Somalische volwassenen heeft een hbo-diploma of universitaire graad; nog geen kwart van de Somaliërs tussen 20 en 34 jaar heeft een startkwalificatie.

 

Een heel ander beeld tonen Iraanse migranten. Daarvan heeft 90 procent meer onderwijs gehad dan alleen het basisonderwijs; 41 procent heeft het hbo of wetenschappelijk onderwijs voltooid. Driekwart heeft een start kwalificatie. Daarmee ligt het gemiddeld opleidingsniveau van deze groep vluchtelingen zelfs hoger dan dat van autochtone Nederlanders.

 

De verschillen zijn groot tussen de diverse vluchtelingengroepen in Nederland, blijkt uit de recente studie van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) Vluchtelingengroepen in Nederland. Over de integratie van Afghaanse, Iraakse, Iraanse en Somalische migranten.

 

Ook tussen de voormalige asielzoekers en de vier grote traditionele migrantengroepen (Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen) kunnen grote verschillen zitten. Kijk je bijvoorbeeld naar het opleidingspeil, dan scoren behalve Iraanse, ook Irakese en Afghaanse vluchtelingen beter dan de traditionele migranten, waarbij Surinamers en Antillianen het weer beter doen dan Turken en Marokkanen.

 

Op de arbeidsmarkt zijn de verschillen eveneens groot. Precies éénderde van de Somalische beroepsbevolking is werkloos, dat wil zeggen zonder werk én actief op zoek naar een baan. Van de Iraanse beroepsbevolking is ‘slechts’ eenvijfde werkloos, bij autochtonen één op de 25.

 

Daarnaast wordt de deelname aan het economisch verkeer afgemeten aan het aandeel werkenden op de totale bevolking, dus inclusief huisvrouwen, studenten en arbeidsongeschikten die niet werken, maar die ook niet actief een baan zoeken. Ook deze zogeheten ‘nettoparticipatie’ is bij Somaliërs het laagst van alle migrantengroepen: slechts 29 procent heeft betaald werk, tegenover 49 procent van de Iraniërs en 70 procent van de autochtonen.

 

Voor Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders ligt de nettoparticipatie tussen de 50 en 60 procent. De SCP-onderzoekers noemen de lage arbeidsparticipatie dan ook ‘het centrale probleem van de integratie van vluchtelingengroepen. (..) Het is niet eenvoudig om lichtpuntjes te ontdekken in de arbeidsmarktpositie van de onderzochte vluchtelinggroepen’. Opvallend detail: 0 procent van de ondervraagde migrantengroepen noemt ‘discriminatie’ als ‘belangrijkste reden om geen betaald werk te hebben’. Wat wel aantoonbaar een rol speelt: hoe slechter de gezondheid, hoe kleiner de kans op werk.

 

Gezondheid

 

Somalische asielzoekers zijn niet alleen hekkensluiter op de arbeidsmarkt en in het onderwijs, ze scoren op alle leefgebieden verreweg het slechtst, zo blijkt uit de SCP-studie. De bevolkingsgroep is hét grote zorgenkind. Aan de andere kant van het spectrum bevinden zich Iraanse vluchtelingen, die het op alle fronten (relatief) goed doen, zelfs vergeleken met traditionele migranten én met autochtone Nederlanders.

 

Irakese en Afghaanse migranten zitten daar telkens precies tussenin. Alleen op gebied van gezondheid scoren Somalische vluchtelingen beter dan andere migrantengroepen. Mogelijke verklaring: de Somalische bevolkingsgroep is extreem jong: de gemiddelde leeftijd ligt op 23,6 jaar, voor de autochtone Nederlander ligt dat op 39,4 jaar. Overigens geldt voor alle vluchtelingengroepen dat ze zowel fysiek als psychisch minder gezond zijn dan autochtone Nederlanders. Belangrijk hierbij is vooral de ‘ervaren gezondheid’: voormalige asielzoekers voelen zich als gevolg van trauma’s en scheiding van hun dierbaren vaak ongelukkig en hebben de neiging hun klachten te ‘somatiseren’. Met andere woorden: ze zoeken eerder de huisarts op dan de geestelijke gezondheidszorg.

 

Er blijkt overigens een aantoonbaar lineair verband tussen de lengte van het verblijf in een asielzoekerscentrum en een slechte gezondheid. Hoe langer in de opvang, hoe groter het beroep op de zorg daarna. Onzekerheid over de afloop van de asielprocedure en het gebrek aan privacy zouden hier wel eens debet aan kunnen zijn, opperen de SCPonderzoekers. Ze waarschuwen dat het beroep op huisarts, GGZ en medisch specialist in de toekomst alleen maar méér zal worden, als de vergrijzing ook onder de vluchtelingen toe gaat slaan.

 

Man-vrouw rolverdeling

 

Dat de diverse vluchtelingengroepen het zo verschillend doen in Nederland, valt deels te verklaren uit de situatie in de herkomstlanden en een afwijkende migratiegeschiedenis. Zo hebben Somalische vluchtelingen amper onderwijs genoten in hun door geweld verscheurde geboorteland, waardoor ze een veel slechtere startpositie hebben dan bijvoorbeeld Iraanse vluchtelingen. Die arriveerden eerder in Nederland, zijn hoger opgeleid en hebben door de bank genomen veel modernere opvattingen, waardoor ze beter aansluiten bij de Nederlandse samenleving.

 

Volgens het SCP- onderzoek liggen de ideeën van Somalische migranten over de rolverdeling tussen mannen en vrouwen, dicht bij die van Turkse en Marokkaanse immigranten. Terwijl de opvattingen daarover van Afghanen, Irakezen en Iraniërs meer aansluiten bij die van Surinamers en Antillianen. Zo vindt 59 procent van de Somaliërs dat ‘de vrouw het beste de verantwoordelijkheid voor het huishouden kan hebben’. Van de autochtone Nederlanders deelt 27 procent die mening.

 

De onderzoekers trekken een parallel tussen Marokkaanse en Somalische migranten: ‘Beide zijn betrekkelijk losse groepen met veel contacten met zowel de eigen groep als met autochtone Nederlanders. Tegelijkertijd is religie zeer belangrijk en hebben ze meestal een tamelijk orthodoxe geloofsbeleving’. Vrijwel alle Somalische vluchtelingen (95 procent) rekenen zichzelf tot een religie, in alle gevallen de islam. Van de Iraanse vluchtelingen daarentegen noemt slechts 51 procent zichzelf religieus, waarvan tweederde moslim is en de rest christen of ‘overig’. De Somalische moslims zijn van alle groepen ook het meest ‘regelvast’: ze vinden het vaakst dat de regels van de islam letterlijk moeten worden nagevolgd. 63 Procent van de Somalische mannen vindt dat een vrouw een hoofddoek dient te dragen buitenshuis. Van de Iraanse mannen is slechts 7 procent die mening toegedaan. Opvallend is dat Turkse en Marokkaanse moslims strenger in de leer blijken dan hun Afghaanse, Iraakse en Iraanse geloofsgenoten.

 

Contact

 

De migrantengroepen zijn ook bevraagd over hun opvattingen over de Nederlandse multi-etnische samenleving. Ruim de helft, 52 procent van de Antillianen en 63 procent van de Iraniërs, vindt dat ‘het slecht voor een wijk is als er veel allochtonen wonen’. Zo’n 46 procent van de Somaliërs is ook die mening toegedaan. Tussen de 35 procent van de Iraniërs en 58 procent van de Turken vindt dat er ‘te veel allochtonen in Nederland wonen’.

 

Overigens blijken de vluchtelingengroepen aanzienlijk meer contact te onderhouden met autochtone Nederlanders dan Turkse en Marokkaanse immigranten. Dat komt mogelijk omdat deze vluchtelingengroepen kleiner zijn, waardoor de ontmoetingskansen met leden van de eigen groep ook minder hoog zijn, en omdat ze in minder grote getale in de grote steden wonen.

 

Omdat de meeste opvangcentra in het noorden en oosten van Nederland liggen en asielzoekers bij voorkeur in de regio worden geplaatst, zijn de vluchtelingengroepen oververtegenwoordigd in die delen van het land. Wel verhuizen veel voormalige asielzoekers na een tijdje alsnog naar de Randstad.

 

Iraanse vluchtelingen wonen vooral in het westen, Afghanen en Irakezen zijn oververtegenwoordigd in het oosten, terwijl Somaliërs veelal in Zuid-Nederland wonen (o.a. Tilburg). Eén op de drie voormalige vluchtelingen woont in een zogeheten ‘concentratiewijk’ met meer dan 10 procent niet-westerse immigranten, tegenover één op de acht autochtone Nederlanders.

 

Uitgezocht is ook hoeveel voordeel migranten eigenlijk hebben gehad van een inburgeringscursus. Ze hebben er beter Nederlands door leren spreken, maar andere factoren blijken daarbij ook belangrijk: de genoten opleiding, de lengte van verblijf in Nederland, de leeftijd waarop iemand naar Nederland kwam, én de gezondheid.

 

Apart beleid

 

Vluchtelingenwerk Nederland is ‘niet verrast’ door de uitkomsten van het SCP- onderzoek en pleit voor apart beleid voor Somaliërs, zoals dat er ook is (geweest) voor Antilliaanse en Marokkaanse jongeren. ‘Je ontkomt er niet aan om dit ook voor Somaliërs te gaan doen’, voorspelt Erna Lensink van Vluchtelingenwerk. ‘Gemeenten gaan tóch harder lopen als er rijksgeld beschikbaar komt. Er zijn grote problemen binnen de Somalische bevolkingsgroep, en dít is het moment voor een specifieke aanpak. Als je nu niet investeert, zullen de problemen in de toekomst alleen maar toenemen. Die problemen zijn overigens heel verklaarbaar, het is niet zo dat Somalische vluchtelingen onwilliger zijn dan andere groepen. Maar ze komen uit een land dat al tientallen jaren in chaos verkeert, en ze zijn veel korter in Nederland dan bijvoorbeeld Iraanse vluchtelingen.’

 

Gemeenten en Rijk moeten de gesignaleerde problemen onder Somaliërs concreet oppakken, ‘anders dreigt het vrij snel mis te gaan, het zal in ieder geval niet verbeteren’, stelt ook Jaco Dagevos, één van de twee eindredacteuren van het vluchtelingenonderzoek. ‘Somaliërs komen uit een land waar het onderwijssysteem nagenoeg verdwenen is, ze zijn zeer laag opgeleid en dat is een bepalende factor voor alle andere terreinen’.

 

Volgens Dagevos moet prioriteit van nieuw beleid zijn dat Somalische jongeren het onderwijs binnengehaald worden, er ook blijven. Voor alle vluchtelingen geldt dat een slechte gezondheid doorwerkt op diverse gebieden: inburgering, werk, participatie. Dagevos: ‘Vooral de 45-plussers hebben een zeer slechte fysieke en psychische gezondheid. Met die groep gaat het qua integratie niet meer goed komen. We moeten het hebben van de volgende generatie, die het redelijk goed doet in het onderwijs’. Daarnaast moeten gemeenten waar Somaliërs wonen ‘iets specifieks aan deze groep gaan doen’, stelt Dagevos. ‘Spreek Somalische ouders aan, geef ze hele intensieve begeleiding. Het is uiteindelijk een tamelijk overzichtelijk probleem, er zijn 27 duizend Somaliërs, dat is niet zo’n grote groep.’

 

‘Het is kwart over 12’, zegt Mohamed Elmi, secretaris van de Federatie Somalische Associaties Nederland (FSAN) waarbij 65 lokale Somalische organisaties zijn aangesloten, in reactie op het SCP-rapport. ‘We zijn er niet door verrast. Wij hameren er al jaren op dat er iets moet gebeuren. Dat is steeds genegeerd. Inmiddels is de problematiek van Somaliërs in Nederland héél urgent, in sommige gevallen is het zelfs al te laat’, aldus Elmi. ‘Ten aanzien van onderwijs en hulp bij de opvoeding bijvoorbeeld zijn de problemen inmiddels al volop gaande. Er zijn veel alleenstaande Somalische moeders, zij weten niet hoe ze een kind moeten opvoeden en krijgen daarbij geen adequate hulp.’

 

De Tweede Kamer sprak vorig jaar oktober over de aanpak van ‘risicojongeren’. Vluchtelingenwerk pleitte toen voor een aparte aanpak voor Somalische vluchtelingen, maar de Kamer zag dat niet zitten. Lensink: ‘Ze zeiden dat de reguliere instellingen dat aan kunnen, wij denken van niet. Zeker in de kleine gemeenten waar Somalische migranten vaak wonen is onvoldoende deskundigheid en capaciteit aanwezig’. In de geestelijke gezondheidszorg is de drempel gewoon te hoog, stelt Lensink. ‘Veel Somaliërs zijn getraumatiseerd, maar de Nederlandse aanpak van eindeloze praatsessies werkt gewoon niet. Het is een groot taboe voor hen om de vuile was buiten te hangen, en bijgeloof speelt een grote rol. Wat wél werkt, is een aanpak waarbij landgenoten die al lang in Nederland zijn, worden ingeschakeld’, aldus Lensink.

 

Ook de roep vanuit de FSAN, vindt tot dusverre in Den Haag geen gehoor. ‘Waarschijnlijk is het geen onwil, maar staat het bureaucratische systeem in de weg. Steeds is de Somalische gemeenschap bij de hand genomen, en werd van bovenaf gezegd: we gaan dit voor jullie regelen. Elke keer kwam er een aanpak vanuit organisaties zoals de GGD en de GGZ die eenvoudigweg niet weten wat er werkelijk gaande is. Ze bereiken de doelgroep niet’. De FSAN pleit voor een aanpak, waarbij Somalische organisaties worden ingezet. Maar minister Donner heeft onlangs, in lijn met het regeerakkoord, opnieuw laten weten dat hij specifiek beleid niet langer wenselijk vindt. Mohamed Elmi: ‘Wij vragen ons af: hoe denkt hij de problemen dan wél op te lossen? Kom maar eens met een alternatief.’

 

Ook de VON (Vluchtelingenorganisaties Nederland) pleit in een recente brief aan Donner over het SCP-rapport voor ‘specifiek beleid voor Somalische vluchtelingen in het algemeen en voor nieuwkomers in het bijzonder’. Volgens de brief, die mede is opgesteld door de FSAN, is het ‘inmiddels helder dat het tot nu toe gevoerde lokale en landelijke beleid niet het gewenste resultaat oplevert’. Maar, waarschuwt ook de VON, ‘we hebben niet de luxe af te wachten wat er gaat gebeuren binnen deze groepen. Het is 5 voor 12! Het is in ons aller belang om nu eindelijk actie te ondernemen’.  

 


 

Het onderzoek

 

Het onderzoek is uitgevoerd door het SCP op verzoek van het ministerie van Binnenlandse Zaken, directoraat Wonen, Wijken en Integratie.

In 2009 is daartoe de Survey Integratie Nieuwe Groepen (SING ’09) uitgevoerd. Binnen elke groep zijn zo’n duizend gesprekken gevoerd, deels door tweetalige interviewers. Alleen personen van 15 jaar en ouder zijn bevraagd. Daarnaast zijn CBS-gegevens en wetenschappelijke studies gebruikt.

In 2006 werd eerder een soortgelijke studie gedaan onder Turken, Marokkanen, Antillianen en Surinamers: de Survey Integratie Minderheden (SIM ’06).

 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.