of 60220 LinkedIn

‘We zijn te veel centraal blijven doen’

Provincies zijn uitstekend in staat om de ruimtelijke ordening van Nederland te bewaken, vindt minister Schultz van Infrastructuur. ‘Waarom zou het Rijk moeten beslissen over de aanleg van een golfbaan in het Groene Hart?’

Vertrouwen. Dat is volgens minister Melanie Schultz van Haegen (Infrastructuur en Milieu, VVD) van groot belang bij de door het kabinet aangekondigde decentralisatie van de ruimtelijke ordening. De vrees voor dichtslibbing van het landschap is volgens haar ongegrond.

‘Wantrouwen is nergens voor nodig. Provincies zullen echt niet toestaan dat de open ruimte zomaar wordt volgebouwd. En steden hebben er alle belang bij om te blijven verdichten, om hun voorzieningenniveau en bijvoorbeeld hun openbaarvervoernetwerk op peil te houden’, zegt de minister in een gesprek met Binnenlands Bestuur.

In reactie op recente publicaties in dit blad, benadrukt Schultz dat het Rijk de afgelopen jaren te weinig afstand heeft genomen. Zij wijst op de sturingsfilosofie in de uit april 2004 stammende Nota Ruimte: decentraal wat kan, centraal wat moet. ‘We zijn te veel dingen centraal blijven doen, terwijl dat helemaal niet nodig was. Als je ziet wat er allemaal is dichtgeregeld… Nu kiezen we voor een voortzetting van de eerder ingeslagen weg. Maar we zeggen wel: het roer moet nu ook echt om’, aldus Schultz. De minister stelt dat ‘steeds meer diversiteit’ ontstaat. ‘Je hebt regio’s waar je groei moet accommoderen, gebieden waar je met stagnatie te maken hebt, en regio’s die voor de taak staan om bevolkingskrimp in goede banen te leiden. Al die regio’s hebben een eigen aanpak nodig. Daar kan je geen standaard beleid op loslaten. Daarom moeten wij dat niet vanuit Den Haag willen aansturen.’

Minimale rijksbemoeienis

Ook grotere internationale opgaven vereisen volgens Schultz regionale oplossingen. Ze noemt als voorbeelden de klimaatverandering, de hiermee samenhangende zeespiegelstijging en de waterafvoer via de rivieren. Waar de ene regio noodgedwongen het accent legt op het intomen van het wassende water, dient een ander gebied vooral in te spelen op de gevolgen van voorspelde droogteperiodes. ‘Waar kan je dat nu beter doen dan op lokaal en provinciaal niveau?’, vraagt de minister zich af. Rijksbemoeienis moet tot het noodzakelijke minimum worden teruggebracht, vindt Schultz. Naar eigen zeggen moet zij nog geregeld terugdenken aan een gebeurtenis ongeveer 10 jaar geleden, in de periode dat zij wethouder economische zaken was in Leiden. ‘Ik kan me nog levendig herinneren dat toenmalig minister Pronk op bezoek kwam. Hij kwam kijken of een in de Oostvlietpolder gepland bedrijventerrein niet te dicht bij een aantal volkstuinen kwam te liggen. Ik heb me er toen zó enorm over verbaasd dat een minister zich bezighield met een halve vierkante kilometer bedrijventerrein.’  

Het bedrijventerrein is er nooit gekomen, hoewel er inmiddels wel een bestemmingsplan ligt dat dit mogelijk maakt. De reden dat Pronk destijds poolshoogte kwam nemen, was dat de Oostvlietpolder deel uitmaakte van de rijksbufferzone Den Haag- Leiden-Zoetermeer. Het huidige kabinet wil de provincies verantwoordelijk maken voor zowel rijksbufferzones als nationale landschappen.

Schultz: ‘In Groningen ligt het nationaal landschap Middag-Humsterland. Waarom zou het Rijk moeten beslissen of en op welke plek daar woningbouw mag komen? Hetzelfde geldt voor de vraag of er een golfbaan kan worden aangelegd in het Groene Hart. Dat soort afwegingen kan beter op regionaal niveau worden gemaakt. Daar hoeft de rijksoverheid zich niet mee te bemoeien. Je moet de verantwoordelijkheid daar leggen waar hij moet liggen. De meest kwetsbare gebieden zijn bovendien beschermd doordat ze behoren tot de Ecologische Hoofdstructuur, Natura 2000-gebied zijn, of omdat de Kaderrichtlijn Water van toepassing is. Het enige wat wij in feite doen, is er een laag tussenuit halen.’

Natuur

De minister vindt dat er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen dat provincies minder goed voor de natuur zullen zorgen dan het Rijk. ‘Groen is van belang voor het vestigingsklimaat in een provincie, en voor de inwoners. Dat besef is er bij de decentrale overheden heel goed. Dus die bescherming gebeurt van onderop. Maar het punt is dat je nu vaak helemaal niks mag in die nationale landschappen. Terwijl er best gedeeltes zijn te vinden waar het helemaal niet erg is als je daar een bepaalde ontwikkeling in gang zou zetten. En nogmaals: de bijzondere delen zijn toch wel beschermd.’

Wat niet wil zeggen dat er helemaal geen nationale belangen meer zijn, benadrukt Schultz. Wat het kabinet nog wel tot rijksbelang rekent, zal blijken uit de binnenkort te publiceren Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, die in de plaats komt van de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit. Schultz zegt dat ‘de transitie naar duurzame energie’ sowieso als nationaal belang wordt aangemerkt. ‘Buisleidingen, de vormgeving van energienetwerken, en de ruimtelijke inpassing van windmolenparken van 100 megawatt of meer; dat moet je nationaal doen.’ Waarbij decentrale overheden wel een stem hebben. ‘Met provinciebesturen zijn we in overleg om de beste locaties te kunnen bepalen.’

Ook enkele verstedelijkingsopgaven en de landelijke hoofdinfrastructuur behouden hun status van nationaal belang. Bij de steden gaat het om in elk geval de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad, en om de regio Eindhoven/Venlo. Ook andere regio’s met economische topsectoren kunnen rekenen op ondersteuning. Als het gaat om infrastructuur, wil het kabinet vooral in de bereikbaarheid van deze gebieden investeren. Het economisch vestigingsklimaat van de bedoelde regio’s geldt daarbij als nationaal belang.

SER-ladder

Het consequent toepassen van de zogeheten SER-ladder moet volgens Schultz voorkomen dat op grote schaal woning- en/of bedrijfslocaties worden ontwikkeld op maagdelijke grond, terwijl er binnen de bebouwde kom nog voldoende mogelijkheden zijn. De SER-ladder, ooit bedacht door de Sociaal-Economische Raad, is een instrument waarbij overheden worden verplicht om eerst de mogelijkheden binnen bestaand bebouwd gebied te bekijken. Pas daarna mag worden gekozen voor bouwlocaties buiten stads- of dorpsgrenzen.

Schultz kondigt aan dat het Rijk zal controleren of regio’s de SER-ladder daadwerkelijk toepassen. ‘Het is heel belangrijk dat het binnenstedelijk bouwen wordt doorgezet’, vindt de minister. ‘We willen niet dat open ruimte onnodig wordt verspild. Maar vergeet niet dat steden zelf ook heel nadrukkelijk bezig zijn met dat proces. Ik was deze week op werkbezoek in Eindhoven. Daar hebben ze nog genoeg ruimte buiten de stadsgrenzen, maar ze zijn heel bewust bezig met die verstedelijking om de voorzieningen op peil te houden, en om hoogwaardig openbaar vervoer te kunnen realiseren of in stand te houden.’

Vertrouwen

De suggestie dat provincies en gemeenten het belang van bescherming van de open ruimte soms onvoldoende inzien, is volgens Schultz nergens op gestoeld. De minister doet een oproep: ‘Laten we als overheden nu eens vertrouwen hebben in elkaar. De gedachte dat het pas goed komt als het Rijk zich ermee bemoeit, is ingegeven door een soort wantrouwen. Ik ga uit van vertrouwen, en bied daarom graag meer afwegingsruimte aan de decentrale overheden. Zij kunnen sneller en beter inspelen op ontwikkelingen die zich voordoen; laten we dat goed voor ogen houden.’

Een stadsbestuur zal volgens Schultz doorgaans niet kiezen voor hoogbouw aan de rand van de stad, of voor laagbouw in het groen in de binnenstad. En als er in strijd wordt gehandeld met uitgangspunten die in provinciale verordeningen zijn vastgelegd, is er altijd nog de provincie om in te grijpen, benadrukt de minister. ‘Vergeet niet dat provincies heel erg bezig zijn met leefbaarheid en met de kwaliteit van de leefomgeving.’

Tegelijkertijd beklemtoont Schultz dat het toezicht kan worden verminderd. Ze wil af van ‘het circus’ waarbij overheden elkaar voortdurend controleren. ‘Ik wil proberen processen te vereenvoudigen en lagen er tussenuit te halen. De bestuurlijke drukte mag wel wat minder.’

De minister zegt niet bevreesd te zijn dat provincies mogelijk onvoldoende zijn berekend op hun nieuwe taken. Ook daarbij vraagt zij weer om vertrouwen. ‘Wie zijn wij, om te zeggen dat de provincies dit niet zouden kunnen? Ruimtelijke ordening is al heel lang een van de belangrijkste taken van de provincies. Provincies zijn op dit gebied uitstekend geëquipeerd. De ruimtelijke ordening is bij hen in goede handen.’

Provincies die de regie te veel naar zich toe willen trekken en gemeenten onvoldoende ruimte laten, komen zichzelf vroeg of laat tegen, denkt Schultz. ‘We zijn bezig met een cultuuromslag. We moeten omschakelen naar de modus dat we ontwikkelingen mogelijk willen maken, in plaats van onmogelijk. Als je daarin niet meegaat, krijg je onherroepelijk te maken met maatschappelijke weerstand.’

Met bezuinigen heeft dit alles volgens Schultz niets van doen. ‘Het gaat over sturingsprincipes. Het gaat erom dat we decentrale overheden de ruimte willen geven. We willen vertrouwen uitstralen, in plaats van dat we alles vastleggen in allerlei spelregels. Ik denk dat dit ons uiteindelijk heel veel gaat opleveren 

Het gesprek met de minister werd gehouden naar aanleiding van een tweeluik over de opheffing van het ministerie van VROM. Deze artikelen zijn na te lezen op
www.binnenlandsbestuur. nl/VROM1 en www.binnenlandsbestuur. nl/VROM2  

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.