of 60264 LinkedIn

'Onze' belastingen op Duitse leest

Reageer

Tijdens de Duitse bezetting werd het Nederlandse belastingstelsel in recordtempo grondig hervormd. Vrijwel geen belasting bleef hetzelfde. De ambtenaren die deze hervormingen uitwerkten, wilden al lang voor de oorlog het achterhaalde Nederlandse belastingbeleid moderniseren. In de oorlog kregen zij de kans om die ambities waar te maken.

door Jan Julia Zurné *

Ambtenaar in oorlogstijd
De serie ‘Ambtenaar in oorlogstijd’ laat zien dat de Duitse bezetting kansen bood aan Nederlandse ambtenaren om beleidsterreinen naar hun hand te zetten. Deel 3: het belastingstelsel.

Hervormingen onder bezetting overleefden de oorlog

Het Nederlandse belastingstelsel was in de jaren dertig behoorlijk gedateerd. Aan het begin van de twintigste eeuw had de regering een aantal hervormingen doorgevoerd, waaronder de invoering van de inkomstenbelasting. De inspiratie hiervoor kwam uit het Duitse Keizerrijk, dat een voortrekkersrol speelde in het ontwikkelen van een modern inkomstenbelastingsysteem. In de daaropvolgende jaren veranderde de samenleving echter sneller dan de hervormingen konden bijbenen. De rol van de overheid nam toe en de overheidsuitgaven daarmee ook. De belastingdruk was laag, zowel op inkomens als op vermogen, terwijl de staat, zeker na de economische crisis, wel wat extra inkomsten kon gebruiken. Daarom voerde de regering een omzetbelasting in en werden er plannen gemaakt voor een winstbelasting voor vennootschappen.

Toch was dit niet voldoende om het belastingstelsel up-to-date te maken. Dat besefte ook de regering, die in 1938 een commissie in het leven riep om te onderzoeken hoe het huidige systeem kon worden hervormd. Die commissie bestond uit hoge belastingambtenaren en belastingdeskundigen en werd geleid door Christiaan Bodenhausen. Bodenhausen was minister van Financiën onder het zeer kortstondige kabinet Colijn-V. De conclusie van de commissie was onder andere een voorstel om winst- en loonbelastingen met vaste tarieven te hanteren. Leden van de commissie werkten hiervoor een stelsel uit.

Van de belastingambities bij bestuurders en ambtenaren uit de commissie-Bodenhausen kwam niets terecht. De Tweede Kamer stuurde het Kabinet Colijn-V in de zomer van 1939 al twee dagen na beëdiging naar huis. Colijns opvolger De Geer vond het niet het juiste moment om zulke grote hervormingen door te voeren. Ook kwamen er bezwaren van de werkgeversorganisaties, die vreesden dat een winstbelasting voor vennootschappen nadelig zou zijn voor het bedrijfsleven. Er moest kortom nog heel wat gepolderd worden voordat er sprake kon zijn van structurele belastinghervormingen. Maar toen viel op 10 mei 1940 het Duitse leger Nederland binnen…

Uitbuiting van joden
Na de capitulatie richtten de Duitse autoriteiten in Nederland een burgerlijk bezettingsbestuur in. Dit bestuur stond onder leiding van Reichskommissar Arthur Seyss-Inquart en werkte samen met de ambtenaren uit de bestaande Nederlandse bestuursstructuur. Reichskommissar für Finanz und Wirtschaft Hans Fischböck en Leiter der Hauptabteilung Finanzen Rudolf Rinkefeil hielden toezicht op de economie en financiën en waren als zodanig de gesprekspartners van de belastingdienst bij het bezettingsbestuur.

Bij het Nederlandse ministerie van Financien veranderde er weinig aan de organisatie, behalve dat de minister, net als de rest van de regering, naar Londen was gevlucht. De leiding van het ministerie lag dus voortaan bij de secretaris-generaal. Formeel was dat tijdens het eerste bezettingsjaar de ervaren Leo Trip. Wat de Belastingdienst betreft speelde raadsadviseur Hendrik Postma, die eerder in de commissie- Bodenhausen had gezeten, de facto een leidende rol. Dit werd in 1941 formeel bevestigd met Postma’s benoeming, tegen zijn zin, tot waarnemend secretaris-generaal met betrekking tot belastingzaken.

De Duitse autoriteiten waren zeer geïnteresseerd in een verhoging van de belastingopbrengst uit Nederland, omdat de bezettingskosten op de begroting van het bezette land werden verhaald. Daarnaast vergemakkelijkten verregaande belastinghervormingen de introductie van nationaalsocialistische ideologische principes in het belastingsysteem, zoals de uitbuiting en uitsluiting van Joden. De Duitsers vonden het Nederlandse belastingstelsel sowieso hopelijk ouderwets en inefficiënt.

Dat vonden veel Nederlandse belastingambtenaren ook, getuige de hervormingsvoorstellen van commissie-Bodenhausen eind jaren dertig. Door de afwezigheid van het parlement kregen zij nu de kans om het belastingstelsel vlot en grondig te moderniseren. Aanvankelijk waren de Nederlandse ambtenaren, waaronder secretaris-generaal Trip en raadadviseur Postma, nog wat te terughoudend naar de smaak van hun Duitse gesprekspartners. Daarom speelden die laatsten het tactisch: door extra hoog in te zetten en bij wijze van dreigement enkele NSB’ers bij het gesprek te betrekken, konden ze de Nederlandse ambtenaren masseren tot instemming met verregaande hervormingen naar Duits voorbeeld.

Goede verstandhouding
De goede verstandhouding tussen de Nederlandse ambtenaar Postma en de Duitse Leiter der Hauptabteilung Finanzen Rinkefeil speelde hierbij ook een rol. Beide mannen waren technocratische belasting experts met een lange staat van dienst binnen hun vakgebied. De nationaalsocialistische ideologie verdween daardoor op de achtergrond, hoewel de toegenomen efficiëntie en slagkracht van het belastingstelsel natuurlijk ten gunste kwamen aan de Duitse uitbuiting van bezet Nederland.

De hervormingen begonnen met de invoering van de winstbelasting, waartoe in 1939 al het initiatief was genomen. Omdat de wetgeving voor deze hervorming in feite al klaar lag, kon het besluit binnen drie maanden na de Duitse inval al worden ingevoerd. In rap tempo werden vervolgens bijna alle vormen van belasting grondig gewijzigd. Binnen twee jaar was vrijwel het gehele systeem aangepast: er werden nieuwe loon-, omzet-, vennootschaps-, dividend-, ondernemings- en vermogensbelastingen ingevoerd; de inkomstenbelasting werd hervormd; de belastingdruk werd aanzienlijk verhoogd; en de rijwielbelasting werd afgeschaft.

Nederlandse ambtenaren werkten de nieuwe wetgeving uit en stelden de besluiten op. Daarbij baseerden ze zich op Nederlandse plannen en ideeën uit de jaren dertig en haalden ze inspiratie uit het in die tijd vooruitstrevende Duitse belastingrecht. Dat deze hervormingen de bezettingsmacht en dienst oorlogsvoering ten goede kwamen, was voor de ambtenaren geen reden om de door hen gewenste modernisering te vertragen of uit te stellen.

Zij werden vooral gedreven door hun enthousiasme voor een efficiënter, consequenter en rendabeler systeem, waarvan in hun ogen de Nederlandse staat en bevolking profiteerden. Hun prioriteit was, zoals waarnemend secretaris-generaal voor belastingzaken Postma het na de bevrijding heel wat bescheidener formuleerde, ervoor te zorgen dat de Belastingdienst ‘zo goed mogelijk door de oorlog heen kwam’. Dat betekende in zijn ogen niet dat zo veel mogelijk bij het oude moest blijven. De ambtenaren bij de belastingdienst grepen tijdens de bezetting hun kans om het verouderde systeem te moderniseren.

Oostfront
Maar ze gingen niet in alle opzichten mee in de wensen van de Duitsers: bij enkele antisemitische fiscale maatregelen en de miljoenenbijdragen aan de strijd aan het Oostfront lagen de Nederlandse ambtenaren dwars. Ook probeerde Postma te verhinderen dat medewerkers van de Belastingdienst in het kader van de arbeidsinzet naar Duitsland moesten. Deze relatief kleine strubbelingen konden niet beletten dat de bezettingsmacht over het algemeen heel tevreden was over de hervorming van het Nederlandse belastingstelsel en de samenwerking met de Nederlandse ambtenaren. In bezet Nederland werkten de belastingambtenaren vlijtig aan allerlei nieuwe belastingmaatregelen, maar hoe zat het met de regering in ballingschap?

In Londen waren diverse Nederlandse ministers van Financiën actief, die experimenteerden met nieuwe belastingen voor burgers en bedrijven die zich buiten het bezette gebied hadden gevestigd, maar veel stelde dat niet voor. Hoewel de regering in ballingschap wel op de hoogte werd gesteld van de belastinghervormingen in Nederland, was er weinig contact met de ambtenaren in bezet gebied.

Na de bevrijding had de teruggekeerde regering op financieel vlak andere prioriteiten dan het direct evalueren of terugdraaien van de belastinghervormingen. Er was immers tijdens de bezetting heel wat zwart geld in omloop geraakt. Door de toename van de geldhoeveelheid en de afname van goederen dreigde bovendien enorme inflatie. Minister Lieftinck zette daarom in de zomer van 1945 een grootschalige geldzuivering in gang. Al het papiergeld werd uit de omloop genomen en vervangen voor nieuwe biljetten. De belastingambtenaren hadden hun handen vol aan het in goede banen leiden van deze grootschalige operatie.

Zoals bij alle ministeries drong ook bij Financiën de vraag om zuivering van ‘foute’ personeelsleden zich op. Postma, die tijdens de bezetting de functie van secretaris-generaal op belastingvlak had waargenomen, moest voor een zuiveringscommissie verschijnen. Hij moest zich verantwoorden voor het accepteren van deze functie en zijn personeelsbeleid. De zuiveringscommissie oordeelde uiteindelijk dat Postma soms opportunistisch had gehandeld, maar dat er geen redenen waren hem uit zijn functie bij de Belastingdienst te ontzetten. Het feit dat het hele Nederlandse belastingsysteem tij dens de bezetting was hervormd naar Duits voorbeeld, vormde voor de zuiveringscommissie blijkbaar geen issue.

Nederlandse belangen
Begin jaren vijftig werd Postma nog eens over het oorlogsverleden gehoord door de Parlementaire Enquêtecommissie regeringsbeleid 1940-1945. De commissieleden vroegen hem naar de ingrijpende belastinghervormingen en of die wel legitiem tot stand waren gekomen zonder parlementaire toetsing. Postma benadrukte dat hij steeds had gehandeld in lijn met de Nederlandse belangen en ervoor had gewaakt dat er geen ‘typisch Duitse’ problemen in de nieuwe belastingmaatregelen zaten.

Ten opzichte van de Duitse machthebbers ‘speelden’ de belastingambtenaren ‘hun spel’. Postma bedoelde daarmee dat de ambtenaren zich constructief opstelden als de Nederlandse en Duitse belangen in hun ogen samenvielen, maar de boel traineerden als het ging om maatregelen die uitsluitend in het Duitse belang waren.

In de jaren na de bevrijding werd onderzocht wat er diende te gebeuren met het ingrijpend veranderde belastingsysteem. Minister Lieftinck vreesde namelijk voor problemen als in grote haast opnieuw het hele systeem zou worden omgegooid.

Op korte termijn bleven tijdens de bezetting ingevoerde belastinghervormingen grotendeels gehandhaafd, met uitzondering van evident achterhaalde zaken, bijvoorbeeld op het vlak van invoerrechten tussen Nederland en Duitsland. In de tweede helft van de jaren veertig werden er nog wel correcties en aanpassingen doorgevoerd, maar in grote lijnen bleef het systeem zoals het tijdens de bezetting was ontstaan.

* Jan Julia Zurné is universitair docent aan de Radboud Universiteit Nijmegen

Verstuur dit artikel naar Google+

Gerelateerde artikelen

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.