of 64120 LinkedIn

Nieuwe wegen in benaming straten

© Shutterstock
© Shutterstock
Reageer

Nogal eens is er kritiek op de ambtenaren die de straatnamen moeten verzinnen. De namen zouden saai zijn, zonder verband met de situatie en onuitspreekbaar. Al decennia spelen kwesties over straatnamen en een inclusieve samenleving. Meer en meer zijn er discussies over straatnamen, vooral waar deze naar personen zijn vernoemd. De oplossing moet volgens Gerard Otten vooral worden gezocht in de richting van de naamkunde.

Essay door Gerard Otten

Plaatsnamen en straatnamen ontstaan als vanzelf in de volksmond. ‘Vanouds heeft de mens de behoefte gehad om de dingen uit zijn leefwereld een naam te geven. Naamgeving is niets anders dan de talige uitdrukking van het menselijke vermogen om over zichzelf en de wereld na te denken en van de behoefte om de kennis van het buitentalige te ordenen rond oriëntatiepunten’, aldus professor Magda Devos, hoogleraar Nederlandse Taalkunde aan de universiteit van Gent.

Eerst ontstaan namen van woonplaatsen en gehuchten (soms al in de Keltische en Romeinse tijd) en daarna, in de middeleeuwen, de straatnamen. Niet alleen woonplaatsen en straten kunnen namen hebben, maar ook andere oriëntatiepunten. Namen bestaan meestal uit een of twee woorden. De naam is vervolgens versteend, louter tot aanduiding geworden. Devos zegt dat namen, vanuit de naamkunde bezien, ‘ betekenisloos’ zijn. Uit de naam kunnen we niet concluderen wat de huidige eigenschappen van die plaats zijn.

Als mensen namen bedenken, gaan ze daarbij niet willekeurig te werk. Ze laten zich inspireren door een eigenschap, het benoemingsmotief. De naam is ontleend aan een natuurlijk landschapselement of herinnert aan de agrarische ontstaansperiode. De straat heeft een bepaalde vorm, is oud of nieuw of heeft een specifieke ligging. Hij ontleent zijn naam aan een bepaaldgebouw, een huisnaam, een economische activiteit of aan een belangrijke bewoner of grondeigenaar. De straat kan in de richting van een naburig dorp leiden of een wat verder weg gelegen stad.

Soms hebben namen een lange weg achter de rug van veranderingen. In de Nederlandse woordvorming is duidelijk het streven naar samenstellingen die uit niet meer dan twee woorden bestaan. De oorspronkelijke naam kan afslijten of de oorspronkelijke woorden waaruit de naam is ontstaan zijn niet meer herkenbaar. Het woordaccent kan verschuiven. De naam kan ook worden verkort. Vaak proberen taalgebruikers een ondoorzichtige straatnaam weer zinvol te maken door hem aan te passen aan een bekend woord, de zogenaamde volksetymologie. Naamkundigen vinden het niet raar als plaatsnamen en straatnamen veranderen. Daarbij kan ook dubbelnamigheid optreden, het verschijnsel dat één object twee of meer namen heeft.

Franse revolutie
Na een lang en sluipend proces heeft de overheid de straatnaamgeving naar zich toegetrokken. Romeinse keizers, pausen en Europese koningen laten pleinen en straten naar zich noemen. In de middeleeuwen komt het uitzonderlijk wel voor dat een nieuwe wijk wordt aangelegd met meerdere straten en dat het stadsbestuur daar namen voor vaststelt. In de Amsterdamse Gouden Eeuw krijgen de nieuwe grachten en de straten in de Jordaan namen van het stadsbestuur.

De grote stoot tot naamgeving door de overheid is echter gegeven door de Franse Revolutie van 1789. Straten in Frankrijk en in het huidige België worden genoemd naar revolutionaire waarden en naar verdienstelijke personen. Tegelijkertijd ook gaat de overheid meer administratie voeren en heeft deze behoefte aan adressen: huisnummers en straatnamen.

In het midden van de 19e eeuw gaan de steden enorm groeien en moeten er grote aantallen straatnamen worden gegeven. Aanvankelijk volgt de overheid de lijnen zoals deze in de volksmond zijn uitgezet. Straten worden genoemd naar de functie, de ligging of een object.

Al snel gaan de bestuurders straten noemen naar ‘belangrijke mannen’, nationale helden, schilders, schrijvers en dichters. De bevolking moet worden opgevoed in nationale samenhorigheid. De geschiedenis wordt uiterst eenzijdig geïnterpreteerd. De helden uit de Tachtigjarige Oorlog en daarna moeten de nationale zelfstandigheid tegenover de buurlanden bevestigen. Soms vormen stedenbouwkundige elementen, bijzondere gebouwen, herinneringsmonumenten en straatnamen hele symbolische landschappen. Vrouwen worden in de 19e eeuw geweerd uit het openbare leven en komen nauwelijks op de straatnaamborden terecht.

Koloniale eeuw
De negentiende eeuw is de koloniale eeuw. ‘Zeehelden’, de bouwers van het imperium in het huidige Indonesië en de Boerengeneraals in Zuid-Afrika worden herinnerd met standbeelden en straatnamen; naast straten genoemd naar geografische elementen. De slavenhandel is dan al voorbij en de Nederlandse slavenforten in West-Afrika worden niet vernoemd. In de koloniën op hun beurt worden steden gebouwd met regeringsgebouwen, bankgebouwen en kantoren en met Europese wijken. Opvallende monumenten moeten de aanspraken van het koloniaal gezag legitimeren, begeleid door straatnamen.

Typisch 19e eeuws is de thematische straatnaamgeving. Hele wijken worden genoemd naar vogels, bloemen, bomen of agrarische werktuigen. De overheid kan zo snel grote aantallen straatnamen vaststellen. Het is ook de eeuw van orde, tucht en regelmaat.

De stad krijgt een aangename ordening. Voor de inwoners en bezoekers biedt het een hulpmiddel bij de oriëntatie. Het Algemeen Beschaafd Nederlands wordt naar voren geschoven als enige toegestane variant van het Nederlands, ook in straatnamen. De veranderingen waarmee wij nu worden geconfronteerd beginnen in feite al met het einde van de Tweede Wereldoorlog. In de jaren dertig hebben de nazi’s in Duitsland een symbolisch landschap opgebouwd van monumenten, gebouwen en straatnamen. In 1946 maken de geallieerden hier in één klap een eind aan. Er zijn geen Adolf Hitlerstraten meer. Voor de geschiedenis van de straatnaamgeving is dit, achteraf, een zeer belangrijk besluit. Duitsland moet daarna met de zogeheten Vergangenheitsbewältigung in het reine komen met het nationaalsocialistische verleden.

Vrouwenbuurten
Een aantal tendensen van vóór de oorlog loopt in Nederland nog door, de thematische straatnaamgeving en het noemen van straten naar personen. Dat kent een hoogtepunt vlak vóór en ná de Tweede Wereldoorlog. Waarschijnlijk is er een verband met de autoritairistische maatschappij-opvattingen in de jaren dertig. In de jaren vijftig begint deze mode langzaam af te nemen, de depolitisering. Straatnamen worden nu vaker ontleend aan bijvoorbeeld oude toponiemen, veldnamen.

De ‘technische’ benadering van de straatnaamgeving bereikt zijn hoogtepunt in de jaren zestig met wijken waar alle straatnamen alfabetisch gerangschikt zijn of waar alle huizen met huisnummers van vier of vijf cijfers zijn genummerd per wijk, een kortstondige mode gelukkig.

Tegelijkertijd ontstaan bewegingen die de bestaande straatnaamgeving ter discussie stellen. De Nederlandse koloniën worden zelfstandig. De beweging, gericht tegen de apartheid in Zuid-Afrika wordt steeds sterker. In 1965 bekladden Provo’s het Van Heutzmonument in Amsterdam. Na de moord op Martin Luther King in 1968 worden de eerste parken en straten naar hem genoemd. Er wordt geprotesteerd tegen de talrijke straatnamen ter ere van Zuid-Afrikaanse Boerengeneraals. De feministische golf zwelt aan in 1967. In 1970 wordt in Amsterdam de actiegroep Dolle Mina opgericht. Vrij snel heeft dit ook consequenties voor de straatnaamgeving.

Overal ontstaan ‘vrouwenbuurten’. In het kielzog van de vrouwen eisen ook homo’s en lesbiennes en andere seksuele minderheden hun rechten op. De eisen aangaande de straatnaamgeving verschuiven internationaal van een enkele vrouwenbuurt naar gelijkwaardige aantallen straatnamen.

Black lives matter
Wetenschappers introduceren in 2010 de term ‘kritische toponymie’. Zij bekijken de culturele politiek van naamgeving, hoe mensen streven naar controle over hun omgeving, hoe zij onderhandelen met andere groepen en strijden over de naamgeving als ze deelnemen aan een bredere strijd voor legitimiteit en zichtbaarheid. In het zuiden van de Verenigde Staten is in de loop van de 19e eeuw een symbolisch landschap opgebouwd van standbeelden en straatnamen ter herdenking van de ‘helden’ die tijdens de Burgeroorlog de slavernij verdedigen. De zwarte bevolking wordt duidelijk gemaakt dat zij leeft in een land dat niet het hunne is. Vanaf de jaren tachtig worden deze monumenten kritisch bestudeerd, maar pas na een schietpartij in een Afrikaans-Amerikaanse kerk in 2015 is de maat vol. Black Lives Matter behoeft geen verdere toelichting. Overal worden dit soort monumenten omver getrokken en straatnamen veranderd.

Ook in Nederland worden kritische kanttekeningen geplaatst bij de nationale collectie standbeelden. De openbare ruimte moet worden gedekoloniseerd, klinkt het. Ook de monumenten vertellen hun verhaal van nationalisme, Europese superioriteit en raciale zuiverheid. Deze discussie is intiem verstrengeld met de zogenaamde Zwarte- Pietendiscussie. De slavernij en de rassendiscriminatie vraagt ook hier om een Vergangenheitsbewältigung, onze eigen worsteling om het verleden te verwerken. Het verwijderen van standbeelden is niet het uitwissen van de geschiedenis, maar het corrigeren van het beeld dat de 19e eeuw ervan vormde. Om echt begrip te krijgen van de symboliek en de betekenis van de monumenten en straatnamen moeten ze worden bestudeerd in samenhang met de verdwenen monumenten en straatnamen in de voormalige koloniën. Standbeelden mogen niet worden vernietigd, het zijn bewijsstukken. Maar straatnamen zijn een actueel eerbetoon.

De gewone naamgeving gaat ook door: oude toponiemen, ook nog thematische naamgeving en op bescheiden schaal noemen van straten naar lokale persoonlijkheden. Sommige gemeenten hebben recent op bescheiden schaal straatnaamborden ingevoerd met namen in het Nederlands en die in het ter plaatse gesproken dialect, waardoor er soms sprake is van echte dubbelnamigheid.

De toekomst
Na deze verkenningen slaan we een blik op de toekomst. In welke richting liggen de oplossingen? De problemen zijn voor een groot deel veroorzaakt doordat de overheid de straatnaamgeving aan zich heeft getrokken. Straatnaamgeving mag geen monopolie van de overheid zijn, maar moet breed worden gedragen. Er mag niet worden bezuinigd op inspraak. De naamkunde biedt instrumenten aan om goede namen te verzinnen in de traditie van de straatnaamvorming in de volksmond. Thematische straatnaamgeving is als stoplap in beperkte mate nog wel bruikbaar. Een betere oplossing voor de oriëntatie in grote wijken lijkt kleine buurten te maken, onderscheiden door goed bedachte namen. Ook de stedenbouwers hebben hun verantwoordelijkheid. Zij moeten buurtjes een eigen identiteit geven.

Het grootste probleem dat het overheidsingrijpen heeft veroorzaakt, is het eerbetoon aan personen door middel van straatnamen. Grote aantallen namen zijn gevormd volgens een canon waarvan men nu zegt: ‘Dit is onze geschiedenis niet.’ Allerlei groepen willen dit rechttrekken.

De oplossing die men voorstelt is echter nog meer straten naar personen te noemen, maar dan volgens de huidige inzichten. Het hele systeem van eerbetoon, standbeelden en straten, genoemd naar personen zou ter discussie moeten worden gesteld. Verschillende malen heeft de geschiedenis zich ontwikkeld in een richting die achteraf een doodlopende weg bleek. Met veel moeite, soms ten koste van vernietigende oorlogen, heeft men betere oplossingen gevonden. Het huidige straatnamenbestand zou daarom kritisch moeten worden bekeken. Mensen die verandering willen in de naamgeving zullen hun zaken beter moeten onderbouwen. De koloniale monumenten en straatnamen moeten grondiger worden bestudeerd in hun onderlinge samenhang.

Voor het vormen van nieuwe straatnamen moeten we vooral denken aan talige oplossingen. Straatnamen zijn taal en taal is communicatie. Het hergebruiken van oude toponiemen als straatnaam of als buurtnaam is staand beleid. De naamkunde reikt ons allerlei instrumenten aan om nieuwe namen te vormen. Het benoemingsmotief is belangrijk: een straat genoemd naar een voormalige fabriek ter plekke, een Watertorenstraat of een Oosterhoutse Busbaan (in de richting van Oosterhout). Dialecten kunnen worden gebruikt, misschien zelfs oude talen of de huidige straattaal in de steden.

Verder kunnen we woorden veranderen, afslijten, verkorten, het woordaccent laten verschuiven en volksetymologie toepassen, kortom spelen met taal. Dubbelnamigheid kan een instrument zijn om nieuwe, betere namen te introduceren. Niet alleen straten en buurten, maar ook andere oriëntatiepunten (punten die velen een orientatie zijn, zoals kunstwerken, rotondes en eenzame bomen) kunnen namen hebben, zegt de naamkunde. Straatnamen moeten worden teruggegeven aan de mensen.

Gerard Otten, voormalig stadsarchivaris van de gemeente Breda

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.