of 59925 LinkedIn

Humaner beleid in gevangenis

Reageer

Drukte in de gevangenis maakte in de oorlogsjaren een eind aan het cellulaire stelsel. De totale afzondering van gevangenen was voorbij. Ambtenaren namen de macht over van de voormalige regenten.

door Ralf Futselaar *

Ambtenaar in oorlogstijd
De serie ‘Ambtenaar in oorlogstijd’ laat zien dat de Duitse bezetting kansen bood aan Nederlandse ambtenaren om beleidsterreinen naar hun hand te zetten. Deel 5: gevangenissen

Totale afzondering tijdens oorlog opgeheven


Het idee kwam uit Amerika. Criminelen moesten in volstrekte eenzaamheid worden opgesloten, het liefst flink lang. Zo zouden ze dichter tot God, en uiteindelijk ook tot inkeer kunnen komen. Ze zouden als keurige burgers de gevangenis uitwandelen. De resultaten in de gevangenis van Philadelphia waren geweldig goed geweest, beweerden voorstanders, en de Nederlandse regering ging overstag. Vanaf 1850 werd stapsgewijs het cellulaire stelsel ingevoerd en werden in Nederlandse steden gevangenissen gebouwd om eenzame opsluiting te faciliteren. Die gevangenissen staan er voor het grootste deel trouwens nog steeds, al is het cellulaire stelsel, gelukkig, ter ziele.

De talrijke gevangenissen en huizen van bewaring die op last van het rijk werden neergezet, vervingen de gevangenissen en gevangenisachtige instellingen die vanaf de vroege zeventiende eeuw in Nederlandse steden waren gesticht. In zekere zin waren zij de voltooiing van een proces van centralisatie van het strafrecht dat al in de achttiende eeuw was begonnen. Toch wilde men lokale elites niet helemaal buiten spel zetten.

Celkap
Gevangenissen kregen een bestuur (‘regenten’) dat bestond uit lokale notabelen, vaak geestelijken, hoogleraren en gepensioneerde rechters, die de nieuwe instellingen zouden besturen. Het dagelijks bestuur lag in handen van een rijksambtenaar, de directeur, die hiërarchisch onder het bestuur stond. De regels en het geld kwamen uit Den Haag, maar de toepassing en de uitgaven werden gestuurd door de regenten.

In vergelijking met andere landen werd het cellulaire principe in Nederland tamelijk strikt doorgevoerd. Dat betekende dat gevangenen alleen in een eenpersoonscel moesten zitten, maar ook dat ieder contact tussen gevangenen werd vermeden. Ze werden gemaskerd met een zogenaamde celkap door de gangen gevoerd, om onherkenbaarheid te waarborgen. In de zogenaamde hokjeskerk waren de gevangenen door schotten aan elkaars zicht onttrokken. In principe hadden gevangenen geen enkel contact met elkaar. Dat de gevangenen dit in de praktijk wel enigermate wisten te ondergraven, onder meer door klopsignalen, deed aan het streven naar isolatie niets af.

Decennialang fungeerde het cellulaire stelsel in Nederland. De behaalde resultaten varieerden van slecht tot desastreus. Aan maatschappelijke re-integratie werd niets gedaan en veel gevangenen liepen ernstige psychiatrische schade op door de vaak jarenlange eenzaamheid. Hun kansen in de samenleving na vrijlating waren slecht. Velen waren al snel terug in de gevangenis. Voor vernieuwing was weinig plaats, daartoe ontbrak zowel landelijke politieke wil als plaatselijke flexibiliteit. Het cellulaire stelsel bleef bestaan omdat het er nu eenmaal was. De zichtbare schade voor gedetineerden ten spijt.

Politiek werd het cellulaire stelsel ten grave gedragen door het rapport van de commissie- Fick uit 1947. In dat rapport werd weinig heel gelaten van de veronderstelde merites van eenzame opsluiting. Het instellen van deze commissie en het daaropvolgende afschaffen van het cellulaire stelsel werd lang geweten aan ervaringen tijdens bezettingsperiode. Toen waren leden van de Nederlandse elite voor het eerst zelf opgesloten geweest, bijvoorbeeld als gijzelaar of wegens verzetswerk. Dit zou hen het belang van een menselijker gevangenisregime, en de schadelijkheid van het cellulaire stelsel, hebben doen inzien. De naoorlogse hervormingen waren een positief resultaat van hun negatieve ervaring in bezettingstijd. Voor deze mensen had de cel een catharsis bewerkstelligd.

Hervorming
Het is natuurlijk een prachtig verhaal, maar het is niet waar. Het cellulaire stelsel is niet na, maar tijdens de bezetting gestrand. Dat gebeurde vooral uit noodzaak en niet of nauwelijks door voortschrijdend inzicht. Dat het stelsel niet goed werkte was negentig jaar na de invoering ervan ook wel duidelijk. Het inzicht dat het cellulair stelsel meer kwaad dan goed deed, was ook al veel langer gemeengoed onder de ambtenaren die in het gevangeniswezen werkzaam waren.

Tijdens de bezettingsjaren raakte het gevangeniswezen in een crisis en nam de ambtelijke macht over individuele instellingen sterk toe. Uit nood geboren aanpassingen brachten een, naar zou blijken, definitieve hervorming teweeg.

De crisis in het gevangeniswezen werd primair veroorzaakt door overbevolking. Het aantal gevangenen in Nederlandse gevangenissen nam spectaculair toe en ontsteeg al snel het aantal cellen, waarmee de essentie van het cellulaire stelsel vanzelf onder druk kwam te staan. Eenzame opsluiting is nu eenmaal alleen mogelijk zolang het aantal cellen tenminste even groot is als het aantal gevangenen. Zodra er meer gevangenen zijn dan cellen, is het systeem onhoudbaar. Die situatie bereikte het Nederlandse gevangeniswezen al in 1941.

Dat kwam ten dele door het gebruik dat Duitse instanties maakten van Nederlandse gevangenissen. De Duitse organisaties die gezamenlijk het Duitse gezag in Nederland vertegenwoordigden, waren afhankelijk van Nederlandse gevangenissen voor het opsluiten van gevangen genomen mensen. Het afvoeren van gevangenen naar Duitsland, wat wel een ambitie van Hohere SS und Polizeiführer Rauter was geweest, bleek te stranden op de traagheid van de Duitse bureaucratie. Het opzetten van een eigen infrastructuur bleek duur en omslachtig, al werden kampen gesticht in plaatsen als Schoorl, Amersfoort en (later) Vught. Een deel van de gevangenis in Den Haag, het Oranjehotel, werd gebruikt als Duitse gevangenis en later tijdens de bezetting ook de gevangenis aan het Utrecht se Wolvenplein.

Niet geschikt
Deze instellingen hadden echter veel te weinig capaciteit en waren ook niet erg geschikt voor korte, ad hoc detenties. Er zat in veel gevallen weinig anders op dan gevangenen in Nederlandse gevangenissen en Huizen van Bewaring te plaatsen. Vooral de SD maakt er een gewoonte van mensen onaangekondigd en vaak diep in de nacht bij Nederlandse gevangenissen en Huizen van bewaring af te leveren. Voor deze mensen moest plaats worden gemaakt worden, ook als die er eigenlijk niet was.

Er was nog een belangrijke reden voor de drukte in Nederlandse gevangenissen. Tijdens de bezettingsjaren nam de civiele criminaliteit sterk toe. Diefstal werd aanzienlijk lucratiever door de snel groeiende zwarte- en tweedehands markten. Door schaarste en kwaliteitsverlies waren gebruikte producten vaak evenveel waard als nieuwe en soms aanzienlijk meer.

Wie iets kon bemachtigen, vroeg meestal niet naar de herkomst. Diefstal en heling namen dan ook een hoge vlucht. Door de groei van de civiele criminaliteit nam ook het aantal veroordelingen toe. Dat Seyss Inquart de voorwaardelijke gevangenisstraf had afgeschaft maakte de crisis nog groter. Nederlandse gevangenissen werden steeds voller. De drukte in gevangenissen en huizen van bewaring had onvermijdelijk consequenties voor de manier waarop de cellen werden gebruikt.

Overal werd dubbele bezetting van de instellingen de norm: twee of zelfs drie gevangenen per eenpersoonscel. Justitie verstrekte strozakken en houten krukjes, als bouwpakket (‘met spijkers’) geleverd. De cellen die voor eenpersoonsgebruik waren gebouwd werden meerpersoonscellen, andere ruimtes werden groepsaccommodaties. Directies, bewaarders en gevangenen hadden zich te schikken.

Drastische verandering
Het moet zeker voor de gevangenen een drastische verandering zijn geweest om, soms na jaren eenzaamheid, ineens permanent gezelschap te hebben. Het sanitair bestond uit een ton en het ministerie kon tot zijn spijt geen ‘schaamschot’ leveren. Gevangenen zaten permanent op elkaars lip en in elkaars lucht.

Onder deze omstandigheden had het weinig zin om aan andere cellulaire gewoontes vast te houden. De celkap werd in de loop van 1941 in de koepelgevangenis van Arnhem afgeschaft, omdat de gemaskerde gevangenissen in de verduisterde gevangenissen nogal eens struikelden en van de gietijzeren wenteltrappen vielen. Nu isolatie toch niet meer mogelijk was, werden ook de overige beperkingen snel afgeschaft, werd groepsrecreatie op veel plekken gemeengoed en konden gedetineerden, of ze dat nu leuk vonden of niet, elkaar leren kennen.

De snelheid waarmee het cellulaire stelsel werd afgebroken, en het feit dat na de oorlog niets werd ondernomen om het weer in te voeren, wijst erop dat veel ambtenaren niet erg aan het stelsel gehecht waren. Om vlot van het stelsel af te komen, moest echter nog een potentiële hindernis worden opgeruimd: de colleges van regenten, die in de gevangenissen het laatste woord hadden. De relatie tussen veel directeuren en hun regenten was ronduit slecht. Directeuren ergerden zich aan de hautaine houding van veel regenten en aan hun niet door kennis van zaken gehinderde neiging zich met de gang van zaken te bemoeien. De directeur van het gevangeniswezen tijdens de bezetting, J.S. Korteweg, kon wél goed met de gevangenisdirecteuren overweg.

De directeuren hadden bovendien aan een half woord genoeg. In de notulen van hun vergaderingen in Den Haag is enkel sprake van ‘verkeerd begrepen’ instructies en ‘onduidelijkheden’ die moesten worden ‘verhelderd’, maar in feite werden de regenten binnen enkele maanden buitenspel gezet. In een modern gevangeniswezen was voor bemoeizuchtige amateurs geen plaats en in ’42 en ’43 werden de machtige colleges zonder pardon omgebouwd tot krachteloze adviesraden.

Geschokt
De eerbiedwaardige regenten waren geschokt en al snel richtten meerdere colleges zich met klachten tot Korteweg. Die bleek daar niet gevoelig voor. Met Korteweg, zo schreef een regentencollege uit Leeuwarden aan een college in Rotterdam, ‘viel niets aan te vangen’. Dat klopte. Maar ook toen de bezetting voorbij was keerden de oorspronkelijke machtsverhoudingen niet terug, net zo min als het cellulaire stelsel. Zonder veel ruchtbaarheid was tijdens de bezetting het gevangeniswezen drastisch hervormd. De cellulaire ideologie had afgedaan en het ambtelijk apparaat had de macht naar zich toe getrokken. Er woei, eindelijk, een progressieve wind. Zou het ook zo blijven?

De hervormers in het gevangenis wezen hadden geluk. Expogee, de vereniging van ex-politieke gevangenen verschafte hen, bewust of onbewust, van een ijzeren rechtvaardiging. Vooral voorman en jurist Benno Stomps putte zich uit in het pleiten voor een humane omgang met gevangenen en beriep zich daarbij expliciet op de ervaringen die hij en anderen in Duitse gevangenschap hadden opgedaan. Helemaal eerlijk was dat misschien niet. Stomps was voor de oorlog ook al voorstander van hervormingen en bovendien hadden hij en de zijnen niet of nauwelijks in eenzame cellulaire opsluiting gezeten.

Een leugentje om bestwil, misschien, maar de mythe dat gevangenschap van verzetsmensen aanleiding was geweest om het cellulaire stelsel af te schaffen, heeft nog decennia het beeld van het naoorlogse gevangeniswezen bepaald. In werkelijkheid hebben we de hervorming van ons gevangeniswezen te danken aan een ambtelijke coup en de dramatische overbevolking tijdens de oorlogsjaren.

* Ralf Futselaar is onderzoeker bij het NIOD.

Verstuur dit artikel naar Google+

Gerelateerde artikelen

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.