of 59345 LinkedIn

De ene aow-leeftijd is de andere niet

In de clinch is een rubriek waarin jurist/columnist Michel Knapen actuele zaken in het ambtenarenrecht belicht.

Een ambtenaar van Justitie en Veiligheid komt, na eervol ontslag, een wachtgelduitkering overeen met zijn werkgever. Die loopt tot de AOW-leeftijd. Moet de duur van het wachtgeld worden aangepast, nu de AOW-leeftijd in de tussentijd is verhoogd?

In de clinch is een rubriek waarin jurist/columnist Michel Knapen actuele zaken in het ambtenarenrecht belicht. 

Joris Dalhuis* werkt in een forensisch psychiatrisch centrum, dat valt onder het ministerie van Justitie en Veiligheid. In maart 2005 sluit hij met de minister een ontslagvoorstel: hij wordt per 1 september 2005 eervol ontslagen en krijgt dan een wachtgeldconforme uitkering met een uitkeringspercentage dat is gebaseerd op de Werkloosheidswet (WW) en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector rijk (BBWR). Concreet: hij krijgt van 1 maart 2007 tot 1 december 2017 per maand 70 procent van zijn laatst genoten bezoldiging, tot zijn AOW.

Maar dan wordt het 2012, en de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd treedt in werking. Daarmee wordt de AOW-gerechtigde leeftijd vanaf 2013 in stappen verhoogd tot 67 jaar in 2021. Dat is zuur voor Dalhuis: hij krijgt pas AOW als hij 66 jaar en één maand oud is. Hij verzoekt de minister om de wachtgeldconforme uitkering op te rekken tot aan zijn nieuwe AOW-leeftijd, maar dat wordt afgewezen. Die beschouwt de afspraken met Dalhuis als een vaststellingsovereenkomst, en daaruit blijkt niet dat is beoogd de uitkering aan Dalhuis na het bereiken van de 65-jarige leeftijd te laten doorlopen tot aan de voor hem geldende (gewijzigde) AOW-leeftijd. Dalhuis vindt van wel, en stapt naar de rechter. Hij biedt zelfs aan degenen die destijds bij de onderhandelingen waren betrokken, als getuigen te horen.

De Rechtbank Noord-Nederland verwijst naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Aan een ontslagregeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid. Dit geldt voor het bestuursorgaan én voor de ambtenaar. Dit kan anders zijn als bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat volledige nakoming van de afspraken niet (meer) in redelijkheid kan worden verlangd. Bij de uitleg van een overeenkomst wordt niet uitsluitend gekeken naar de bewoordingen van wat is bepaald, maar ook naar de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en wat zij van elkaar mochten verwachten.

Volgens de rechtbank hadden partijen de intentie om voor wat betreft de hoogte en duur van de uitkering aan te sluiten bij het BBWR. Op het moment dat de overeenkomst werd gesloten, was er geen vooruitzicht op een verhoging van de AOW-leeftijd en stond in het BBWR expliciet de leeftijd van 65 jaar. De intentie van partijen kón toen geen andere zijn van deze leeftijdsgrens uit te gaan. De rechtbank heeft geen aanwijzingen gevonden dat de bedoeling zou zijn geweest aan te sluiten bij een toen nog niet te verwachten wijziging van de AOW-leeftijd, en de minister heeft ook geen andere verwachtingen gewekt. Dat de regels later, naar aanleiding van de wijziging van de AOW-gerechtigde leeftijd, zijn gewijzigd, maakt dit niet anders. Er is dan ook geen aanleiding om de getuigen van Dalhuis te horen.

Ook de rechtbank vindt in zijn uitspraak van 4 juni 2019 dat de latere wijziging van de AOW-leeftijd en daarmee de nieuwe BBWR-regels geen ‘bijzondere omstandigheden’ zijn.

Kortom: de minister heeft terecht beslist dat de wachtgelduitkering van Dalhuis niet hoeft door te lopen totdat deze 66 jaar en één maand is, geheel in lijn met het rechtszekerheidsbeginsel.

* De naam is gefingeerd.
ECLI:NL:RBNNE:2019:2434

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.