of 59561 LinkedIn

‘We wilden behoud van rechten’

Anderhalf jaar is er onderhandeld over normalisering van de Cao Gemeenten. Bert de Haas, hoofdonderhandelaar namens het FNV, spreekt van een moderne, redelijke en evenwichtige cao, waarbij het is gelukt bestaande arbeidsvoorwaarden één op één te laten overgaan. Maar een volledige normalisering is het niet, en dat steekt hem.

Anderhalf jaar is er onderhandeld over normalisering van de Cao Gemeenten. Bert de Haas, hoofdonderhandelaar namens het FNV, spreekt van een moderne, redelijke en evenwichtige cao, waarbij het is gelukt bestaande arbeidsvoorwaarden één op één te laten overgaan. Maar een volledige normalisering is het niet, en dat steekt hem.

FNV-onderhandelaar Bert de Haas over de normalisering

Wat was de insteek van de bonden, toen u in 2017 met de onderhandelingen begon?
‘Onze inzet was: bestaande rechten moeten we behouden. Materieel hoeft er niets te veranderen. De Cao Provincies is het resultaat van onderhandelingen over zowel normalisering als nieuw beleid, dus daar zien we inhoudelijke vernieuwingen en verbeteringen. Daar is het nodige overhoop gehaald, bij gemeenten niet. Daar zijn bestaande rechtspositionele voorwaarden één op één omgezet in de cao, en waar dat niet kan – wegens strijd met het Burgerlijk Wetboek – moest wat anders worden afgesproken. Nieuw beleid is er niet gemaakt, wel redactionele aanpassingen om de tekst te moderniseren. Die was moeilijk leesbaar.’

Als de omzetting één op één is, wat viel er dan nog te onderhandelen?
‘Dat was aan de voorkant moeilijk in te schatten. We wisten niet waar we precies over zouden onderhandelen. Gaandeweg werd het duidelijk. Zoals: het ontslagstelsel zou veranderen met de overgang van bestuursrecht naar privaatrecht. Dat konden we dus niet één op één overnemen. Ontslaggronden zijn uit de cao gehaald, die staan in het Burgerlijk Wetboek. Daarover bestond geen discussie en daarover is niet onderhandeld.’

Waarover is wel gesproken?
‘Wat doen we met het lokaal overleg? Wat doen we met geschillen, nu bezwaar en beroep weggevallen? Hoe gaan we om met disciplinaire straffen en plichtsverzuim? Hoe gaan we de transitievergoeding inpassen, die de ambtelijke wereld niet kent? Tot slot: de werkgeversbijdrage.’

Het lokaal overleg was direct een lastige.
‘Kun je wel zeggen. Sinds 1994 is wettelijk vastgelegd dat er een overleg nodig is tussen bestuur en bonden, de Commissie voor Georganiseerd Overleg. Vanaf 2020 stelt het bestuur van een gemeente niet langer de rechtspositie vast, er is immers een landelijke cao. Maar deze cao kent veel lokale ruimte, zoals de vaststelling van de reiskostenregeling woon-werkverkeer. Dat wordt lokaal bepaald.’

Daarover kan met de ondernemingsraad worden overlegd.
‘Dat vond de VNG, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, ook. Maar het zijn arbeidsvoorwaardelijke zaken. Daar heb je de vakbond voor. Dit was een lastig punt in de onderhandelingen. Ons standpunt was: er komt geen cao als er geen lokaal overleg met de bonden komt. Dat was een breekpunt. Uiteindelijk moest de VNG inbinden. Dat leverde in de achterban veel kritiek op maar we hebben elkaar toch kunnen vinden in een compromis. We leggen in de cao uitgangspunten vast over lokaal overleg maar niet meer zoals voorheen; toen was alles tot in de details gereglementeerd. Nu is vastgelegd dat over negen onderwerpen met de bonden moet worden overlegd. De manier waarop wordt overlegd, bepalen gemeenten en vakbonden lokaal nu zelf.’

Welke onderwerpen zijn dat bijvoorbeeld?
‘De reiskostenregeling woon-werkverkeer, de verblijfskostenregeling, de inconveniëntenregeling, de vaststelling van het sociaal plan en van de conversietabel waarin staat hoe het loongebouw is ingericht. Daar is de VNG schoorvoetend mee akkoord gegaan. Hoewel 26 procent van de gemeenten daar weinig in zag, is toch iedereen er aan gebonden. De meerderheid telt. Het instellen van dit lokale overleg is geen grote operatie, gemeenten kunnen ook kiezen met hetzelfde georganiseerd overleg gewoon verder te gaan. Een pragmatische benadering betekent dat je zoveel mogelijk aansluit bij bestaande structuren.’

Gold dat ook voor de nieuwe geschillenregelingen?
‘Jazeker. De VNG wilde daar in eerste instantie niets over afspreken en geschilbeslechting overlaten aan gemeenten zelf. Wij vonden dat niet verstandig. In 98 procent van de cao’s komt een geschillenregeling voor, in verschillende vormen. Het is niet iets nieuws, je moet er wel een goede vorm voor vinden. Voor werkgevers is het ook niet fijn als ze voor elk geschil naar de rechter moeten. Er moeten advocaten worden ingeschakeld, de verhoudingen staan direct op scherp. Op dat punt hebben we elkaar gevonden. Er komt een voorbeeldregeling voor geschillen in de cao.

Voor geschillen over functiewaardering, vanwerk- naar-werk en over het sociaal plan geldt de verplichting om de weg via de geschillencommissie aan te bieden. Andere onderwerpen mógen naar de geschillencommissie. Die is lokaal, hoewel wij een voorkeur hebben voor een regionale commissie. Dan kun je beter deskundigheid opbouwen. Nu is er al een verplichte geschillencommissie voor vanwerk- naar-werk, die kan worden gebruikt voor andere geschillen, dus ook dit is geen enorme operatie. Belangrijk is dat werknemers nu weten waar ze terecht kunnen met een geschil.’

Ook de disciplinaire straffen moesten opnieuw worden ‘uitgevonden’.
‘Die zijn nu gekoppeld aan plichtsverzuim, maar dat bestaat niet in de genormaliseerde cao. Wat ons betreft, vervallen dan ook de straffen die daaraan verbonden waren. Nu zijn er meerdere maatregelen, het BW kent er drie: berisping, uitblijven van salarisverhoging en schorsen zonder loondoorbetaling. De praktijk zal leren of dit voldoende is. We kunnen in de toekomst altijd bekijken of het wenselijk is dat tussen de ene en andere sanctie een nieuwe wordt geschoven, dat kan bij cao. Of dat het voorwaardelijk ontslag wordt ingevoerd. Het BW kent dat niet maar bestaat nu wel in de ambtelijke wereld.’

De transitievergoeding is iets geheel nieuws voor ambtenaren.
‘De wens om dit te bespreken komt van de werkgevers. Het is een wettelijke verplichting maar in de cao staan ook maatregelen om de gevolgen van ontslag op te vangen. Denk aan de wettelijke WW, de bovenwettelijke WW en de nawettelijke aanvullende WW – die staan in de cao. Werkgevers zeiden: dit is voor ons dubbelop, het is onredelijk als we dat allemaal moeten betalen. Dat begrepen wij wel. We wilden dubbelingen voorkomen maar met als ondergrens dat het niet ten koste mag gaan van de huidige rechten van werknemers. Daar is nu een werkgroep mee bezig, die gaat dat invullen. Daarmee is de afspraak over de transitievergoeding een onderdeel van de cao-onderhandelingen 2019.’

Met ongewis resultaat.
‘Nee, daar gaan we uitkomen. Er komt waarschijnlijk een keuzemogelijkheid voor werknemers: of kiezen voor de huidige regeling zoals die in de cao staat, of een gedeeltelijk vanwerk- naar-werk-traject en daaraan gekoppeld een soort transitievergoeding, in de vorm van een stimuleringspremie. Maar kies je daarvoor, dan heb je geen recht meer op de boven- en nawettelijke WW. Wat er uitkomt, wordt landelijk ingesteld. Dit wordt nog voorgelegd aan de leden.’

Een ontslag op organisatorische gronden verloopt niet via het UWV, zoals in het bedrijfsleven gebruikelijk is.
‘Daarvoor hebben we een cao-ontslagcommissie ingesteld. Daarover is gezamenlijk besloten. Dat sluit beter aan bij de praktijk van gemeenten qua regels over ontslagvolgorde. Die volgorde wijkt af van wat het UWV doet. Heb je dertig jaar gewerkt bij de ene gemeente en dan twee jaar bij een andere, dan kijkt het UWV alleen naar die laatste twee jaar. Een cao-ontslagcommissie kijkt ook naar die dertig jaar daarvoor. Dat maakt nogal wat uit. Anders zou het een te grote inbreuk zijn op de bestaande praktijk, en dat wilden wij niet. Ook de gemeenten waren het daarmee eens.’

Tot slot: de werkgeversbijdrage, een pijnpunt.
‘Klopt, gemeenten zijn daar niet blij mee. Vakbonden hebben namens de werknemers het cao-overleg georganiseerd. Doen vakbonden dat niet, dan zouden werkgevers met alle werknemers afzonderlijk moeten praten over arbeidsvoorwaarden. Omdat vakbonden dat werk wegnemen, is het redelijk dat werkgevers een bijdrage leveren voor de nietleden. In de ambtelijke sector was men daarmee niet bekend. Wij zeiden: als we gaan normaliseren en werken zoals in de marktsector, dan hoort dit er gewoon bij. Het is 22 euro per jaar per werknemer. Heb je vijfhonderd werknemers, dan is dat jaarlijks ruim 10.000 euro. Op een gemeentelijke begroting is dat niet veel. Maar het gaat de gemeenten niet zozeer om het bedrag, wel om het principe. Het is de onwennigheid.’

Wat krijgen ze daarvoor terug?
‘Een goed georganiseerde en gekwalificeerde partij met wie je kan praten. Draagvlak bij alle medewerkers over het beleid. Dat brengt tevreden werknemers, en dus rust.’

Moeten gemeenteambtenaren blij zijn met deze cao?
‘Wat er nu ligt is een heel moderne cao met een frisse tekst. Qua rechten is het gelukt zoveel mogelijk één op één over te gaan. Er zijn goede compromissen gesloten. Ik omschrijf het als redelijk en evenwichtig.’

Zijn ambtenaren er ook op vooruitgegaan?
‘Het was niet de bedoeling nieuw beleid neer te zetten, op de werkgeversbijdrage en de transitievergoeding na. Het is gelukt om over te gaan met behoud van rechten. Dat de cao prettig te lezen is en toegankelijk is ook een winstpunt.’

Was het denkbaar geweest dat het toch anders zou uitpakken?
‘Ja. Er bestond vooraf de vrees dat er zou worden getornd aan de boven- en nawettelijke uitkeringen, omdat die boven de markt uitstijgen. De overheidswerkgevers vonden dat niet markt-conform, want: te royaal. Wij zeiden: het is niet de bedoeling dingen aan te passen, de bedoeling is dit in overeenstemming te brengen met het BW. Gaan werk gevers aan de voorkant proberen bepaalde rechten af te pakken, dan gaan wij ook nieuwe dingen vragen. Zo ver is het niet gekomen.’

Is de normalisering voltooid? Staan ambtenaren nu op gelijke voet met werk nemers in de private sector?
‘De bedoeling was dat werknemers binnen de sector overheid dezelfde positie zouden hebben als binnen een marktpartij. Dat is niet het geval, ook niet met deze genormaliseerde cao. De ambtenaar is nog steeds gebonden aan het ambtelijk statuut en aan het tuchtrecht. Ook heeft hij te maken met het politiek primaat, wat zijn positie inperkt. Daar verandert de normalisering niets aan. Op dit punt staat een overheidswerknemer op achterstand.’

Waar zit die achterstand precies?
‘In zeggenschap. Als in een bedrijf de directie besluit een afdeling te sluiten, dan moet de OR daarover adviseren. Sluit een gemeente een afdeling – als bepaalde werkzaamheden worden afgestoten – dan is dat een politiek besluit dat niet hoeft te worden voorgelegd aan de OR. Zeggenschap van overheidswerknemers is dus niet genormaliseerd. Daarom ben ik blij dat het lokaal overleg overeind blijft, dan is er nog steeds een bond aanwezig die kan opkomen voor de werknemers.’

U heeft dus niet alles binnengehaald.
‘Nee. Als vakbonden vinden we dat dit ook moet worden gelijkgetrokken maar daar weigert de politiek aan mee te werken. Dat was ons streven maar dat hebben we niet weten te realiseren. We wilden: behoud van rechten, voorkomen van bezuinigingen, mogelijkheid van geschilbeslechting en lokaal overleg, én normalisering op het gebied van politiek primaat. Dat laatste hebben we niet binnengehaald door de pertinente en principiële weigering van de politiek om hier iets aan te doen.’


Wnra en CAO gemeenten
Op 1 januari 2020 treedt de Wet normalisering rechtspositie (Wnra) in werking en gaan alle regels voor de arbeidsrelatie van gemeenteambtenaren over van de Ambtenarenwet naar het Burgerlijk Wetboek (BW). In de plaats van de op de Ambtenarenwet gebaseerde CAR-UWO komt een op het BW gebaseerde Cao Gemeenten. Dat betekent dat per 1 januari 2020 de CAR-UWO vervalt en de Cao Gemeenten gaat gelden. Afspraak is dat de materiële rechten en plichten uit de CAR-UWO één-op-één over gaan naar de Cao Gemeenten. Nu onderhandelen de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de vakbonden nog over de inhoud van die nieuwe Cao, en dan met name over loonontwikkeling en harmonisering van de verlofregelingen. Vrijdag 12 april klapte dat overleg.


Organisatiegraad publieke sector
De publieke sector kent een organisatiegraad van zo’n 40 procent (alle bonden samen). Weinig vergeleken met het streekvervoer, het OV, de metaal, de politie en het onderwijs: dat is al snel 80 procent. Bert de Haas is ‘tevreden’ met die 40 procent bij de overheid. ‘Wethouders vragen wel eens aan mij: welk percentage van de werknemers vertegenwoordigen jullie eigenlijk? Ik zeg dan: hoeveel procent van de bevolking heeft op u gestemd? En hoeveel mensen zijn er lid van uw partij? Wij hebben als FNV meer dan een miljoen leden – een partij als de VVD heeft er 40.000.’

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.