of 59345 LinkedIn

Vrouwelijke opmars stokt

Sandra Olsthoorn 1 reactie
Vrouwen op hoge overheidsposten moesten in 1980 nog met een lampje worden gezocht. Dat is tegenwoordig beter, maar er is ook sprake van een kentering. Op sommige plekken groeit het aantal vrouwen bij de overheid al heel lang niet meer.

Hoe staat het met de vertegenwoordiging van vrouwen bij de overheid? Is er veel vooruitgang geboekt sinds 1980? Hoe je de vraag beantwoordt hangt af van het perspectief dat je kiest. Precies 30 jaar geleden trad de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen in werking. Wie de situatie van toen vergelijkt met nu, kan niet anders dan constateren dat we van ver zijn gekomen, heel ver.

 

1980, eigenlijk is het niet zo lang geleden. Het was al 23 jaar ná afschaffing van het verbod voor getrouwde vrouwen om te werken bij de overheid. De tweede feministische golf was al over het hoogtepunt heen. Maar bij de overheid was het met het aantal vrouwen en hun positie bar slecht gesteld. En dat gold zowel voor het aantal vrouwen in overheidsdienst als voor het aantal vrouwelijke bestuurders en volksvertegenwoordigers.

 

In 1980 had Nederland elf vrouwelijke burgemeesters op een totaal van meer dan zevenhonderd. Er was letterlijk een handvol vrouwelijke gemeentesecretarissen (0,5 procent, meldt Binnenlands Bestuur in dat jaar). Tineke Schilthuis was nog de eerste en enige vrouw onder de - toen nog elf - commissarissen van de koningin.

 

Het regerende kabinet, Van Agt III, kende in 1982 één vrouwelijke minister en één vrouwelijke staatssecretaris. Beiden zaten op het departement van Volksgezondheid. Vrouwen werkten wel bij de overheid (28 procent), maar in de hoge functies waren vrouwen bij de overheid nog amper te vinden. Er moesten meer vrouwen bij, dat besef was er in die tijd wel.

 

Mannenbastions

 

Voorrangsbeleid, of ‘positieve actie’ werd gezien als hét middel dat voor een meer evenwichtige afspiegeling kon zorgen. De provincie Zuid-Holland was in 1979 de eerste die bij vacatures voorrang gaf aan vrouwen.

 

De advertenties in Binnenlands Bestuur bieden een goede illustratie. Staat er nu in advertenties hooguit een klein zinnetje ‘Waar hij staat kan ook zij gelezen worden’, in 1980 wordt standaard in elke personeelsadvertentie nadrukkelijk naar zowel mannen als vrouwen gevraagd: ‘Gezocht: medewerk(st)er’.

 

Maar genoeg berichten ook van agenten (in 1980 ging de eerste vrouwelijke surveillant de straat op), van brandweerlieden en andere ambtenaren die helemaal niet op die vrouwelijke col lega’s zitten te wachten. Tegenwoordig kijkt niemand meer raar op van een vrouwelijke agent op straat. En hooguit voor werk op een onderzeeboot kom je er nog mee weg als je zegt dat je liever geen vrouwen in je werkomgeving hebt.

 

Het minister-presidentschap en burgemeesterschap van hoofdstad Amsterdam zijn zo’n beetje de laatste mannenbastions in het openbaar bestuur. Vrouwen werken steeds vaker bij de overheid (42,5 procent van alle rijksambtenaren is vrouw) en de programma’s om meer vrouwen in de top te krijgen werpen langzaam hun vruchten af: een kwart van de topambtenaren is inmiddels vrouw. Ook in kabinetten kunnen vrouwen zich tegenwoordig een stuk beter herkennen dan 30 jaar gelden (met uitzondering dan van Balkenende I, met maar één vrouwelijke minister).

 

Er is veel verbeterd. Maar of de optimisten van de jaren tachtig (we spreken af meer vrouwen aan te nemen en dan komen ze wel) onder de indruk zouden zijn geweest als ze toen al van de huidige cijfers hadden geweten? Vast niet.

 

Maatpakken

 

Het laatste kabinet stelde bij aanvang streefcijfers vast voor 2010. Zo moesten partijen gestimuleerd worden meer vrouwen te kandideren. Het Europees Parlement is het enige gekozen orgaan dat de streefcijfers haalt, nu 44 procent van de Nederlandse afgevaardigden een vrouw is. De provinciale staten halen de 40 procent net niet. In de Eerste en Tweede Kamer zijn de streefcijfers niet gehaald. Er is respectievelijk zelfs sprake van een daling en een stabilisering van het aantal vrouwen (nu 29 en 37 procent).

 

Bij de gemeenteraden wordt het beeld echt slecht. Het aantal vrouwelijke raadsleden schommelt al verkiezingen lang rond een kwart van het totaal. Bij de burgemeesters en wethouders is het ook niet best: lang niet op het gewenste niveau, en al jaren amper omhoog te krijgen, hoeveel inspanningen ook worden verricht. En daar manifesteert zich wel een probleem.

 

De eerste 20 jaar na 1980 was er sprake van vooruitgang, hoe langzaam ook: het aantal vrouwen bij de overheid en in het openbaar bestuur steeg gestaag. De laatste 5 tot 10 jaar staat de ontwikkeling, vooral bij de lokale overheid, bijna stil. Het lijkt of er sprake is van een kritische massa. De vrouwen die er nu zitten, konden instromen zonder dat het al te veel aanpassingen van de dagelijkse praktijk vergde. Om echt tot een evenredige verdeling te komen zal dat mogelijk toch nodig blijken.

 

De cultuur van lange werkdagen, de mannengroepen… Kijk rond op een VNG-congres en verdrink in de grijze maatpakken. Het openbaar bestuur is voor buitenstaanders en vooral veel vrouwen gewoon niet aantrekkelijk. Tegelijk kan de noodzaak van veranderingen door de meerderheid gemakkelijk worden weggewuifd, want hé, er zijn toch vrouwen?!

 

De stem die zegt dat vrouwen blijkbaar gewoon niet willen, wordt in de publieke discussie steeds dominanter. Benieuwd of we bij de 60ste verjaardag van Binnenlands Bestuur en de Wet gelijke behandeling even verbaasd naar onze tijd kijken, als naar die vrouwloze jaren tachtig.

 

Binnenlands Bestuur is een man

 

De kolommen van Binnenlands Bestuur worden voornamelijk bevolkt door mannen. Dat was 30 jaar geleden al zo, en daarin is niet zo heel veel veranderd. Van 2000 tot eind 2007 was Lize Alink hoofdredacteur. Meer vrouwen in BB: dat was voor haar een belangrijk punt.

 

Waarom stonden en staan er zo weinig vrouwen in het blad?
Dat komt natuurlijk doordat er in het bestuur nu eenmaal een oververtegenwoordiging is van oudere, witte mannen. Politiek is in mijn ogen nog te veel een mannenzaak. Debatten zijn vaak opgefokt van toon, haantjesgedrag voert de boventoon. Vrouwen voelen zich daar over het algemeen niet prettig bij. Ik zie het als een belangrijke verklaring voor het feit dat er nog steeds zo weinig vrouwen in de top van het openbaar bestuur zitten. En dat zie je natuurlijk terug in het blad.

 

Er zijn steeds meer vrouwelijke bestuurders en topambtenaren. Toch zie je dat niet altijd in het blad terug.
Nu lezen ook meer mannen dan vrouwen het blad, dus in die zin kun je zeggen dat BB wel een afspiegeling is. Maar toen ik hoofdredacteur was, bleek het lastig er meer vrouwen in te krijgen. Het lukte wel, maar het was niet gemakkelijk. Het vraagt een inspanning van de redactie, die niet de eerste de beste persoon uit het adressenboekje moet bellen, maar actief op zoek moet gaan naar een vrouw. Of een allochtoon, want ook dat is belangrijk. Zoiets kost tijd, en er moet wel elke week een blad worden gemaakt. Tegelijk profileren vrouwen zich ook veel te weinig. Ze willen liever ontdekt worden, in plaats van zelf naar voren te stappen. Ja, dan word je ook minder snel gehoord.

 

U turfde het aantal vrouwen in het blad en op interviewlijstjes mochten ze nooit ontbreken. Waarom?
Feminisering van de ambtenarij en de politiek is een belangrijke ontwikkeling. Het is nog lang geen fifty-fifty, maar het aantal vrouwen groeit wel. Daar moet je als blad aandacht voor hebben. Wat gebeurt er en wat zijn de consequenties voor beleid en uitvoering van beleid? Dat is interessant.

 

De redactie was ook altijd overwegend door mannen bevolkt. Maakt dat wat uit?
Ik denk het wel. Zij moeten er ook de noodzaak van inzien en er moeite voor willen doen. Dit speelt vaak op redacties met overwegend mannen. Het netwerk bestaat meestal ook voornamelijk uit mannen. En dat is weer niet zo vreemd, gezien de oververtegenwoordiging van deze sekse in het openbaar bestuur.

 

 

 

 

 

 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door TIP! (...) op
Kwaliteit, beschikbaarheid en tijdbesteding hebben met de - bij ons in Nederland doorgeslagen voorkeurswetten/beleid - plaats gemaakt voor deeltijd, flexibiliteit, maar zeker geen gedeelde verantwoordelijkheid. Natuurlijk omarm ik evenwichtigheid en is het mij om het even of een man of vrouw, autochtoon of allochtoon aan het roer staat. Wel vind ik het belangrijk om de eerstgenoemde aspecten bij de selectie niet te vergeten. Een mooi smoeltje kwam ook vroeger al verder en nu nog verder als deze ook nog een beetje diploma (zegt niets over kwaliteit in de praktijk!) heeft, want let wel, ook nu nog geldt beter een goed netwerk als goed gewerkt! Deeltijd ambitieuzen vinden het ook maar heel normaal dat het werk voor hen wordt opgevangen en naar hen geschikt. Deze groep besteedt echter aan het koffie drinken/roken en netwerken net zoveel tijd als voltijders, soms zelfs nog meer aangezien zij op de hoogte gehouden moeten worden van ontwikkelingen. Het ter sprake brengen is echter een absolute pijnfactor die dus weer wordt gelegd bij degenen die gefrustreerd door het eeuwig afschuiven op hen, nog maar eens proberen aan te kaarten. Bij een bepaalde functie hoort een bepaalde keuze die men dient te maken en soms dienen daar keuzen binnen het gezin voor gemaakt te moeten worden, niet alle vrouwen hebben een mentaliteit als bijvoorbeeld mevrouw Kroes want daar is een beetje van oudsher manfactor voor nodig. In de psychologie hebben ze het ook niet voor niets over (ik blijf in deze even beperkt tot) 4 types: vrouw-vrouw, vrouw-man, man-man, man-vrouw. En v.w.b. dames aan de top, graag degenen die wel kiezen en niet alleen willen pronken, mijn keuze: de vrouw-man types ingeval van de dames en man-man types ingeval van de heren.