of 58952 LinkedIn

Verlaging pensioen nu aanstaande

© Shutterstock
© Shutterstock

In de komende maanden moet het gebeuren: een nieuw pensioenstelsel. De druk op de huidige regeling blijft toenemen, niets doen lijkt geen optie. De gemiddelde ambtenaar is straks niet beter af.

Ongemakkelijke waarheid stelselhervorming

Er was zo veel positiefs te melden in het meest recente kwartaalbericht van ambtenarenpensioenfonds ABP. 2019 was een goed beleggingsjaar, waarin het vermogen toenam van 399 miljard naar 466 miljard euro. De dekkingsgraad (de mate waarin een pensioenfonds aan de verplichtingen kan voldoen) herstelde zich aan het eind van het jaar van een ernstig dieptepunt. De gevreesde korting voor dit jaar is definitief van tafel en ABP hoeft zelfs geen gebruik te maken van de handreiking die Koolmees in november deed.

Maar het verandert weinig aan het toekomstbeeld. De beleidsdekkingsgraad (het gemiddelde van de dekkingsgraden over twaalf maanden) daalde in 2019 van 103,8 procent naar 95,8 procent. Deze indicator zat aan het begin van vorig jaar bijna aan het minimale niveau om verlagingen te voorkomen, 104,2 procent, maar dat lijkt nu ver uit zicht. ‘Als deze beleidsdekkingsgraad tot en met 2020 onder het vereiste niveau van 104,2 procent blijft’, schrijft ABP, ‘en de actuele dekkingsgraad eind 2020 ook lager is dan 104,2 procent, is verlaging van pensioen onvermijdelijk.

Zoals zo vaak benadrukte ABP het belang van een nieuw pensioenstelsel. ‘Het nieuwe contract moet beter aansluiten bij de persoonlijke situatie van onze deelnemers en bij de economische realiteit’, vertelde voorzitter Corien Wortmann-Kool.

Een veelgehoord argument is dat het moeilijk uit te leggen is dat de pensioenen niet kunnen worden geïndexeerd (oftewel: meegroeien met de inflatie) terwijl de economie goed draait. De rekenrente krijgt hierbij veel kritiek, omdat die de reden zou zijn dat pensioenfondsen ondanks goede rendementen lage dekkingsgraden halen. Het stelsel moet aangepast worden aan de moderne tijd – áls het aangepast wordt. Gebeurt er niets, dan zullen de prestaties dit jaar bepalen of er in 2021 moet worden gekort. De vooruitzichten zijn somber. De lage rente speelt daarbij een belangrijke rol omdat die er vorig jaar mede voor zorgde dat de dekkingsgraad te laag bleef, ondanks een forse toename van ABP’s vermogen.

Die rekenmethode gaat als volgt: ABP moet de komende decennia aan bepaalde verplichtingen voldoen en aan de hand daarvan kunnen ze berekenen hoeveel ze nu in kas moeten hebben. Want over het vermogen dat ze nu hebben komt jarenlang rente en wanneer die rente daalt, is er meer vermogen als startpunt nodig. Deze rekenrente wordt vastgesteld op basis van de rente tarieven op de financiële markten. Over het algemeen wordt verwacht dat die de komende jaren laag blijven (zie kader).

Lager rendement
Daar komt bij dat ABP verwacht dat dit jaar een lager rendement wordt behaald. De groei van 399 miljard naar 466 miljard euro betekent een rendement van 16,8 procent, maar voor dit jaar verwacht ABP een rendement van ongeveer 4 procent. ‘Financiële markten en grote beleggers gaan allemaal uit van lagere rendementen’, laat een woordvoerder van ABP weten.

Dan is er nog de premie, de bijdrage van deelnemers waarmee het pensioen wordt betaald. De premie voor het ouderdomsen nabestaandenpensioen is bij ABP 24,9 procent. Mensen werken dus één dag per week voor die opbouw. ABP verhoogt de premie dit jaar minimaal, ondanks een negatief oordeel van het verantwoordingsorgaan, dat van mening was dat een grotere stijging nodig was.

Het bestuur en het verantwoordingsorgaan verschillen volgens de ABP-woordvoerder niet van mening over of er nou wel of niet iets moest gebeuren aan de premie of de opbouw, maar slechts over het tijdstip: ‘Het huidige pensioen is te duur geworden. Dat betekent dat of de prijs omhoog moet of het product versoberd moet worden, lees de premie omhoog of de pensioenopbouw omlaag.’ Als de huidige regels blijven gelden, laat ABP weten, dan ziet ook het bestuur zich genoodzaakt om de rente in 2021 te verhogen, en dan ook fors. Of de pensioenopbouw te verlagen. De situatie lijkt te schreeuwen om hervorming. ‘Er zijn daarbij twee problemen’, vertelt hoogleraar economie Bas Jacobs van de Erasmus Universiteit. ‘Het eerste is dat het afschaffen van de doorsneepremie leidt tot een herverdelingsprobleem tussen generaties.’ De doorsneepremie wil zeggen dat iedereen, ongeacht de leeftijd, dezelfde premie betaalt – 24,9 procent voor het ouderdoms- en nabestaandenpensioen van ABP – en daarvoor dezelfde pensioenopbouw ontvangt.

Het geld dat jongeren inleggen, bouwt decennialang rendement op. Het geld van ouderen bouwt minder lang rendement op. Dus een jongere bouwt met dezelfde inleg veel meer op, maar krijgt hetzelfde pensioen. Op deze manier betekent de doorsneesystematiek een herverdeling van jong naar oud. Dat zou geen probleem zijn als generaties elkaar compenseren, maar door de vergrijzing komen er relatief veel meer ouderen bij. Ook bij overstap van vast werk naar zelfstandig werk of andersom is het effect sterk. ‘Op de arbeidsmarkt zijn mensen bang voor verlies van pensioen als ze baan wisselen’, zegt Jacobs.

Pisang
Er zijn voor dit eerste probleem verschillende oplossingen, zoals toenemende premies, een afnemende opbouw naar leeftijd, of pensioenregelingen met individuele rekeningen. Jacobs: ‘De regering wil degressieve opbouw. Als je jong bent, krijg je veel pensioen voor wat je inlegt. Het probleem is dat er een generatie bestaat die op jonge leeftijd nooit veel pensioenopbouw heeft gekregen en niet veel opbouwt op hogere leeftijd. Iedereen boven de 45 is dan de pisang. Die groep moet vervolgens compensatie krijgen. Dat kost tientallen miljarden euro’s. Ik geloof niet dat pensioenfondsbesturen het voor elkaar krijgen om de gepensioneerden te korten zodat ze de pechvogels bij de afschaffing van de doorsneepremie kunnen compenseren.’

Probleem twee. ‘Mensen rekenen op indexatie van de pensioenen, maar ook op een zeker pensioen. Er is echter geen gratis lunch: met een harde garantie van het pensioen moet je heel veel geld risicovrij beleggen en dus wordt je pensioen lager. Wie een hoog pensioen wil, kan risicovoller beleggen, maar dan moet je rekening houden met meer onzekerheid. We komen uit een systeem waar veel zekerheid én een hoog pensioen zijn beloofd, maar we komen erachter dat er veel te weinig geld is om beide beloften waar te maken. Geen pensioenfonds wil die ongemakkelijke waarheid aan haar deelnemers vertellen. Dit komt bij iedere pensioenhervorming naar boven: pensioenfondsen moeten hun deelnemers duidelijk maken dat als je een hoog pensioen wilt, het alleen betaald kan worden door meer risico te nemen. Géén onzekerheid betekent een laag pensioen.’

Hogere rente
Hier is ook de rente weer relevant. Pensioenfondsen moeten, volgens de eisen van De Nederlandsche Bank (DNB), in de berekening van de dekkingsgraad een risicovrije rente gebruiken en die is erg laag. Dat kan ervoor zorgen dat de dekkingsgraad laag blijft terwijl een goed rendement is behaald. Zoals een lezer op de website van Binnenlands Bestuur zich afvraagt onder het nieuwsbericht over het laatste kwartaal van ABP: ‘Het beschikbare vermogen is in een jaar tijd met een zesde toegenomen, van 399 naar 466. Is er een bedrag waarbij de rekenrente simpelweg niet meer van belang is?’

Omdat de pensioenfondsen het helemaal niet zo slecht doen als de rekenrente doet voorkomen of omdat het geld toch niet op gaat, klinkt geregeld de roep te mogen rekenen met een hogere rente. ‘De rekenrente kan alleen omhoog als minder zekerheid wordt beloofd’, zegt Jacobs. ‘Pas als de pensioenen net zo hard op en neer stuiteren als de beleggingsrendementen zelf, kun je het rendement van het pensioenfonds als rekenrente gebruiken. Er moet een match zijn tussen het risico dat pensioenfondsen nemen en de hardheid van de pensioenen die worden beloofd. Daar zit een groot probleem in de maatschappelijke discussie: we doen nog steeds of pensioenen gegarandeerd zijn, terwijl iedereen ziet dat er geen zekerheden zijn omdat pensioen fondsen, terecht, risico’s nemen met hun beleggingen.’

Inconsistent
Hij verwijt DNB hierbij inconsistent beleid: ‘Zij moeten erop toezien of pensioenfondsen hun werk goed doen. Maar aan de ene kant leggen ze een risicovrije reken rente op bij de berekening van de verplichtingen van pensioenfondsen en aan de andere staan ze toe dat pensioenfondsen veel risico nemen bij hun bezittingen. Maar als verplichtingen keihard zijn, dan moet je ook zonder risico beleggen. Het toezicht staat die volkomen mismatch in risico van pensioenbeleggingen en in de zekerheid van pensioenen toe. Dit is ook de reden dat hoogoplopende discussies over de rekenrente ontstaan.’

Er is dus genoeg om te bespreken bij het uitwerken van het vorig jaar gesloten pensioenakkoord, wat moet resulteren in een nieuw pensioenstelsel. De communicatie hierover richting deelnemers is moeilijk. ‘Als onze deelnemers zich roeren, gaat dit meestal over verlaging van pensioen of niet indexeren’, laat de ABP-woordvoerder weten. ‘Het nieuwe pensioencontract leeft niet zo onder de doorsneedeelnemer.’ ABP zit niet zelf aan de onderhandelingstafel, maar de werkgevers en werknemers.

Om in 2021 met een nieuw stelsel te kunnen werken, moet het pensioenfonds op tijd weten hoe dat eruit komt te zien. Het ambitieuze tijdspad voor het uitwerken van het pensioenakkoord loopt tot en met april. Zou dat haalbaar zijn? Jacobs: ‘Tijdspaden zijn zo fluïde als water gebleken en er kan zo weer uitstel komen. Ik durf geen enkele uitspraak te doen over welk tijdspad dan ook.’


Vijf oorzaken van lage rente
Hoogleraar economie Bas Jacobs van de Erasmus Universiteit ziet vijf langetermijntrends die verklaren waarom de rente zo laag is.
1. ‘ Door vergrijzing wordt er veel gespaard. En als beroepsbevolkingen krimpen, dan is er minder behoefte om te investeren.
2. ‘ Doordat de investeringskosten dalen, doen bedrijven een minder groot beroep op de kapitaalmarkt.’
3. ‘ De toenemende ongelijkheid in inkomen en vermogen zorgt ervoor dat de gemiddelde spaarquote omhooggaat. Rijke mensen sparen namelijk meer dan arme mensen.’
4. ‘ Er is grote behoefte aan veilige beleggingen. Dat komt door strengere wet- en regelgeving voor banken, pensioenfondsen en verzekeraars. Tegelijkertijd is het aanbod voor veilige beleggingen gekrompen doordat overheden schulden aflossen en sommige schulden van overheden niet veilig bleken.’
5. ‘ Door de opkomende economieën in Azië neemt het wereldwijde aanbod van besparingen toe.’


ABP reduceert co2-uitstoot in portefeuille
Pensioenfonds ABP wil over vijf jaar de CO2-uistoot van de beleggingen met 40 procent reduceren ten opzichte van 2015. Ook wordt 15 miljard euro geïnvesteerd in duurzame en betaalbare energie, en 20 procent van het vermogen geïnvesteerd in de duurzame ontwikkelingsdoeken van de Verenigde Naties. Het ABP blijft nog wel beleggen in vervuilende energievormen als teerzand en kolenmijnen, maar gaat die beleggingen wel afbouwen.

Die doelen stelt het ABP in haar nieuwe duurzaamheidsbeleid. In 2050 moet de gehele beleggingsportefeuille klimaatneutraal zijn, in lijn met de doelen die in het Klimaatakkoord van Parijs zijn vastgesteld. Het pensioenfonds wil de transitie naar duurzame energiebronnen en schone energieopwekking versnellen, en heeft de ambitie om in 2030 niet langer te beleggen in kolen voor de productie van elektriciteit, zonder CO2-afvang.

Om dat voor elkaar te krijgen, gaat het pensioenfonds extra klimaatcriteria vaststellen waar bedrijven waarin wordt belegd aan moeten voldoen. In 2022 wordt opnieuw bekeken of de beleggingen op koers liggen om die doelen te halen, en worden verdere klimaatdoelen vastgesteld.

Toch zijn de doelen minder ambitieus dan wat verschillende maatschappelijke organisaties van het grote pensioenfonds hadden gevraagd. Gekozen wordt voor een meer voorzichtige route. Volgens het ABP komt dat doordat veel van de initiatieven waarin moet worden geïnvesteerd nog nieuw zijn voor het pensioenfonds als belegger. En daar is tijd voor nodig, aldus het ABP. ‘Bij elke beleggingsbeslissing let ABP op vier criteria: rendement, risico, kosten en duurzaamheid. ABP zal blijven controleren welke effecten het beleid heeft op risico en rendement.’

De doelen die het ABP vijf jaar geleden, stelde zijn wel gehaald of zelfs overtroffen. Met dit beleid worden belangrijke stappen in de goede richting gezet, zo stelt het ABP, maar ‘het fonds kan niet met alle wensen rekening houden en uiteraard niet alle wereldproblemen oplossen.’ 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Harry Bollema (Secretaris) op
Voor het ontstaan van wat kan worden genoemd: het pensioendrama, moet men terug naar de ontstaansgeschiedenis van de Pensioenwet (PW) in de jaren 2005/2006. De PW is per 1 januari 2007 in werking getreden.

De overheid heeft – ondanks kritische kanttekeningen vanuit de Tweede Kamer in het vergaderjaar 2005/2006 – bewust nagelaten om in art. 10 van de PW (Karakter pensioenovereenkomst) de collectief beschikbare premieregeling (CDC-regeling) op te nemen. De meeste pensioenregelingen in ons land worden CDC gefinancierd.

Gevolg van deze nalatigheid: CDC-regelingen wordt – tegen beter weten in – aangemerkt als een uitkeringsovereenkomst; ook wel Defined Benefit (DB-) regeling genaamd. Bij DB-regelingen staat de pensioenuitkering vooraf vast (in de volkasmond: het gegarandeerde pensioen, dat overigens nooit heeft bestaan).

De diepere achtergrond voor deze keuze heeft te maken met de EU-pensioenrichtlijn IORP !. De Nederlandse overheid heeft bij de voorbereiding van de PW – als opvolger voor de Pensioen en Spaarfondsen wet (PSW) - ervoor gekozen om vrijelijk te ‘winkelen’ in die EU-pensioenrichtlijn IORP I (later opgevolgd door IORP II) .

Zo zijn de bepalingen aangaande de Technische voorzieningen (art. 15), het Voorgeschreven eigen vermogen (art. 17) en de Beleggingsvoorschriften (art. 18) onjuist in de Nederlandse pensioen wet- en regelgeving omgezet.

Bij een CDC-pensioenregeling staan voor een werkgever de kosten vast. De werkgever verplicht zich er uitsluitend toe een vaste premie te betalen.
Bij deze vorm van pensioen wordt de precieze hoogte van het pensioen pas bepaald wanneer de deelnemer met pensioen gaat. De hoogte is afhankelijk van de betaalde premie en de daarmee behaalde beleggingsopbrengsten.

Kortom: bij CDC-pensioenregelingen liggen alle risico’s (lang leven, belegginsrisico) bij de collectiviteit van de deelnemers. Om die reden gelden voor CDC-regelingen de strenge eisen van de EU-pensioenrichtlijnen IORP I (en II) NIET.

Daarmee vervallen de buffereisen, en de verplichte toepassing van de risicovrije rekenrente voor de vaststelling van de Technische voorzieningen (pensioenverplichtingen). Dat betekent dat de pensioenfondsen per direct de ingegane pensioen kunnen indexeren; zelfs met terugwerkende kracht,

De dekkingstekorten bij de Nederlandse pensioenfondsen zijn het logische uitvloeisel van art. 123 lid 2 en 3 van de Pensioenwet. Daarin wordt bepaald dat de pensioenpremies ‘gedempt’ mogen worden.

In rond Hollands: er mogen lagere dan kostendekkende premies bij de werkgevers in rekening gebracht worden, door bij de vaststelling ervan rekening te houden met toekomstige rendementen op de belegde activa.

Echter: voor de vaststelling van de pensioenverplichtingen heeft de overheid ervoor gekozen de pensioenfondsen op te zadelen met de zgn. risicovrije rente (DNB-RTS). Volgens art. 126 lid 2a PW moeten de pensioenverplichtingen worden berekend op basis van marktwaardering. Daarbij worden pensioenverplichtingen impliciet beschouwd als verhandelbare financiële producten, wat volkomen onzin is.

Als de rekenrente voor zowel de premies – thans ca. 2,5% - als voor de verplichtingen gelijk is, dan is er voor de dekkingsgraden van de pensioenfondsen weinig tot niets aan de hand.

Uitgaande van de huidige ca. 0,8% risicovrije rekenrente voor de vaststelling van de VPV zou de daarmee vast te stellen pensioenpremie richting de 45% tot wel 55% stijgen. Dat is slecht nieuws voor zowel werkgevers als de werknemers.

En wie maken bij de pensioenfondsen de dienst uit? De werkgevers(organisaties) en de vakbonden. Zij bepalen de facto de door werkgevers te betalen pensioenpremies. Werkgevers zijn tegen omdat daardoor de personeelslasten enorm stijgen; de vakbonden zijn tegen want die hoge pensioenpremies gaan ten koste van de netto lonen.

Die oplossing is dus kansloos. Waarmee de belachelijkheid van de risicovrije rente voor de vaststelling van de pensioenverplichtingen glashelder wordt aangetoond.

Beter is dan ook om voor de vaststelling van de rekenrente voor de pensioenverplichtingen eveneens rekening te houden met de toekomstige rendementen. Zo was dat in de voorganger van de PW, de PSW, en zo zou het ook weer moeten worden. Daarmee worden de klassieke actuariële uitgangspunten voor zowel de premies als de verplichtingen in ere hersteld.
Door Dé Conoom (kritische afwachter) op
Mij interesseert helemaal niet de CO2-uitstoot van de ABP-bestuurders, goed & deugdelijk werken moeten ze voor hun riante inkomen. Ze hebben met ons deelnemers een (blijvend) CONTRACT, hetgeen impliceert dat er goede pensioenen uitbetaald worden EN tevens zo weinig mogelijk premie voor de werkenden (doch met uitzicht op OOK een goed pensioen) ! Het ABP kan wel degelijk de deelnemerswensen vervullen, en de wereldproblemen lossen ze maar in China en Afrika zelf op. Er zijn maximaal 3 beslissingsfactoren voor een (d)econoom: rendement, risico en kosten. Dus weer gewoon zeer goed renderend beleggen, bijvoorbeeld weer in de wapenindustrie (doet het in artikelverkoop altijd & overal goed), de grondstoffenhandel en de energiemarkt (blijft nog jaren gesubsidieerd renderen). Kom je vanzelf boven elke rekenwaarde uit, dus niks volgen van eu-klimaatpaus Franske, grijnzend suggererende Mark(us) e.d., immers die zijn ook de grove 'uitname' vergeten. De jeugd heeft de toekomst DUS veilig stellen die huidige maar ook toekomstige pensioenverplichtingen. Oh, en als je ergens toch niet aan tafel zit, hoeft men zich ook niet aan het gebazel aldaar te houden. Ik heb gezegd. Amen.