of 59162 LinkedIn

Inburgeren, doet u mee?

Reageer
Nederland telt 600 duizend inburgeraars. De helft is niet inburgeringsplichtig en moet dus letterlijk worden verleid. Hoe doe je dat? ‘In foldertjes en posters zien we geen heil.’

Hengelo begon 2 jaar jaar geleden vol goede moed met de werving van vrijwillige inburgeraars. In een interview met een VROM-nieuwsbrief vertelde beleidsmedewerker inburgering Ineke Helder enthousiast over het wervingsteam, de poster- en flyercampagne en de ‘inburgeringstas’, een lokkertje met onder meer een bibliotheekabonnement, gratis kaartjes voor het zwembad en een sportbon van 50 euro.

 

Intussen weet men in Hengelo dat er meer voor nodig is om inburgeraars te motiveren. En dat besef begint ook elders door te dringen, blijkt uit een rondgang langs 23 willekeurig gekozen gemeenten. Onzekerheid, examenvrees, irratie over de term ‘inburgering’ bij mensen met een Nederlands paspoort, de combinatie met een baan die te zwaar zou zijn, het ontbreken van kinderopvang - allemaal belemmeringen die potentiele vrijwillige inburgeraars ervan weerhouden om de stap te nemen.

 

Veel gemeenten denken intussen creatief na over oplossingen die verder gaan dan folderen in de moskee. De tendens is duidelijk: hoe individueler de benadering, des te groter de kans op succes. ‘Het is ont-zet-tend moeilijk om mensen te motiveren’, zegt Ineke Helder.

 

‘We hebben een wervingsteam met een groot netwerk in de allochtone gemeenschap. Het lukt ons wel om de potentiële vrijwillige inburgeraars te bereiken, maar veel van hen hebben zoveel problemen - lichamelijke en psychische klachten, schulden - dat ze het niet kunnen opbrengen om ook nog eens een inburgeringscursus te gaan volgen.’

 

‘De mensen die vanwege hun problematiek niet in staat waren om een inburgeringscursus te volgen, hebben we doorverwezen naar de hulpverlening’, vertelt Helder. ‘Hun namen hebben we genoteerd, zodat we ze later nog eens konden benaderen. Dat gaat binnenkort gebeuren. We hebben zogeheten instapcursussen ontwikkeld, bedoeld voor mensen die een voortraject nodig hebben voor ze het officiële programma kunnen volgen.

 

'De intake vindt plaats bij de mensen thuis, en daarbij wordt de hele gezinssituatie in beeld gebracht. We proberen te achterhalen wat iemand nodig heeft, en stemmen daar het aanbod op af. Vaste onderdelen van de instapcursus zijn een kennismaking met het ROC dat bij ons de inburgeringscursussen geeft, en een praktijkmodule, bedoeld om de cursisten te laten zien wat het hen oplevert als ze beter Nederlands leren.’

 

Hulpverlening

 

‘Direct contact is de enige manier waarop je de moeilijker groepen kunt bereiken,’ meent ook Petri den Doop, woordvoerder van Amersfoort. ‘In foldertjes en posters zien we geen heil.’ Net als in Hengelo (en andere gemeenten) wordt werving van vrijwillige inburgeraars in Amersfoort feitelijk geïncorporeerd in hulpverlening achter-de-voordeur.

 

Den Doop: ‘In onze prioriteitswijken gaan hulpverleningsteams bij bewoners op huisbezoek om te kijken wat nodig is.’ In Utrecht is ook op deze manier geworven, en met succes. 40 procent van de bezochte allochtone huishoudens in de wijk Overvecht meldde zich aan voor een taalcursus.

 

Hoe belangrijk de combinatie met hulpverlening is, blijkt uit het feit dat een gewone huisaan- huis-actie, waarbij - eveneens in Overvecht - bij vijftienhonderd huizen werd aangebeld, nauwelijks een handjevol aanmeldingen opleverde. In mei 2008 startte het ministerie van WWI het Innovatietraject Wijkgerichte Inburgering, waar acht gemeenten aan deelnemen, waaronder Leeuwarden en Utrecht.

 

Wijkgerichte inburgering past in het idee dat de taal leren geen doel op zich is, maar een vehikel voor participatie: hoe meer mensen actief deelnemen aan de maatschappij, hoe beter dat is voor de leefbaarheid in een wijk. Het gaat er vooral om dat inburgering wordt gekoppeld aan reeds bestaande activiteiten in de wijk.

 

Verleiden

 

Leeuwarden liet onderzoeken wat potentiële inburgeraars ervan weerhoudt in te burgeren. De belangrijkste conclusie van het onderzoek van Regioplan: het nut van de cursus moet beter uitgelegd worden, toegespitst op ieders individuele situatie. Dat inzicht heeft zich snel verbreid. Praktisch alle voor dit artikel benaderde gemeenten benadrukten de noodzaak van een positieve toonzetting, verleidend en niet dwingend.

 

Zo zegt Roosendaal: ‘Wij maken in de werving veel gebruik van goede voorbeelden, bijvoorbeeld iemand die werk vond dankzij het feit dat hij de taal heeft geleerd.’ Alle meer ervaren gemeenten leggen de nadruk op het belang van samenwerking met andere partijen, het opbouwen van een netwerk.

 

De genoemde partners variëren van Vluchtelingenwerk en allochtone zelforganisaties tot huisartsen, welzijnsinstellingen, scholen en woningcorporaties, en van moskeeën, buurtcentra, jongerenwerkers en wijkcontactvrouwen tot de plaatselijke voedselbank. Het idee is dat (zelf)organisaties en sleutelfiguren reeds het vertrouwen genieten van de potentiële inburgeraar, en daarom beter in staat zijn om mensen te motiveren op cursus te gaan, en hen soms bijna letterlijk over de drempel te helpen door het eerste telefoontje te plegen en hen aan te melden.

 

Rick Middelbosch van Ede: ‘Mensen hebben vaak allerlei bezwaren gebaseerd op vooroordelen. Als ze dan thuis bezocht worden door iemand van een zelforganisatie, vallen de mitsen en maren ineens reuze mee.’ ‘Goed voorbeeld doet goed volgen,’ dacht een aantal gemeenten toen werd besloten (oud-)inburgeraars op te leiden tot ambassadeur (ook wel intermediair genoemd), met als taak nieuwe vrijwillige inburgeraars te werven.

 

Onder meer Leeuwarden, Haarlem, Ede en Amersfoort maken gebruik van dergelijke ambassadeurs. Het mes snijdt aan twee kanten: voor (oud-)inburgeraars is het vaak een opstap naar werk. In Leeuwarden krijgen de ambassadeurs een dienstverband van 8 uur per week.

 

Geraniums

 

Een belangrijk inzicht dat de laatste jaren gegroeid is, is dat de ene inburgeraar de andere niet is. De hoogopgeleide Amerikaanse ICT-expert, de Iraanse arts, de analfabete Marokkaanse van middelbare leeftijd en de Poolse handarbeider, stuk voor stuk hebben ze niet alleen een compleet andere achtergrond en kennisniveau, maar ook een andere motivatie om de taal te willen leren (of juist niet).

 

Petri den Doop, woordvoerder van Amersfoort: ‘Voor sommige oudkomers is het al heel wat als je ze achter de geraniums vandaan weet te krijgen, terwijl je een hoogopgeleide nieuwkomer het liefst een stoomcursus van 3 weken wilt aanbieden.’

 

Maatwerk, zowel in de werving als in het aanbod, is dus geboden, zo valt te beluisteren. Veel gemeenten bieden opstap- of instapcursussen aan, grotendeels gericht op laagopgeleide, vaak sociaal geïsoleerde vrouwen. Deze taalcursussen hebben veel weg van een empowerment- training, gericht op het ontwikkelen van zelfbewustzijn en het formuleren van een doel in het leven. Waarna het leren van de taal kan beginnen, al dan niet via een reguliere inburgeringscursus.

 

Leeuwarden bijvoorbeeld biedt dit soort cursussen aan voor Antilliaanse moeders, onder schooltijd, onder het motto ‘Taal & Talent’. Een ander middel om laagopgeleide immigranten op weg te helpen naar een reguliere cursus zijn de ‘inburgeringscoaches’ en de ‘taalmaatjes’, vrijwilligers die de inburgeraars (in spe) wegwijs maken in de Nederlandse maatschappij.

 

Ook aan de andere kant van het spectrum, bij de hoogopgeleiden, is maatwerk van groot belang, stellen sommige gemeenten expliciet. Zo heeft Den Haag werk gemaakt van taalcursussen waar het tempo en het niveau extra hoog ligt. In Ede kunnen inburgeraars sinds kort in de eigen stad lessen volgen die opleiden tot het staatsexamen Nederlands. Voor die tijd moesten ze daarvoor naar Arnhem. Opmerkelijk genoeg noemt van alle benaderde gemeenten alleen Almere het Persoonlijk Inburgeringsbudget (waarmee inburgeraars zelf een taalcursus naar keuze kunnen inkopen).

 

Tijdens werk

 

Een manier bij uitstek om maatwerk te kunnen bieden, zijn de zogeheten duale trajecten: taalverwerving in combinatie met leren in de praktijk. Het doel is tweeledig: de participatie bevorderen en het leren van de taal te vergemakkelijken. Het praktijkgedeelte van een duaal inburgeringstraject kan uit van alles bestaan, variërend van een reguliere mbo-opleiding of een werkstage tot een sollicitatietraining of een cursus op het gebied van sport, cultuur of educatie.

 

In het Deltaplan Inburgering is de doelstelling dat in 2011 80 procent van de inburgeringstrajecten duaal is. Veel gemeenten bieden ze aan, soms gecombineerd met inburgeren op de werkvloer. Zeist werkt bijvoorbeeld samen met een aantal schoonmaakbedrijven. Stef den Daas, hoofd Bureau Inburgering in Zeist: ‘Dat gaat heel goed. De werknemers krijgen een taalcursus en volgen tegelijk een door de schoonmaakbranche erkende vakopleiding. In de baas zijn tijd.’

 

Inburgeren op de werkvloer - nog zo’n belangrijk speerpunt van het ministerie. Steeds meer gemeenten sluiten hierover convenanten met lokale bedrijven. Heerlen deed dat bijvoorbeeld met schoonmaakbedrijf CSU, Den Haag met uitzendbureau EG-Personeelsdiensten, dat veel Poolse werkkrachten uitzendt naar het Westland.

 

Inburgering onder werktijd komt tegemoet aan het bezwaar van veel werkenden dat een taalcursus volgen in combinatie met een baan te zwaar is of op praktische problemen stuit, zoals werk in ploegendiensten. Om daaraan tegemoet te komen worden - bijvoorbeeld in Amersfoort - ook cursussen gegeven op zaterdag en zondag.

 

‘Drempels verlagen, daar gaat het allemaal om,’ zegt Rick Middelbosch, consulent inburgering in Ede. Daar kunnen moeders onder schooltijd een inburgeringscursus volgen, op de school van hun kind. Overigens nam Ede enige tijd geleden ook de kwaliteit van de inburgering onder de loep en besloot de samenwerking met het ROC op te zeggen, ten gunste van twee andere aanbieders, die beter presteerden. Middelbosch: ‘Sindsdien hebben we meer aanmeldingen. Kwaliteit is tenslotte reclame.’ Ook Sittard-Geleen stelt: ‘Inburgeraars zijn kritisch en verwachten kwaliteit.’

 

Service

 

Gemeenten zijn zich ervan bewust dat kwaliteit maar ook snelheid en service een rol spelen. Mariëtte Vos, namens Bergen op Zoom: ‘Wij hebben geen wachtlijst voor de intake. Sterker, mensen die zich zelf melden worden direct ingepland voor een gesprek. Iemand kan altijd binnen 6 weken na de aanmelding beginnen met de lessen.’

 

Hilversum zegt, bij monde van woordvoerder Paul van Hooff: ‘Vanaf het begin hebben wij ook voorzieningen voor vrijwillige inburgeraars gerealiseerd, er zijn nooit wachtlijsten of capaciteitsproblemen geweest. We hebben zes extra klantmanagers aangesteld.’ Almere laat zich erop voorstaan dat inburgeraars binnen een week na aanmelding kunnen starten, mits ze het reguliere traject volgen.

 

Ten slotte werken verschillende gemeenten met een financiële prikkel. Zo heeft Utrecht een ‘stimuleringsbonus’ van 270 euro. De tot voor kort wettelijk verplichte bijdrage van 270 euro krijgt de inburgeraar terug als hij het examen gedaan heeft en niet meer dan 20 procent van de lessen verzuimd heeft. Ook in Sittard-Geleen werkt het zo. Zeist geeft een inburgeraar die een nieuwe cursist aandraagt 50 euro, Den Haag schenkt in dit geval een cadeaubon (‘vriendenbon’).

 

Zijn de good old flyers en posters dan helemaal verdwenen? Nee, ze zijn nog volop aanwezig. In Ede delen ambassadeurs folders uit op de Heidemarkt, in Vlaardingen gaat een wervingsteam gewapend met flyers naar een uitvoering van de Somalische vrouwentoneelgroep. In Amsterdam begint op 20 september een nieuwe campagne met posters, flyers en advertenties onder het motto: ‘Inburgeren, doet u mee?’

 

Maar dergelijk materiaal dient altijd slechts ter ondersteuning van andere activiteiten. Niemand heeft meer de illusie dat een leuke slagzin en dito folder voldoende zijn. Zelfs niet als ze in zes talen gesteld zijn.

 

Voor deze inventarisatie is gesproken met woordvoerders van Almere, Amersfoort, Amsterdam, Bergen op Zoom, Diemen, Dordrecht, Ede, Enschede, Grave, Den Haag, Haarlem, Hilversum, Heerlen, Hengelo, Leeuwarden, Roosendaal, Sittard- Geleen, Terneuzen, Utrecht, Vlaardingen, Vlissingen, Zaanstad en Zeist. Volgende week: De inburgeringspraktijk in Zoetermeer.

 

Moeizame werving

 

Vrijwillige inburgeraars zijn allochtonen met een Nederlands paspoort of afkomstig uit een EU-land, die niet verplicht kunnen worden tot het leren van de taal, maar van wie de overheid niettemin graag wil dat ze het Nederlands (beter) beheersen. Het gaat bijvoorbeeld om (genaturaliseerde) Turkse en Marokkaanse moeders met schoolgaande kinderen, Antillianen en Midden- en Oost-Europeanen (MOE-landers).

 

Nederland telt zo’n 600 duizend potentiële inburgeraars, de helft kan niet worden gedwongen. Volgens de doelstellingen van het Deltaplan Inburgering dat het ministerie voor WWI eind 2007 lanceerde, zouden elk jaar 60 duizend mensen aan een inburgeringscursus moeten beginnen (verplicht dan wel vrijwillig), een ambitie die later is bijgesteld naar 47 duizend per jaar. Uit recente cijfers blijkt dat maar weinig gemeenten hun doelstelling voor 2010 zullen halen.

 

Nu de stroom verplichte inburgeraars langzamerhand opdroogt, moeten gemeenten gaan putten uit het bestand vrijwillige inburgeraars. In een onlangs verschenen evaluatie van de Wet Inburgering, Inburgering in Nederland, concluderen de onderzoekers dat een deel van de immigranten in Nederland zonder verplichting nooit zal inburgeren.

 

Ervaring verschilt

 

Niet alle gemeenten zeggen het werven van vrijwillige inburgeraars als een probleem te zien. Hanny Bladt, woordvoerder van Heerlen: ‘Wij hebben er helemaal geen moeite mee. Ons Bureau Inburgering staat goed bekend. Mensen weten de weg te vinden en melden zichzelf.’ Ook Zaanstad is tevreden met hoe de werving verloopt. Maar optimistische geluiden komen vooral van gemeenten die nog niet zoveel ervaring hebben met vrijwillige inburgering. Zo gaat Zaanstad pas vanaf januari 2011 van start met cursussen voor vrijwillige inburgeraars.

 

De mate waarin gemeenten ervaring hebben met de werving van vrijwillige inburgeraars verschilt nogal. Sommige middelgrote gemeenten als Amersfoort, Hilversum, Leeuwarden, Hengelo en Enschede zijn er al enige jaren voortvarend mee bezig, andere zijn pas kort geleden begonnen beleid te ontwikkelen. Feit is dat de stroom verplichte inburgeraars vrijwel overal aan het opdrogen is, zodat de aandacht hoe dan ook verschuift naar de ‘vrijwilligers’.

 

Ter illustratie: in Vlaardingen begonnen in 2008 nog maar 9 vrijwillige inburgeraars aan een traject, en 410 verplichte. In 2009 waren het 82 vrijwillige inburgeraars tegenover 271 verplichte, in 2010 tot dusver 106 tegenover 120 verplichte.

 

Moe-landers komen vanzelf

 

Er is één groep vrijwillige inburgeraars waarvoor gemeenten zeggen geen enkele moeite te hoeven doen: Midden- en Oost- Europeanen (de zogeheten MOE-landers). Een groot aantal gemeenten laat weten dat deze migranten zich spontaan melden.

 

Rick Middelbosch, consulent inburgering in Ede: 'Ze zijn hier om te werken, en willen graag vooruit. Op een gegeven moment merken ze zelf dat ze niet verder komen zonder kennis van de taal. Soms helpt de werkgever een handje. Bij het distributiecentrum van het Kruidvat werkt een groep Letlanders. Het bedrijf heeft gezegd dat ze een vast contract krijgen zodra ze de taal beheersen.'

 

In Zeist is de toestroom van Polen zo groot, dat ze niet allemaal worden toegelaten tot een inburgeringstraject. 'Alleen als duidelijk is dat ze zich hier blijvend willen vestigen, bieden wij ze een cursus aan, anders niet,’ Aldus Stef den Daas van Bureau Inburgering.

 

Hoe burger je in?

 

Er zijn verschillende manieren om in te burgeren in Nederland, afhankelijk van de omstandigheden en het niveau van de inburgeraar. Er zijn vier soorten examens:

 

  • Het inburgeringsexamen. In dit examen staat het leren van de taal en kennis over Nederland centraal;
  • De staatsexamens NT2. Deze examens zijn voor mensen die in eigen land een opleiding hebben gevolgd (na de basisschool minstens een aantal jaren een middenschool) en goed Nederlands willen leren voor een baan of een opleiding;
  • Het diploma beroepsonderwijs. Regulier opleiding aangevuld met veel extra taallessen;
  • De korte vrijstellingstoets. Dit examen is voor mensen die in eigen land een goede opleiding volgden en diploma’s haalden. De mensen die dit examen doen weten al veel van Nederland, en spreken en schrijven de taal al goed. Deze mensen hebben geen cursus meer nodig.

 

Bron: ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

 

Correcties en aanvullingen, geplaatst in Binnenlands Bestuur 36, 10 september 2010

 

In het artikel over vrijwillige inburgering in Binnenlands Bestuur 35 (3 september) is in de berichtgeving over Zaanstad een foutje geslopen. In tegenstelling tot wat vermeld werd, is Zaanstad wel al begonnen met de vrijwillige inburgering. In 2010 volgden 115 vrijwillige inburgeraars een traject.

Verstuur dit artikel naar Google+