of 61043 LinkedIn

Wat doen we met de scherven?

Anka van Voorthuijsen 3 reacties
Er vindt veel archeologisch onderzoek plaats, maar over het nut bestaat twijfel. ‘Schoenendozen vol scherven’ belanden in het al overvolle provinciale depot. Wat levert al het graven op?

In het Zuid-Hollandse Valkenburg legden archeologen de resten van een Romeinse weg bloot, in Eindhoven kwamen sporen uit de IJzertijd naar boven, in Winschoten werd een middeleeuws keienpad ontdekt, in Oegstgeest een 1500 jaar oude brug, in Hoogeloon (Noord-Brabant) resten van een Romeinse graftoren en in Rijswijk was opwinding over de vondst van een 16e eeuwse windas. Zie hier het - niet complete - resultaat van archeologische vondsten in Nederland, in een willekeurige week in mei 2010.

 

‘De schop’ gaat tegenwoordig vaak de grond in. In 1995 vonden er in Nederland op jaarbasis nauwelijks 500 archeologische onderzoeken plaats (bureauonderzoek, boringen, graven van proefsleuven en opgravingen samen), in 2008 ging het om meer dan 4500 onderzoeken. Die explosieve groei heeft vooral te maken met het in 1992 gesloten verdrag van Malta: wie ‘de grond wil beroeren’ zoals dat zo mooi heet, is verplicht archeologisch onderzoek te laten doen en de resultaten vast te leggen in een rapport.

 

Nederland werkt sinds halverwege de jaren negentig in de geest van ‘Malta’, en in 2007 werd de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van kracht. Daarin is ondermeer vastgelegd dat ‘de verstoorder betaalt’ en dat archeologisch onderzoek een rol moet spelen in de ruimtelijke ordening. De verantwoordelijkheid voor het bodemarchief ligt sindsdien niet meer bij het Rijk, maar bij de gemeenten: zij moeten zorgen dat bestemmingsplannen ‘Malta-proof’ zijn.

 

De tijd dat je er als afgestudeerde archeoloog zo goed als zeker van was dat je nooit een betaalde baan in je vakgebied zou vinden, is sindsdien voorbij. Tot 15 jaar terug was opgraven voorbehouden aan de paar gemeenten die een eigen archeologische dienst hadden, en werd veel werk - gratis - verzet door enthousiaste amateurverenigingen. De nieuwe wet leidt ertoe dat er steeds meer gemeenten zijn met een eigen archeologiebeleid of een stadsarcheoloog (nu al 49 in den lande).

 

Het zorgde er ook voor dat er een bloeiende archeologische bedrijfstak is ontstaan, waarin bijna tweeduizend profs werken, in opdracht van gemeenten en projectontwikkelaars. Soms beperkt het zich tot bureauonderzoek - als bijvoorbeeld uit eerdere opgravingen is gebleken dat er niets interessants te vinden is.

 

Soms leidt het tot veldonderzoek, het graven van proefsleuven of daadwerkelijke opgravingen als blijkt dat er iets interessants onder de oppervlakte te vinden is. Bij voorkeur, zo werd destijds op Malta afgesproken, blijft een vondst ‘in situ’ bewaard, onder de grond dus. Nadat de situatie is gedocumenteerd wordt de vindplaats weer afgedekt, de opdrachtgever krijgt een rapportje van de bevindingen en betaalt het onderzoek.

 

Muntjes

 

Jan Thijssen werkte meer dan 20 jaar als senior-archeoloog bij de gemeente Nijmegen, en vindt dat de marktwerking de archeologie totnogtoe vooral veel ‘waardeloze rapporten’ heeft opgeleverd. ‘Er staat vaak niks in’, luidt zijn kritiek. ‘Het is voor 80-90 procent een administratief verhaaltje over het onderzoek, dat vaak niet aansluit bij wat er al bekend is. Die rapporten belanden op de plank en niemand die er ooit nog naar kijkt.’

 

Hij signaleert dat ‘de regie’ ontbreekt. Het bevoegd gezag moet nadrukkelijker door deskundigen laten bepalen waar uitgebreid onderzoek gewenst is en waar dat overbodig is. Jan Thijssen: ‘Er komen tijdens zo’n onderzoek vaak leuke verhaaltjes in de krant: zijn er Romeinse muntjes gevonden. Maar zo zijn er al duizenden muntjes gevonden en leuke verhaaltjes verteld, er had soms veel meer in gezeten.’

 

Driekwart van het archeologisch onderzoek dat nu wordt gedaan is overbodig, schat hij. Het gebeurt bovendien niet altijd goed: kiezen voor goedkoop betekent soms ook dat er weinig expertise of ervaring bij een bureau is, en dingen worden ‘gemist’. ‘Het geld zou veel beter besteed kunnen worden. Maar de gemeente ligt er niet wakker van want het wordt toch door een externe partij betaald en zo’n ontwikkelaar is allang blij als er niks bijzonders wordt gevonden.’

 

Regie

 

Regievoering is inderdaad hard nodig, vinden ook Corien Bakker, stadsarcheoloog van Den Haag en voorzitter van het Convent van Gemeentelijke Archeologen (CGA) en Arnold Carmiggelt, van het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam, BOOR. Bakker: ‘In Den Haag doen we zelf de uitvoering. Maar ik hoor over kleine gemeenten wel dat er veel rapporten worden geschreven over gebieden waarvan je op voorhand weet dat er niks of weinig te vinden zal zijn.’

 

Arnold Carmiggelt: ‘Ontwikkelaars moeten onderzoek doen, maar er is geen sprake van verplichte ‘winkelnering’ bij het gemeentelijke archeologiebureau. Maar als in deze regio een externe partij het onderzoek uitvoert, gebeurt dat altijd onder ónze regie. Wij kennen de stad, hebben hier veel ervaring en dat heeft duidelijk meerwaarde. We graven niet alles op, alleen dingen die echt belangrijk zijn voor kennisvermeerdering over de historie van de stad.’

 

Bakker pleit voor het maken van archeologische waarde- en verwachtingskaarten. Gemeenten met een eigen archeologische dienst werken daar meestal al mee. ‘En ik begrijp dat adviesbureaus graag onderzoek doen, maar je kunt bouwplannen natuurlijk goed aan het bureau bekijken: als ze niet diep gaan, hoef je soms geen eens vooronderzoek te doen, want dan wordt er ook niets bedreigd.’

 

Los daarvan noemt ze het een grote vooruitgang dat archeologisch onderzoek nu een vast onderdeel is van het proces. Corien Bakker: ‘We kunnen het onderzoek nu afdwingen. Het hoort er in een vroeg stadium bij, wordt meegenomen in de kosten en kan zo - ook een uitgangspunt van het verdrag- nog invloed hebben op de ruimtelijke ontwikkeling.’

 

Hoewel dat laatste in een stad als Den Haag eigenlijk illusie is, geeft ze toe: ‘De druk op de vierkante meters in de binnenstad is natuurlijk heel groot. In het buitengebied kun je nog weleens kiezen om te schuiven met een plan, in het centrum gebeurt dat niet.’

 

Zo is ook het ‘in situ’ behouden ‘in de praktijk in Den Haag, als je met parkeerkelders en tunnels bezig bent, toch erg moeilijk. Je haalt meestal alles overhoop. Vanuit het convent willen we meer onderzoek doen naar archeologie-vriendelijk bouwen. Of je bijvoorbeeld op een andere manier kunt funderen zodat je van een vindplaats misschien maar 10 procent verstoort en de rest van de archeologie onder een gebouw behoudt.’

 

Hogepriesters

 

Als archeoloog zou hij eigenlijk blij moeten zijn met de enorme toename van archeologisch onderzoek, maar de beperkte blik van wat hij ‘hogepriesters archeologen’ noemt, bevalt hem niet, zegt Boudewijn Goudswaard. Hij is directeur van The Missing Link, een in Woerden gevestigd archeologisch adviesbureau. Archeologen richten zich te zeer op de wetenschappelijke waarde van het onderzoek vindt hij, terwijl het maatschappelijk perspectief veel meer nadruk zou moeten krijgen.

 

‘Ik heb te vaak meegemaakt dat ik met een aantal betrokkenen en de wethouder in een put naar een paar verkleuringen stond te staren. Dat moet ophouden!’ The Missing Link pleit in publicaties voor het fenomeen Reverse Archaeology. Aan de hand van verwachtings- en waardenkaarten kun je op voorhand al redelijk goed voorspellen wat je in de bodem aan zult treffen, zegt Goudswaard. ‘En dan moet je kiezen. Wát wil je naar boven halen, welk verhaal kan je daarmee vertellen in de ruimtelijke ordening.’

 

Die keuze moet niet voorbehouden zijn aan archeologen, vindt hij. ‘Ook de overheid, ook projectontwikkelaars en burgers moeten mee mogen praten.’ Archeologie moet toegevoegde waarde leveren. Niet in de zin van een doos scherven in een museum en een rapport, maar ‘het beleefbaar maken van archeologie in de ruimte’.

 

‘Dat kan. Een oude Romeinse weg kan (landschaps) architecten inspireren. Op het Floriade-terrein bij Venlo - dat na 2012 bedrijventerrein wordt- ‘kun je straks een broodje eten bij een grafheuvel. Daarmee geef je zo’n gebied meerwaarde, een historische identiteit. Als je archeologie gebruikt kan je misschien mooiere huizen en mooiere openbare ruimte maken. Een inspirerende leefomgeving en beter verkoopbare projecten. Dus niet al het geld in archeologisch onderzoek stoppen, maar ook een deel reserveren voor de vraag: wat kan je ermee dóen?’

 

Ontwikkelaars zouden inderdaad graag wat meer in de melk te brokkelen willen hebben wat betreft het verplichte archeologische onderzoek, bevestigt Jan Fokkema, directeur van de Neprom. ‘Als ontwikkelaar komt de rekening vaak bij ons. Wij betalen, maar mogen niet bepalen. We zijn formeel opdrachtgever, maar we hebben geen invloed op de onderzoeksvraag. De beroepsgroep bepaalt vooral nog veel zelf. Ik zou graag wat helderder criteria zien, nu wordt vaak het zekere voor het onzekere genomen en daarvoor betalen we met z’n allen een hoge prijs.

 

'De kosten worden uiteindelijk verdisconteerd in het gerealiseerde bouwwerk. Je hoopt dat meer onderzoek ook meerwaarde voor de burger betekent, maar daar merk ik nog niet zoveel van. Je zou criteria moeten hebben: wat voor vondsten vinden we van lokaal of nationaal belang? En als het daar niet aan voldoet, dan houden we er ook geen rekening mee.’

 

Verzameldrift

 

De kritiek op de ongebreidelde en te wetenschappelijk gerichte ‘verzamelen bewaardrift’ van archeologen, is enigszins achterhaald, vindt Corien Bakker. Alle partijen erkennen dat archeologie meerwaarde kan hebben voor een gebied en de bewoners: in straatnamen, speelplaatsen en reconstructies komt de onzichtbare geschiedenis van een plek steeds vaker terug.

 

In een ondergronds station van de Haagse tram bijvoorbeeld zijn ‘waterputten’ met glazen deksels gemaakt, waarin een deel van de gevonden bodemschatten te zien is. Onlangs liet Den Haag een vijf meter hoge replica van een kruik maken, die was gevonden bij graafwerk voor de Hubertustunnel. Archeologie is tegenwoordig populair: ‘Voor die waterputten lukte het om in no time 335.000 euro bij allerlei partijen bij elkaar te kletsen.’

 

De eigentijdse archeoloog maakt lespakketten, organiseert publieksopgravingen, opendagen, geeft lezingen op scholen, brengt dvd’s uit en timmert qua pr stevig aan de weg. ‘Uit onze stadsenquête bleek dat in 2002 slechts 25 procent van de mensen ons kende, nu is dat 50 procent. We twitteren nog net niet allemaal, maar de tijd dat een archeoloog een in zichzelf gekeerde man was, met een kwastje in z’n hand en op sandalen, is voorbij.’

 

De wet

 

De nieuwe Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) verplicht het uitwerken van archeologisch onderzoek binnen een termijn van 2 jaar. Er is op dit moment nog een grote achterstand op dat gebied, die deels wordt ingelopen door het door het ministerie van OCW gesubsidieerde Odysseeprogramma. ‘Voor je begint te graven moet je natuurlijk weten of er ooit al onderzoek gedaan is.’

 

1 euro per meter

 

Archeologisch onderzoek wordt onder verdeeld in bureauonderzoek, booronderzoek, het graven van proefputten/sleuven en opgravingen. Een definitieve opgraving duurt in Nederland gemiddeld 20 werkdagen. In 2008 waren er in totaal 208 complete opgravingen in Nederland vonden er in totaal meer dan 4500 archeologische onderzoeken plaats.

 

De kosten van het onderzoek hangen natuurlijk vooral samen met de grootte van het terrein en de lokatie. In een Haagse uitbreidingswijk kostte het 1 euro per vierkante meter, in de Hubertustunnel (binnenstadslokatie) vijf keer zoveel.

Verstuur dit artikel naar Google+

Vacatures

Dossier: coronavirus

Afbeelding

 

In dit dossier leest u alle artikelen van Binnenlands Bestuur over het coronavirus.