of 59345 LinkedIn

‘Neokoloniaal gedrag Marokkanen’

Barry van Heijningen Reageer
Paul Andersson Toussaint sprak met tientallen jongere en al wat oudere Nederlandse Marokkanen uit het Amsterdamse stadsdeel Slotervaart die wél willen deugen, maar die voor de media onzichtbaar blijven. Hoe komt het dat zij slaagden en hun vroegere vrienden crimineel werden? Een interview.

‘Als je ziet dat het schip aan het zinken is, dan ga je de mensen helpen, dan ga je niet wegkijken’, zegt Aouatif Tawfik, beleidsadviseur radicalisering bij het Amsterdamse stadsdeel Slotervaart, waar Ahmed Marcouch stadsdeelvoorzitter is. Zij is een van de tientallen Nederlandse Marokkanen met wie NRC-journalist Paul Andersson Toussaint uitgebreid sprak voor zijn binnenkort te verschijnen boek Staatssecretaris of seriecrimineel. Het smalle pad van de Marokkaan, dat hij in opdracht van Politie en Wetenschap schreef.

 

Zijn gesprekspartners maken deel uit van een groeiende groep Marokkanen die het goed doet in de Nederlandse maatschappij. Zij studeren, werken hard, doen vrijwilligerswerk, hebben een bijna mateloze ambitie en doen er alles aan om Slotervaart te ontdoen van zijn criminele imago. Maar ze komen nooit bij NOVA of bij Pauw en Witteman. ‘Daar zie je altijd de werkelijkheidsontkenners en de geschiften’, constateert Andersson. Daar is hij niet nieuwsgierig naar.

 

Andersson wilde weten hoe het komt dat de onzichtbaren wél het goede pad zijn opgegaan, terwijl een deel van hen uit precies dezelfde achterstandsbuurt komt en vaak dezelfde achtergrond heeft als probleemgevallen. En ook waar het mis ging in de opvoeding van een grote groep foute Marokkanen en waar hun boosheid en haat vandaan komen.

 

Uit de verhalen van zijn gesprekpartners distilleert hij een aantal factoren die in meer of mindere mate bepalend zijn voor de keuze tussen het goede en het foute pad. Opgroeien in een gemengde wijk, de provincie of in een concentratiewijk, de gezinsgrootte, rolmodellen in de omgeving, een goede school, een werkende vader of moeder en het belangrijkste van alles: de betrokkenheid en de inzet van de opvoeders.

 

Andersson: ‘Maar je kunt er niet één uithalen die echt alles bepalend is. Binnen hetzelfde gezin kan er één jongen zijn die het heel goed doet, terwijl zijn broer een draaideurcrimineel is. Om het in de cultuur te zoeken vind ik heel moeizaam. Als je dan toch een culturele factor wilt noemen, dan is de straatcultuur heel belangrijk. Die is heel negatief, zeer macho en deels crimineel, maar die is veel breder dan de Marokkaanse cultuur, als je daar al van kunt spreken.’

 

Racisten

 

Voor alles geldt dat je eerst het probleem in zijn ware gedaante moet willen zien, stelt Andersson. ‘Daarna kun je een goede analyse maken om tot oplossingen te komen. Maar daar zijn we nog niet eens aan toe, al denken we vaak van wel. Er lopen nog een heleboel werkelijkheidsontkenners rond. Sommige concentratiewijken in Geuzenveld (een andere Amsterdamse probleemwijk; red.), bijvoorbeeld, zijn veel groter dan het Overtoomse Veld, waar veel van de problemen in Slotervaart zich concentreren. De verwachting is dat over tien, vijftien jaar zestig procent van de bevolking daar allochtoon is, maar de stadsdeelvoorzitter ziet geen problemen.

 

‘Wethouder Lodewijk Asscher heeft er wel oog voor, maar Cohen totaal niet en een groot deel van de PvdA ook niet. Die blijven eerder spreken van een reeks incidenten. Ik vind Fatima Elatik (de stadsdeelvoorzitter van de Amsterdamse wijk Zeeburg; red.) een heel goede politica, maar je hoort haar wel zeggen dat allochtonen zich helemaal niet meer bezighouden met hun etnische identiteit. Volstrekte bullshit, net als haar uitspraak dat het percentage lastpakken en criminele Marokkanen heel klein is. Ik denk dat die groep in Amsterdam vele duizenden jongens telt.’

 

Dat wegkijken sluit aan bij de slachtofferrol die het gedrag van een deel van de Marokkanen kenmerkt. Andersson: ‘ Zo’n slachtoffercultuur moet in je profiel passen. Dat geldt niet alleen voor Marokkanen, maar ook voor autochtone Nederlanders. Je moet als slachtoffer te herkennen zijn. Dan word je geholpen, je krijgt een uitkering, en als je fout gedrag vertoont, heb je een rechtvaardiging, want je wordt gediscrimineerd. Als de buitenwereld je ook als slachtoffer blijft zien, dan wordt die rol bestendigd.'

 

'Een deel van de welzijnssector en de politie heeft jarenlang die houding gehad. Ga je in de fout, dan geven we je extra geld voor een jongerencentrum. Daarmee hebben welzijnswerkers een hele foute houding ontwikkeld, maar daar moet wel bij gezegd worden dat ze ook een hele foute opdracht hadden. Ze moesten het tuig van straat houden en binnen halen. Als ze daarin slaagden, deden ze het goed.’

 

Andersson somt de risico’s van die handelwijze op: ‘Je wordt als overheid medeplichtig aan criminaliteit, je subsidieert het zelfs en je geeft die foute jongens een sterke basis, een thuishonk. Met de kans dat de groep die op de wip zit, ook mee gaat doen, terwijl de welwillende groep in de verdrukking komt.’

 

De Duitse socioloog Heinz Bude ziet in West-Europa een groeiende onderklasse van uitgeslotenen ontstaan, die het gevoel heeft geen stem, invloed en betekenis te hebben. Geldt dat beeld ook voor de jonge, criminele Marokkanen in Amsterdam-West? Andersson: ‘In veel opzichten zijn ze helemaal niet uitgesloten. Hun vaders krijgen een uitkering, huursubsidie, ze kunnen taalcursussen volgen. Er zijn enorm veel activiteiten om hen bij de samenleving te betrekken. Ze zijn absoluut niet tot outcast gemaakt, misschien hebben ze dat zelf wel gedaan.

 

Een groot deel van de gastarbeiders zijn hier indertijd tamelijk warm ontvangen, maar een groot deel van de Marokkanen heeft zich als neokoloniaal gedragen. Ze kwamen hier om geld te verdienen, maar ze hebben nooit geïnvesteerd in de maatschappij, niet in hun kinderen, niet in hun behuizing. Als ik even chargeer dan hebben ze hun kinderen opgevoed tot racisten met een zeer vijandige houding tegenover Nederland en daarbij is een grote groep nog crimineel ook. Je kunt moeilijk beweren dat die groep gediscrimineerd wordt als je jezelf jarenlang ernstig misdraagt.’

 

Langere straffen

 

Marokkanen mogen dan in hoge mate zelf verantwoordelijk zijn voor de dramatische ontwikkelingen binnen hun gemeenschap, Andersson tekent daar wel bij aan dat de Nederlandse overheid in verschillende gedaanten daar op een negatieve manier aan heeft bijgedragen. ‘ Het begon al in de jaren tachtig toen Turkse en Marokkaanse werknemers massaal in de WAO belandden. Er is niets gedaan om die mensen weer aan het werk te helpen.’

 

Als Andersson door Amsterdam-West fietst, ziet hij in sommige buurten aan bijna elk huis een schotelantenne. ‘Die sterke concentratie van allochtonen heeft te maken met het beleid van de woningcorporaties. Misschien is het niet heel bewust gebeurd, maar als je niets doet om segregatie te voorkomen, ontstaat die vanzelf.’ En dan zijn er ook nog de werkelijkheidsontkenners uit de politiek, de welzijnssector en bij de politie, de slechte kwaliteit van het onderwijs in de achterstandsbuurten en de manier waarop de rechtstaat heeft gefunctioneerd, vooral de rechtelijke macht.

 

De auteur vindt dat er veel sneller en langer moet worden gestraft. ‘Als zo’n criminele jongen al wordt gestraft - de kans daarop is overigens niet zo groot – dan gebeurt dat pas een half jaar na het vergrijp. Die trage sanctionering versterkt de positie van dat soort jongens in het foute straatmilieu en ook thuis.’ Andersson meent dat de daders veel te vaak bevestigd worden in het idee dat ze met hun gedrag weg kunnen komen, dat ze weinig risico lopen. En intussen verliezen de slachtoffers hun vertrouwen in de rechtstaat: ze worden bang, houden voortaan hun mond of gaan verhuizen.

 

‘Mensen die aangifte willen doen na een bedreiging, worden daartoe sterk ontmoedigd door de politie. Die laat weten er niets mee te zullen doen. Ik heb dat meermalen zelf ondervonden. Het accent ligt nu sterk op de daders, terwijl je eerder zou moeten kijken naar de wijze waarop je de maatschappij het best kunt beschermen.’

 

Wat dit laatste betreft, doet zich wellicht een onverwachte mogelijkheid voor. Toussaint beschrijft in zijn boek dat ambtenaren er vorig jaar zomer op het stadsdeelkantoor van Slotervaart achter kwamen dat zeventig procent van de tweehonderd Marokkaanse probleemjongeren die op een shortlist staat alleen een tijdelijke verblijfsvergunning heeft die elke vijf jaar ‘automatisch’ werd verlengd, ook als ze veroordeeld waren voor strafbare feiten. Hun ouders hadden zich nooit laten naturaliseren en daardoor bezaten ook hun kinderen niet de Nederlandse nationaliteit.

 

Op het stadsdeelkantoor werd geschat dat de helft van de Marokkanen in Nederland formeel niet de Nederlandse nationaliteit heeft. Dat zou betekenen dat leden van deze groep bij een veroordeling het land uitgezet kunnen worden. Andersson: ‘Die zeventig procent is geen officieel cijfer, maar ik heb het van een heel betrouwbare bron binnen het stadsdeel. Ahmed Marcouch heeft dat aan de grote klok gehangen, maar het is aan de vreemdelingendienst om te beslissen over verlenging van een tijdelijke verblijfsvergunning.

 

Er is intussen al wel een aantal mensen uitgezet, onder andere een paar leden van de criminele Mondriaangroep. Staatssecretaris Albayrak heeft ook al laten weten dat er een eind moet komen aan die klakkeloze verlengingen, maar intussen is Tofik Bibi van Groen- Links dwars gaan liggen. Het is allemaal nog niet duidelijk hoe het zal aflopen.’

 

Optimistisch

 

In een laatste gesprek met de auteur toont stadsdeelvoorzitter Marcouch zich voorzichtig optimistisch. Op een deel van de scholen verbetert de situatie, de aanpak van de straat- en gezinsbezoekers werkt, ouders aanspreken op hun verantwoordelijkheid is normaal geworden en er is een duidelijke afname van criminaliteit. Andersson deelt die indruk. ‘Er is in ieder geval heel langzaam een andere mentaliteit aan het groeien. Het gelaten accepteren van overlast en criminaliteit maakt plaats voor een andere kijk. Maar de groep tuig is heel groot. Er moet nog veel overwonnen worden.’

 

Paul Andersson Toussaint, Staatssecretaris of seriecrimineel. Het smalle pad van de Marokkaan, Bert Bakker/Prometheus, Amsterdam, 2009, ISBN 978 90 351 3443, 248 pagina’s, 17,95 euro.

 

Verstuur dit artikel naar Google+