of 59045 LinkedIn

Gemeente en grondbedrijf: omgaan met het VPB-spook

Cor Overduin Reageer

De wet ten aanzien van evidente ondernemingsactiviteiten, zoals bijvoorbeeld het grondbedrijf, zou met terugwerkende kracht in gevoerd moeten worden, om te voorkomen dat gemeenten vennootschapsbelasting moeten betalen over grondposities waarop ze verlies hebben geleden.

Met ingang van 2016 worden gemeenten belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting inzake hun zogenoemde “overheidsbedrijven”. De Brusselse eis van een gelijk speelveld is hiervan de oorzaak. Gemeenten die commerciële activiteiten ontplooien, moeten daarom ook belasting over hun winst betalen. Een gelijke fiscale behandeling ten opzichte van het bedrijfsleven dus. Er is echter bij de invoering één groot buikpijndossier voor de gemeenten: het grondbedrijf. 


Gemeenten hebben de afgelopen jaren forse verliezen hebben geleden op hun grondbedrijf. Dat is op zich erg vervelend, maar de aanstaande heffing van vennootschapsbelasting (VPB) vergroot deze wond met nog eens 25 procent..

 

Een belastingplichtige moet een fiscale openingsbalans opstellen. Op die balans moeten de bezittingen en schulden gewaardeerd worden tegen de waarde in het economisch verkeer. Simpel vertaald: de werkelijke waarde per 1 januari 2016. Als na 1 januari 2016 de waarde van de grondpositie stijgt, moet over die waardestijging bij realisatie dus VPB worden betaald door de gemeente.

Gemeente A koopt in 2006 een perceel van 100 hectare tegen een prijs van 200 euro per m2, totale aanschafkosten derhalve 200 miljoen euro. Door het uitbreken van de crisis blijft de gemeente ‘zitten’ met deze grond en per 1 januari 2016 is de grond niet meer dan 50 euro per m2 waard. Op de fiscale openingsbalans mag de grond dus niet voor 200 miljoen euro gewaardeerd worden, maar moet deze op ‘slechts’ 50 miljoen euro gewaardeerd worden. Als vervolgens in 2018 deze grond wordt verkocht tegen een prijs van 90 euro per m2, dan behaalt de gemeente een fiscale winst van 40 euro per m2, in totaal 40 miljoen euro. Bij een VPB-tarief van 25 procent zal de fiscus dus een aanslag VPB opleggen aan de gemeente van 10 miljoen euro (25 procent van 40 miljoen euro). En dat terwijl de gemeente een verlies op deze grondpositie lijdt van 110 miljoen euro.

In de grondposities van alle gemeenten gezamenlijk zijn inmiddels miljardenverliezen ontstaan. Tijdens het wetgevend proces is reeds gewezen op dit potentiële probleem. De staatssecretaris heeft echter geen ruimte gezien om een oplossing te bieden. Toch denk ik dat er wel een oplossing is: voer deze wet ten aanzien van evidente ondernemingsactiviteiten, zoals bijvoorbeeld het grondbedrijf, met terugwerkende kracht in. Normaal gesproken is dat ‘vloeken in de fiscale kerk’. Maar in dit geval zullen de getroffenen dit eerder als een voordeel dan een nadeel zien. Het kan gemeenten helpen om een slecht startmoment qua VPB-plicht te voorkomen.

Het kan naar mijn mening nooit de bedoeling van een wet zijn die een gelijk speelveld beoogt, dat gemeenten belasting moeten betalen over posities waarop geen winst is of zal worden behaald. Bovendien kan terugwerkende kracht in dit geval niet op bezwaren uit Brussel stuiten. Uit die hoek is immers steeds het geluid dat Nederland eigenlijk al veel eerder die VPB-plicht voor overheidsbedrijven had moeten invoeren. Brussel wordt dus alsnog op haar wenken bediend. Commerciële marktpartijen die achteraf beschouwd ook te duur hebben ingekocht, kunnen die verliezen fiscaal wel in aanmerking komen, omdat zij altijd al VPB-plichtig waren.

Bij invoering met terugwerkende kracht zijn er uiteraard allerlei uitvoeringsproblemen. Maar betere aansluiting bij de realiteit lijkt mij belangrijker. De keuze van een gemeente om de VPB met terugwerkende kracht in te voeren voor evidente ondernemingsactiviteiten, zal niet vrijblijvend mogen zijn. Als wordt gekozen voor de terugwerkende kracht, dan moet dat dus wel voor alle jaren gelden vanaf de eerdere startdatum. Omdat in het belastingrecht  vijf jaar een algemeen gehanteerde termijn is, kan de optie van ‘terugwerkende kracht’ terugwerken naar 1 januari 2010 of 2011. Gemeenten die daar een beroep op doen, zullen dan dus wel over de afgelopen vijf jaar alsnog een aangifte VPB moeten indienen..

Cor Overduin, fiscaal partner verbonden aan Grant Thornton Adviseurs en accountants

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.