Onderkant arbeidsmarkt niet vergeten
Nederland verkeert inmiddels officieel in een recessie die van grote invloed is op de stand van de arbeidsmarkt. De werkloosheid loopt snel op en om begrijpelijke redenen gaat veel aandacht uit naar het opvangen van de gevolgen van de crisis. Deeltijd-WW moet bedrijven helpen overleven, mobiliteitscentra leiden mensen van werk naar werk en er worden actieplannen gesmeed om dreigende jeugdwerkloosheid aan te pakken. Het risico is aanzienlijk dat een tweedeling op de arbeidsmarkt, die al bestond in een situatie van hoogconjunctuur, nu verder wordt vergroot.
In Nederland hebben ruim 250 duizend mensen, waaronder jongeren, onder meer vanwege opleiding, arbeidshandicap of maatschappelijke problemen, grote moeite om werk te vinden dat bij hen past. De komende jaren zal dit aantal zeker oplopen tot ruim 350 duizend. Voor werkgevers zijn ze niet aantrekkelijk omdat ze niet volledig productief zijn en minder opleveren dan het wettelijk minimumloon. Om te voorkomen dat deze groep de prijs van de recessie betaalt, moet er gelijktijdig in de bovenkant en de onderkant van de arbeidsmarkt worden geïnvesteerd.
Het huidige kabinet zet de kaarten op de uitvoeringsorganisatie UWV Werkbedrijf als het gaat om de uitvoering van de sociale zekerheid en het bemiddelen van werkzoekenden naar werk. Hier ligt de primaire verantwoordelijkheid voor alle uitkeringsgerechtigden die werkloos of arbeidsongeschikt zijn. Gemeenten blijven echter verantwoordelijk voor bijstandsgerechtigden en mensen die aangewezen zijn op de sociale werkvoorziening. Inmiddels wordt volop gebouwd aan samenwerking tussen gemeenten en UWV Werkbedrijf op zogenaamde ‘werkpleinen’.
Het zal veel inspanningen vergen om twee probleemhouders zodanig te laten samenwerken dat daadwerkelijk werkzoekenden en werkgevers centraal komen te staan. Veel tijd wordt gestoken in het opzetten van een nieuwe organisatie- en uitvoeringsvorm. Dit roept de vraag op of er wel de volle aandacht aan werkzoekenden besteed kan worden. En dat terwijl juist nu alle zeilen moeten worden bijgezet.
Daarnaast keert regelmatig de discussie terug of - en in welke mate- reïntegratie- inspanningen effectief zijn. Er is nog steeds onvoldoende bekend over de wijze waarop competenties van moeilijker te bemiddelen werkzoekenden en hun kansen op de arbeidsmarkt worden afgezet tegen de vraag van werkgevers.
Burgers horen centraal te staan in het denken en handelen van de overheid, uitvoeringsvraagstukken dienen dit doel te ondersteunen. Werkzoekenden en werkgevers, daar hoort het om te draaien want voor een effectief langetermijnarbeidsmarktbeleid gaat het uiteindelijk om het bij elkaar brengen van deze partijen. Daarbij horen aandacht voor de bovenkant en de onderkant van de arbeidsmarkt hand in hand te gaan.
Voor deze laatste groep ligt er een heel goed aanknopingspunt bij een in het najaar van 2008 door oud-minister Bert de Vries uitgebracht rapport (commissie fundamentele herbezining WSW, Werken naar vermogen). Rond dit rapport is het in de media, volstrekt onterecht, veel te stil geweest. Op verzoek van het kabinet heeft De Vries onderzocht op welke wijze zoveel mogelijk mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt bij reguliere werkgevers aan de slag geholpen kunnen worden. Hij komt tot één aanpak voor mensen die niet zelfstandig in staat zijn het minimumloon te verdienen. In de sociale werkvoorziening, de bijstand, de Wajong en een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Het gaat om hun kansen en niet om de vraag wie voor hun uitkering of bemiddeling verantwoordelijk is. Velen van hen zijn immers niet volledig productief en dat moet dan ook centraal staan in een ‘loonwaardebenadering’. Werkgevers betalen voor de productiviteit die iemand nog wel heeft en worden door de overheid gecompenseerd voor het ontbrekende deel. Op deze wijze werkt iedereen met een afstand tot de arbeidsmarkt naar vermogen en betalen werkgevers alleen voor wat ze krijgen.
Het is tegenwoordig heel goed mogelijk om op basis van een diagnose en een scan van het potentieel van mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt te komen tot een duurzame plek bij werkgevers. Ook de loonwaarde kan goed onderbouwd worden. Het instrumentarium is er. Het kabinet wil de voorstellen van De Vries tot 2012 met pilots gaan uitproberen. Er is echter veel meer snelheid geboden om klaar te zijn als het economisch tij keert.
Hak nu knopen door en geef de onderkant van de arbeidsmarkt dezelfde prioriteit als de bovenkant en richt een echt nieuw stelsel in dat de toekomst aankan. Het zal een investering zijn die loont. Straks is immers iedereen nodig om het land draaiende te houden en tevens een tweedeling op de arbeidsmarkt en in de samenleving te voorkomen.
Harry Vogelaar, Voorzitter Dariuz, een initiatief van TNO, een aantal sociale werkvoorzieningsbedrijven en een reïntegratiebedrijf.