Armoedeval en minimabeleid
De impact van bezuinigingen is niet gering op mensen die recht hebben op inkomensondersteunende maatregelen. Het gaat om ongeveer 1,3 miljoen mensen met een inkomen tot 110 procent van het sociaal minimum.
Voor menige bezuiniging op zowel landelijk als lokaal niveau wordt hij aangevoerd door bestuurders: de armoedeval. De armoedeval is het fenomeen dat het voor mensen met een laag inkomen niet loont om betaalde arbeid te aanvaarden, vanwege het verlies van rechten op allerlei inkomensondersteunende maatregelen. Hoewel niet alle minima perspectief op werk hebben, worden zij wel allemaal geraakt door maatregelen die gerechtvaardigd worden met een beroep op beperking van de armoedeval.
Het inkomen van minima kan verkregen worden uit een bijstandsuitkering, ouderdomsuitkering, werkloosheidsuitkering, inkomen uit arbeid dan wel onderneming, of een uitkering wegens ziekte dan wel arbeidsongeschiktheid. Bij mensen met een ouderdomsuitkering en bij volledig arbeidsongeschikten bestaat geen enkel perspectief op werk. Verder heeft een belangrijk deel van de bijstandspopulatie een ontheffing van de arbeidsplicht. Per saldo leeft maximaal 50 procent van de minima in een situatie waarbij het aanvaarden van werk een reële optie is.
Uit onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) uit 2007 bleek dat er maar zeer beperkte aanwijzingen bestaan voor een armoedevaleffect en dat ontvangers en niet-ontvangers van inkomensondersteuning even hard zoeken naar werk. Overigens gaf het Centraal Planbureau (CPB) kort hierna in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) aan dat er wel degelijk effect is op het zoekgedrag naar werk, onder verwijzing naar internationaal onderzoek. Recenter (2010) heeft de Inspectie Werk en Inkomen onderzoek gedaan naar de uitvoering van het armoedebeleid door onder meer gemeenten. Eén van de conclusies was dat verwachtingen over gedragseffecten van inkomensregelingen niet altijd overeenkomen met de praktijk. Een meerderheid van de werkzoekenden accepteert ook werk zonder direct economisch voordeel.
Hoewel beleidsmakers veelal veronderstellen dat de armoedeval een belangrijke invloed heeft op het zoekgedrag naar werk, is de onderbouwing van deze stelling vatbaar voor discussie.
Versoberingen in het minimabeleid worden vrijwel nooit onderbouwd met de stelling dat de inkomenspositie van minima te royaal is. Vaak worden deze bezuinigingen onderbouwd met het argument dat de armoedeval daarmee bestreden wordt. Bij het hanteren van dat argument moet wel bedacht worden dat ten eerste bij ongeveer de helft van alle minima de armoedeval zich niet kan voordoen, omdat het aanvaarden van werk voor hen geen optie is. Voor deze groep resulteren versoberingen in het minimabeleid uitsluitend in een verslechterde inkomenspositie.
Ten tweede is bij de groep minima, waarbij zich de armoedeval theoretisch voor kan doen, de extra prikkel om op zoek te gaan naar werk beperkter dan vaak wordt aangenomen. Ook bij deze groep is het effect van de bezuiniging meestal niet meer dan een verslechterde inkomenspositie.
Maarten Werksma en Gerhard Stegehuis, beiden werkzaam bij Bureau BS&F te Zwolle
Reactie op dit bericht
Helaas is de definitie verkeerd en daarmee wordt het artikel er niet beter op. Die armoedeval is de geconstateerde achteruitgang bij de stap uit de bijstand door de aan de bijstand gekoppelde voorzieningen voor minima. De negatieve koppeling m.b.t. aan het werk te gaan is er daarna aan gekoppeld op dezelfde manier als het telkens terugkerende 'de bijstand moet laag blijven om er anders geen prikkel is om aan het werk te gaan' (even vergetende dat ze daarmee de werkelijk arbeidsongeschikten tot aan hun dood op het minimum laat leven).