Schuldgevoel
Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kwam vorige maand met het bericht dat sinds de invoering van de Wet Werk en Bijstand in 2004 het aantal bijstandsgerechtigden is gedaald van 336.000 eind 2003 tot 302.000 eind 2006. Nog een opsteker: in 2005 verlieten bijna 22.000 mensen die al twee tot vijf jaar een uitkering hadden de bijstand, bijna tweeëntwintig procent meer dan in 2004. Dit zijn opvallende cijfers, omdat in het verleden vooral mensen uit de bijstand raakten die nog maar kort een uitkering hadden.
Des te teleurstellender is het te moeten constateren dat, ondanks de economische groei, de schuldhulpverlening minder succesvol is dan in 2003, een jaar vóór de invoering van de Wet Werk en Bijstand. Uit een recente studie van het SGBO, het aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gelieerde onderzoeks- en adviesbureau, blijkt dat niet alleen de hoogte van de schuld van degenen die in een schuldhulpverleningstraject terechtkomen met een derde is toegenomen - van ruim zestienduizend euro in 2002 tot bijna tweeëntwintig duizend euro in 2006 -, maar ook dat er minder hulpverleningstrajecten succesvol worden afgerond. In 2003 was dat nog vijftig procent tegen 31 procent in 2006. Daarbij komt nog dat bijna de helft van degenen die een beroep doen op gemeenten om voor een dergelijke regeling in aanmerking te komen daarvan verstoken blijft. Dat komt erop neer dat van degenen die zich aanmelden slechts twintig procent succesvol wordt geholpen.
Dit alles wijst erop dat gemeenten tot een meer effectieve aanpak moeten komen van de hardnekkige schuldenproblematiek onder hun burgers. Om te beginnen zou het een goed signaal zijn om het aantal medewerkers dat zich hiermee bezighoudt - 1,5 fte in 2002, 1,1 in 2005 - te vergroten. Gemeenten zouden zichzelf een goede dienst bewijzen wanneer zij erin zouden slagen om in een periode van voorspoed de scheiding tussen kansarmen en de rest van de samenleving te verkleinen in plaats van te vergroten.
Barry van Heijningen