of 59045 LinkedIn

Wederkerigheid duurt tot de rek er uit is

De laatste tijd hoor en lees ik veel het woord veerkracht: de veerkracht van de samenleving, de wijk, het informele circuit, de veerkracht van de burger, het gezin, de cliënt. Die veerkracht wordt gekoppeld aan het meer, beter, intensiever gebruiken van de eigen kracht van mensen en de krachten in hun netwerk. Hij wordt als het ware gezien als de motor voor wederkerigheid.

Men gaat er op voorhand vanuit dat die veerkracht er is, en ook dat die nu onvoldoende aangesproken wordt door mensen. Maar is dat waar? En vooral, hoe zit dat met de mensen die zelf veel ondersteuning hebben, zorg behoeven, die niet vanzelfsprekend participeren? Door hen worden immers de grootste kosten gemaakt. Dus bij hen zijn ook de grootste winsten te boeken. We verwachten meer veerkracht van vooral deze burgers. Of dat kan weten we niet zeker, maar vooruitlopend op die vermeende veerkracht van mensen, hebben we alvast de bezuiniging ingeboekt, in de vurige hoop dat onze vooronderstellingen kloppen.

 

Om dit te checken verrichtten we vorig jaar, in opdracht voor de Raad van de Volksgezondheid, een kwalitatief onderzoek naar de rek van zeer kwetsbare burgers. 45 gesprekken met mensen die zelfstandig wonen, maar veel zorg om zich heen hebben. Mensen met ernstige psychische problematiek, jongeren met een verstandelijke beperking, een ernstige fysieke beperking, ouderen met psychische en lichamelijke problemen) We probeerden te achterhalen hoe groot bij hen de elasticiteit is, of zij wel in staat zijn tot wederkerigheid. En dat zijn ze zeker!

 

We ontdekten dat deze kwetsbare mensen al heel veel doen: ze werken, ze doen vaak vrijwilligerswerk, ze zijn menigmaal mantelzorger of betrokken lotgenoot. Hun netwerk is zeer belangrijk, maar ook erg beperkt. De ondersteuning van professionals wordt door hen als essentieel beschouwd om hun zelfstandigheid te behouden.

 

We zagen in de levens van deze mensen veel wederkerigheid - mensen die zelf zorg nodig hebben, ondersteunen tegelijkertijd ook anderen. Maar eigenlijk bijna altijd is die min of meer toevallig ontstaan, in de loop der tijd, door een samenloop van omstandigheden. Vaak logischerwijs, uit familieverbanden, of door toevallige ontmoetingen.

 

Het sturen op meer wederkerigheid in bijvoorbeeld keukentafelgesprekken roept, helaas, bij velen grote weerstand en angst op. Ik zie ook her en der in kringen van cliënten instructies opduiken over wat je wel en wat je vooral niet moet zeggen in een keukentafelgesprek. Duurzame wederkerigheid laat zich blijkbaar lastig dwingen of arrangeren, zij bestaat bij de gratie van gelijkwaardigheid en toeval.

 

Uit de gesprekken kwam een beeld naar voren van mensen die het net aan lukt om hun zelfstandige leven op poten te houden. Voor hen is het een kunstig balanceren tussen eigen kracht, hun netwerk en professionele inzet. Een evenwicht dat vaak onder druk staat. Het is net als bij een elastiekje, dat kan best een eindje uitgerekt worden, en dan nog een eindje. Maar er is altijd een punt dat je denkt, als ik nu doortrek, dan breekt het.

 

Mensen leven op maximale spanning en ook hun netwerk staat continu onder hoge spanning. Voor velen geldt dat zij regelmatig een terugval hebben en de rek er dan helemaal uit is. Dat wisselende patroon is geen uitzondering, maar is juist het kenmerk van deze groep. Een goed vangnet, zowel qua netwerk als qua professionals, is dan van het allergrootste belang.

 

Ik denk dat gemeenten zich een realistisch beeld moeten vormen van de krachten en kwetsbaarheden van deze mensen. En ook op waarde moeten schatten, want zij zijn niet alleen zorgconsumenten, maar ook belangrijke producenten, als mantelzorger, vrijwilliger of betrokken lotgenoot.

 

Ten tweede moeten we ons rekenschap geven van de limiet van het elastiek. We maken in mijn ogen een grote fout door te denken dat we ondersteuning in kunnen richten op de maximale rek van mensen en het netwerk om hen heen. Dat is vragen om moeilijkheden.

 

Daarom pleit ik voor het structureel organiseren van meer veerkracht in het systeem, meer rek in zorg en ondersteuning. Vanzelfsprekende veerkracht die meebeweegt. Ik geloof dat de decentralisaties daartoe de kansen bieden, mits ze niet heel instrumenteel worden ingezet. Het is wijs en ook humaan om een systeem van zorg en ondersteuning in te richten dat  niet uitgaat van ‘the max’, maar van het gegeven dat veerkracht voor kwetsbaren alleen dan mogelijk is als je af en toe ook terug kunt veren.

 

Marjet van Houten werkt als senior adviseur bij Movisie. Deze column is door haar uitgesproken op de wethoudersconferentie 26 november 2014 en is een verkorte weergave van haar lezing ‘De elasticiteit van wederkerigheid’, uitgesproken tijdens het Participatiedebat.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.