of 59045 LinkedIn

Machteloosheid als strategie?

Werken in de jeugdhulp is mooi en zinvol, omdat je verschil kunt maken voor kwetsbare kinderen. Het is geen makkelijk werk, vooral als het gaat om de kwetsbare kinderen in de knel als gevolg van een onveilige opvoedsituatie. Dan gaat het vaak om zeer weerbarstige problematiek waarvoor geen evidente, simpele en snelle oplossingen voorhanden zijn. Een lange adem en tevreden zijn met kleine muizenstapjes zijn nodig. 

Soms moet je als jeugdhulpprofessional al blij zijn wanneer je de problematiek enigszins beheersbaar kunt maken, om te voorkomen dat je je eigen teleurstelling organiseert. Ook moet je om kunnen gaan met inherente teleurstellingen als gevolg van mislukte trajecten en die weten om te zetten naar positieve energie om iets anders uit te proberen. Meervoudige problematiek die zich in vele jaren heeft ontwikkeld laat zich immers niet even snel en nooit geheel meer oplossen en is vaak een kwestie van vallen en opstaan, twee stappen vooruit, een stap achteruit. Om kunnen gaan met onvermijdelijke tragiek is een belangrijke vaardigheid om overeind te blijven als jeugdhulpprofessional.

 

Tegelijkertijd is optimisme een morele plicht in het vak van jeugdhulpmedewerker en ook een werkzaam bestanddeel van een bewezen effectieve aanpak ('hoop omhoog, negativiteit omlaag'). Zonder geloof dat het sowieso mogelijk is om verschil te kunnen maken voor kinderen in de knel kun je geen effectieve professional zijn. Het niet willen berusten in suboptimale oplossingen (omdat de dingen nu eenmaal gaan zoals ze gaan), het blijven zoeken naar onorthodoxe maatwerkoplossingen die wel effectief zijn, het zijn cruciale eigenschappen voor een effectieve jeugdhulpprofessional.

 

Toch komen er soms casussen voorbij die zelfs de meest gedreven en optimistische professionals de moed in de schoenen doen zakken. Wat je ook probeert, het lukt niet. De jongere in kwestie is zo beschadigd dat hij/zij zich niet laat helpen. Soms lijkt het dat er even sprake is van motivatie om hulp te accepteren, maar zodra die geboden wordt doet de jongere er alles aan om zichzelf weer onmogelijk te maken, vaak gepaard gaand met hevige agressie. Het gaat vaak om jongeren wiens diagnose een contra indicatie is voor gesloten jeugdzorg, omdat ze daar alleen maar zieker van worden. En om jongeren die, nadat ze wel in de gesloten jeugdzorg terecht komen, daar volledig mislukken. Er is letterlijk sprake van een gebroken schepping. De vele pogingen om de situatie te verbeteren vreten energie.

 

Het zijn dit soort casussen die er zelfs bij de meest excellente professionals, die prima in staat zijn om goed samen te werken, vaak toe leiden dat de heftige problematiek van de jongeren overslaat op de kwaliteit van de hulpverlening en van de samenwerking met de ouders. De vele 'mislukkingen' leiden tot grote frustraties (juist veroorzaakt door de drijfveer om het verschil te maken). Die frustraties leiden tot spanning in de samenwerking tussen professionals en met ouders, tot uiting komend in vingerwijzen en onderlinge strijd. Een klimaat waarin het zorg mijdende gedrag van de jongere in kwestie nog beter gaat gedijen. Hulpverleners en ouders worden onderdeel van het probleem in plaats van de oplossing. Gevoelens van machteloosheid, teleurstelling, verdriet en schuld worden weggedrukt door zwarte pieten en toch maar weet iets anders proberen. Met hun voortdurende pogingen om naar nieuwe oplossingen te zoeken in combinatie met toenemende onderlinge strijd houden ze, met de beste intenties, een disfunctioneel patroon in stand.

 

Onlangs kreeg ik weer een aantal van dit soort 'hopeloze' zaken onder ogen tijdens een overleg over complexe casuïstiek. Een op jonge leeftijd geadopteerde jongen wiens reactieve hechtingsstoornis vanaf de puberteit was gaan opspelen, die alle vormen van (gedwongen) jeugdhulp en jeugddetentie al zonder resultaat had doorlopen en aan het afglijden was op het criminele pad. Een zwaar autistische jongen, niet gemotiveerd voor welke hulp dan ook met een contra indicatie voor gesloten jeugdzorg die aan het zwerven was geraakt. Een meisje met een jarenlange geschiedenis van mislukte jeugdhulptrajecten, inclusief een mislukte gesloten plaatsing, die in de ban zit van een lover boy netwerk met alle schadelijke en zelfs gevaarlijke seksuele contacten van dien.

 

Ik vroeg me hard op af of het niet beter was om onze machteloosheid maar gewoon toe te geven en los te laten. Met instandhouding van een vertrouwde contactpersoon die laagdrempelig beschikbaar is voor de jongere op het moment dat die jongere dat zelf vraagt, zonder dat die steeds probeert de jongere weer een richting op te duwen waar hij/zij op dat moment niet heen wil, hoe onveilig dat ook voor hem/haar is. In de wetenschap dat deze jongeren dan ongetwijfeld verder zullen afglijden met alle risico’s van dien. In de hoop dat er een moment komt dat de jongere zo diep is gevallen dat er alsnog motivatie voor hulp ontstaat. Die dan wel direct beschikbaar moet zijn.

 

Toen ik die vraag stelde zag ik de mengeling van een vreemd soort opluchting en grote weerstand bij de aanwezige hulpverleners. Opluchting in verband met de erkenning dat niemand gehouden is tot het onmogelijke. Weerstand tegen de berusting in een situatie die daarmee onvermijdelijk verder zou gaan verslechteren. Weerstand ook, vanwege de ook altijd in dit soort zaken aanwezige momenten terug in de tijd waar we het, met de kennis van nu, beter hadden kunnen en moeten doen, waarin we kansen hebben gemist. Waardoor we nu extra het gevoel hebben dat we het niet mogen opgeven, omdat we wat goed te maken hebben, ook al weten we dat die geschiedenis niet meer ongedaan kan worden gemaakt. Weerstand ook uit angst om de schuld te krijgen van ouders en anderen op het moment dat het inderdaad stevig mis gaat.

 

Toch vraag ik mij af in hoeverre wij de jongeren in kwestie in dit soort extreme situaties verder helpen door maar te blijven proberen nadat alles al geprobeerd is. Het wordt naar mijn mening op zijn minst tijd om onszelf meer de vraag te gaan stellen of we machteloosheid van hulpverleners en ouders niet meer als bewuste strategie moeten gaan inzetten in dit soort zeer complexe situaties. In de hoop dat het laagdrempelige contact op het moment dat de jongere er zelf aan toe is uiteindelijk voor de meeste jongeren tot betere uitkomsten leidt dan het voortmodderen en onderling strijd leveren zoals we dat nu meestal doen. Daarbij accepterend dat het dus ook slecht kan aflopen. In de wetenschap dat het vrijwel zeker slecht afloopt als we maar door blijven gaan met proberen.

Erik Gerritsen 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Erin Brunink (Uithuisgeplaatst kind) op
Ik vroeg me hard op af of het niet beter was om onze machteloosheid maar gewoon toe te geven en los te laten. Met instandhouding van een vertrouwde contactpersoon die laagdrempelig beschikbaar is voor de jongere op het moment dat die jongere dat zelf vraagt, zonder dat die steeds probeert de jongere weer een richting op te duwen waar hij/zij op dat moment niet heen wil, hoe onveilig dat ook voor hem/haar is. In de wetenschap dat deze jongeren dan ongetwijfeld verder zullen afglijden met alle risico’s van dien. In de hoop dat er een moment komt dat de jongere zo diep is gevallen dat er alsnog motivatie voor hulp ontstaat. Die dan wel direct beschikbaar moet zijn.


Erik, dit vind ik echt een goed stuk!!
Door Erik Gerritsen (Auteur van deze column) op
Beste Arie veel dank voor deze wijze en mooie reactie.
Door Arie Stuijt (oud mens, met ervaring(en) (75)) op
Begin (weer) bij "aanspreekbaarheid". Begin met naast die ander (jeugdige die je meent te moeten/kunnen/zullen/willen) helpen te gaan zitten. Inderdaad ook jezelf "overgevend" in die situatie als "machteloze", want alle machtshefbomen hebben immers gefaald? Daar zitten we dan, maar wél samen En blijf dan stil en durf te wachten. Ik zit naast je en hoe langer dat duurt, hoe meer ik deel in hoe jij je voelt. Maar ik breng er niets over in. Is er iets waarop jij mij en ik jou kàn aanspreken?