of 59054 LinkedIn

De zachte Buddha en het harde graniet

‘Misschien moeten we minder op zoek naar signalen van radicalisering, zoals de lange baard of de halflange hoofddoek, maar meer naar mensen die klem zitten,’ zei Hoogleraar terrorisme Edwin Bakker vorige maand in de Volkskrant. Die opmerking is me uit het hart gegrepen. Radicalisering is een containerbegrip geworden.

Ik zou best nog een stap verder willen gaan: het labelen van kinderen als ‘radicaliserend’ kan een averechts effect hebben. Niet alleen is de stigmatiserende werking vervelend; het leidt ook af van de kern waar het echt om gaat. Want op zo’n groot begrip als radicalisering kun je helemaal niet acteren. In de onderzoeken die gerelateerd zijn aan de gewelddadige Jihad waar we als Raad voor de Kinderbescherming bij betrokken zijn, is één aspect heel duidelijk: bij jongeren die lijken te radicaliseren, ligt er altijd een onderliggend probleem aan ten grondslag. Welk concreet gedrag laat een jongere zien waardoor hij bijvoorbeeld wil afreizen naar een oorlogsgebied? Zondert hij zich af? Gaat ze niet meer naar school? Voelt hij zich buitengesloten door vrienden of familie? Iedere jongere en de situatie waarin hij zich bevindt, is uniek. Aan ons de taak, om het etiket ‘radicalisering’ er af te peuteren en te kijken naar wat er werkelijk aan de hand is. Dán kunnen we de voorwaarden scheppen waaronder hulp kan worden geboden.

 

Want bij een sterk vermoeden van een ontwikkelingsbedreiging van een minderjarige en een reële kans dat de hulp om die dreiging af te wenden niet wordt geaccepteerd, volgt het verzoek tot een raadsonderzoek. De verwachting is dat binnen een gedwongen kader de noodzakelijke hulp voor het gezin wel tot stand komt. Soms gaat dat razendsnel. Is met een kinderbeschermingsmaatregel het uitreizen voorkomen, dan wordt het netwerk van familie en vrienden geactiveerd, waardoor de hulp na korte tijd vrijwillig kan worden voortgezet.

 

In de periode februari 2013 tot 24 juni 2015 zijn bij de RvdK 49 unieke aan jihadisme gerelateerde kindzaken in onderzoek genomen. Het ging om 32 kinderen in gezinsverband en om 17 individuele minderjarige potentiële vertrekkers naar een oorlogsgebied. Daarbij zien we een dalende trend. Scholen, wijkteams en wijkagenten zijn de ogen en oren van gemeenten en hebben vaak het eerste zicht op jongeren die lijken te radicaliseren. Contact leggen en hulp bieden in een vroeg stadium, helpt uitreisplannen voorkomen.

 

Kinderen en jongeren zijn in ontwikkeling. Hun brein is nog niet volgroeid en ze nemen soms beslissingen waar ze de consequenties niet van overzien. In het geval van jongeren die af willen reizen naar IS, is dit ook het geval. Vaak zitten ouders en familie ook met hun handen in het haar, en hebben behoefte aan hulp. In de kinderbescherming handelen we daarbij ‘warm, but firm’; met vertrouwen en empathie voor het kind en zijn situatie, maar met duidelijke grenzen. Ofwel vanuit de compassie van Buddha en met de hardheid van een blok graniet.


Annette Roeters
Meer columns van Annette Roeters leest u hier

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Jaap op
Waarom is het beeld van een blok graniet nodig naast de noodzaak van compassie op de manier van Buddha? Gaat het niet om maatwerk, gericht op de persoon in de context van zijn bestaan en de beïnvloeding die hij daarin ondervindt, aangereikt en/of opgedrongen krijgt (direct en via media)?