Spreiden zonder etnische component
Om de segregatie in het Amsterdamse basisonderwijs tegen te gaan, sloten de gemeente Amsterdam, de stadsdelen en de basisscholen recent het convenant 'Kleurrijke Scholen'. In het convenant staan een paar opmerkelijke maatregelen. Zo mogen ouders hun kinderen aanmelden als ze twee jaar zijn, maar worden ze pas op vierjarige leeftijd daadwerkelijk op een school geplaatst, en wel op volgorde van geboortedatum. Partijen willen zo voorkomen dat zo met name allochtone ouders bij de schoolkeus voor hun kind buiten de boot vallen. Vooral deze groep meldt kinderen laat aan, en loopt het risico dat een school dan vol zit.
Ook willen de convenantondertekenaars het spreidingsbeleid op basis van postcode voor 55 van de 207 Amsterdamse basisscholen loslaten. Het gaat dan om basisscholen in gemengde wijken, die toch geen afspiegeling van de buurt zijn: 42 scholen zijn te wit, in vergelijking met de buurtpopulatie en dertien scholen te zwart. Voor deze scholen willen de ondertekenaars van het convenant een passend voorrangsgebied rond de school vaststellen, zodat de grens van het postcodegebied geen belemmering meer vormt om de school te mengen.
Groepsaanmelding
Meest opvallende maatregel in het convenant gaat over 'groepsaanmelding' en 'duo-aanmelding'. Als witte ouders collectief hun kinderen aanmelden op een zwarte school, of vice versa, krijgen ze voorrang. Voorrang krijgen ook ouders die tegelijkertijd een zwart en een wit kind op een school aanmelden.
Hamvraag is of deze constellatie juridisch waterdicht is. Als een verbolgen ouder naar de rechter stapt omdat zijn/haar zoon of dochter door deze maatregel buiten de boot valt, blijven deze maatregelen dan overeind? 'Ja', zegt Ben Vermeulen, hoogleraar staats- en bestuursrecht verbonden aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en lid van de Onderwijsraad. 'Deze maatregel blijft overeind. Het gaat hier namelijk niet meer om zwarte of witte kinderen, ook al staat dat nog wel zo in het convenant.'
Feitelijk zijn de maatregelen gebaseerd op de zogenaamde 'gewichten' van de kinderen, en deze gewichten zijn sinds de wetswijziging van augustus 2006 - Wet op het Primair Onderwijs - niet meer gekoppeld aan etnische afkomst, maar op het opleidingsniveau van de ouders. Vermeulen: 'Bij de spreiding gaat het nu om de zogenaamde 1.2 leerlingen en de overige leerlingen. Bij 1.2 leerlingen gaat het om leerlingen waarvan beide ouders, of als het een eenoudergezin is, die ene ouder, een zeer laag opleidingsniveau hebben.'
Volgens de definitie gaat het dus niet meer om spreiding via etnische lijnen, maar is dat ook daadwerkelijk zo? 'Natuur is het zo dat het opleidingsniveau in significante mate spoort met de afkomst', zegt Vermeulen. 'En dus met etniciteit. In de termen van de gelijke behandelingswetgeving, waarbij de belangrijkste is de Algemene Wet Gelijke Behandeling, noemen we dat 'indirect onderscheid'.
Indirect onderscheid kan gerechtvaardigd worden, als er een hele goede reden voor is. Je moet dus een goede argumentatie hebben. De Onderwijsraad heeft deze zeer uitputtend beschreven in zijn advies uit 2005 Bakens voor Spreiding en Integratie. Dus eigenlijk implementeert hier de gemeente Amsterdam het advies van de Onderwijsraad. Natuurlijk zijn we in het advies niet precies ingegaan op de vraag welke situaties precies dit onderscheid rechtvaardigen. Maar áls je denkt dat onderscheid maken echt nodig is, dan moet je het ongeveer zo doen, zoals Amsterdam het nu aanpakt.'
Moeilijk voorspelbaar
Vermeulen is zelf sinds 1994 verbonden aan de Onderwijsraad en een van de schrijvers van het bewuste rapport Bakens voor Spreiding en Integratie. Is hij blij dat Amsterdam hiermee aan de slag gaat? Vermeulen: 'Blij is niet het goede woord. Ik vind het initiatief zeker sympathiek, maar weten of het werkt, doen we niet. We weten niet of je zo daadwerkelijk gemengde scholen krijgt, omdat je toch zit met moeilijk voorspelbaar keuzegedrag. Bovendien weten we niet of de cohesie van de samenleving of de prestaties van de leerlingen hierdoor daadwerkelijk verbeteren.
Het standpunt van de Onderwijsraad is dat je op basis van het bevorderen van integratie en het verbeteren van het niveau van de achterstandsleerlingen, je bij gebrek aan harde bewijzen dat dit werkt, het voorlopig eens moet proberen. Het is een proeftuintje. Uit Amerikaans onderzoek blijkt een zekere samenhang tussen de iets betere prestaties van de leerlingen en de gemengde samenstelling van de groep. Maar dat is niet beslissend en ook zeker niet zomer overplantbaar naar de Nederlandse situatie. De invoering van het convenant zal dan ook zeker wetenschappelijk gevolgd moeten worden.'
Ook voor het werken met 'passende voorrangsgebieden' is volgens Vermeulen door de wetswijziging van augustus 2006 een wettelijke grondslag gecreëerd. Vermeulen: 'Dus ook in die zin vind ik het convenant juridisch wel houdbaar. De wetgever roept in feite zélf de gemeenten en schoolbesturen op om te mengen. Het gaat om een evenwichtige spreiding van achterstandsleerlingen over verschillende scholen en er is géén sprake van een etnische component. Dus ik denk dat het wel kan, bij gebrek aan beter. Bovendien staat het ook letterlijk in het regeerakkoord dat segregatie moet worden tegengegaan. Dus is er ook politieke steun.'