of 59054 LinkedIn

Meer behoefte aan ‘poetshulp’ en begeleiding

Sinds de invoering van de Wmo 2015 krijgt drie procent van de Nederlandse volwassenen minder huishoudelijke hulp. Lang niet iedereen weet de weg naar het gemeentelijk Wmo-loket te vinden. Dat blijkt uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP).

Zo’n acht procent van zelfstandig wonende Nederlandse volwassenen heeft meer hulp nodig dan hij nu krijgt. Er is vooral behoefte aan (meer) hulp bij het huishouden en begeleiding. Sinds de invoering van de Wmo 2015 krijgt drie procent van de Nederlandse volwassenen minder huishoudelijke hulp. Lang niet iedereen weet de weg naar het gemeentelijk Wmo-loket te vinden.

Dagelijkse handelingen

Dat blijkt uit het onderzoek Zorg en ondersteuning in Nederland: kerncijfers 2015 van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Ruim een op de zeven zelfstandig wonende mensen (bijna twee miljoen mensen) ontving in 2015 zorg en ondersteuning. De groep bestaat vooral uit mensen met ernstige lichamelijke beperkingen, ouderen, alleenwonenden en mensen met een laag inkomen. Zij krijgen met name hulp bij de dagelijkse handelingen, zoals hulp bij het huishouden, aan- en uitkleden en het verzorgen van wonden.

 

Hulp bij huishouden

Die hulp wordt voor een deel gegeven door de partner, vrienden en familie (9 procent). Ruim 6 procent van de hulpbehoevende krijgt (publiek gefinancierde) professionele hulp. 3 procent van de hulpbehoevenden regelt en betaalt de hulp zelf. Hulp in het huishouden wordt het meest ontvangen (11 procent), gevolgd door persoonlijke verzorging (4 procent), begeleiding (4 procent) en verpleging (2 procent). In 2015 kregen minder mensen hulp in het huishouden dan in 2014, het jaar voor de invoering van de Wmo 2015.

 

Hervormingen

De oorzaak van de verminderde huishoudelijke hulp wordt niet zo zeer veroorzaakt door gemeenten die het mes hebben gezet in de huishoudelijke hulp, blijkt uit het onderzoek. De daling zit ‘m vooral in de informele helpers. Bijna 7 procent van de Nederlandse volwassenen ontving in 2015 huishoudelijke hulp van iemand uit het sociale netwerk; in 2014 ging het om 10 procent. Waarom mantelzorgers afhaken, is volgens het SCP lastig vast te stellen. ‘Allereerst is een tijdspanne van twee jaar te kort om verschillen te kunnen duiden: we kunnen nog niet spreken van een trend. Ten tweede werd als gevolg van de hervormingen verwacht dat de hulp die het sociale netwerk biedt juist zou toenemen.’ De verwachte verschuiving naar meer particulier gefinancierde hulp heeft (nog) niet plaatsgevonden, stelt het SCP verder.

 

Publiek gefinancierd

Van de 75-plussers – bijna 10 procent van de zelfstandig wonende Nederlanders – krijgt 44 procent een vorm van zorg en ondersteuning. Fiks minder dan in 2014, toen dat percentage op 54 procent lag. De daling zit ‘m vooral in de ontvangen hulp bij het huishouden. Een duidelijke oorzaak van die daling kan het SCP niet geven. De daling doet zich zowel voor bij verminderde informele hulp, als bij publiek en privaat gefinancierde hulp, aldus een van de onderzoekers van het SCP. Gemeentelijke beleidswijzigingen (versobering of schrappen huishoudelijke hulp) zijn dus voor een deel de oorzaak van die daling, maar er wordt ook door hulpbehoevenden zelf minder hulp ingekocht. Daarnaast is sprake van minder hulp door mantelzorgers. Het SCP kan pas over een paar jaar zeggen of er sprake is van een echte trend.

 

Meer hulp nodig

Zo’n 8 procent van de zelfstandig wonende Nederlandse volwassenen geeft aan meer hulp nodig te hebben. Een derde van hen ontvangt nog helemaal geen zorg en ondersteuning. Vooral aan hulp bij het huishouden (5 procent) en begeleiding (3 procent) is behoefte. Deze taken vallen onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015). Een aantal groepen Nederlanders heeft bovengemiddeld behoefte aan meer zorg en ondersteuning. Van de mensen met matige of ernstige beperkingen die hulp krijgen, zegt 37 procent meer hulp nodig te hebben. Bij mensen met dergelijke beperkingen die nog geen zorg en ondersteuning ontvangen, ligt dat percentage op 9 procent. Ook onder 75-plussers is de behoefte aan meer hulp bovengemiddeld hoog. Van de 75-plussers die nu al hulp ontvangen, zegt 16 procent meer nodig te hebben. 7 procent van de 75-plussers zonder hulp, geeft aan deze wel nodig te hebben.

 

Onbekendheid met Wmo-loket

Lang niet iedereen is bekend met het Wmo-loket. Zes op tien volwassenen weten dat ze voor hulp en ondersteuning bij het Wmo-loket kunnen aankloppen; vier op de tien dus niet. Ten opzichte van 2014 is hierin geen verandering opgetreden. Ongeveer 5 procent van Nederlandse 18-plussers heeft contact gehad met het Wmo-loket. Onder ouderen en mensen met een beperking is de bekendheid het grootst. 

 

Afbeelding

 

 

Afbeelding

 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Francoise op
In Rotterdam zijn uitkeringsgerechtigden aan de slag gezet voor sociaal werk. Goed voorbeeld voor andere gemeenten!
Door Trevor op
Ik zou denken dat voor normaal werk een normaal salaris betaald moet worden. Hemeltergend, dat telkens weer morrelen aan uitkeringen.
Door Leo Bolte op
Een optie om dit probleem op een budgettair gunstige wijze aan te pakken is het principe "werken voor een uitkering" op zorgvuldige wijze toe te passen.
Er kan gezocht worden naar mensen, die best nog graag iets willen doen in een gestructureerde setting. Te denken valt aan mensen die nog licht werk kunnen doen in de vorm van begeleiding of personen die een uitkering krijgen en kunnen poetsen.