of 59221 LinkedIn

Wijkteams overbelast

Sociale wijkteams zijn de spil van de veranderingen in het sociale domein. Maar ze komen om in het werk. En dan houdt de bureaucratie hen ook nog eens van het werk.

Sociale wijkteams zijn de spil van de veranderingen in het sociale domein. Maar ze komen om in het werk. En dan houdt de bureaucratie hen ook nog eens van het werk.

Burgers vallen tussen wal en schip

De wijk in en kwetsbare burgers opzoeken. Op tijd erbij zijn, verergering van problemen en een beroep op zwaardere zorg voorkomen. Waar mogelijk inwoners met behoefte naar collectieve voorzieningen loodsen, in plaats van individuele. Niet meteen in de hulpverleningsstand schieten en soms op je handen zitten. Mensen bij elkaar brengen. Alle goede bedoelingen ten spijt: juist deze voornemens schieten er bij sociale wijkteams vaak bij in.

Het is geen onwil, geen onbekwaamheid van de sociale werkers. Maar in negen van tien gemeenten met wijkteams kampen die met onvoldoende capaciteit, een zware caseload en hoge werkdruk, volgens een gezamenlijke inventarisatie van onderzoeksbureau Movisie, het Nederlands Jeugdinstituut en Vilans. Het gevolg: wachttijden en burgers die tussen wal en schip vallen.

De gemeente Nijmegen lijkt exemplarisch voor de bevindingen van de onderzoekers. Lijkt, want Nijmegen heeft de oorzaak van de wachttijden nog niet boven, laat de woordvoerster van verantwoordelijk wethouder Bert Frings (GroenLinks) weten. De caseload van medewerkers in de wijkteams is hoog en de wachttijden voor cliënten lopen op. Is er te weinig personeel? Is alle benodigde expertise aanwezig? Zijn het de administratieve lasten? Nijmegen weet het gewoon niet.

De gemeente heeft eenmalig (extra) geld uitgetrokken voor tijdelijke uitbreiding van de teams. De budgetsubsidie loopt tot eind 2017. ‘De werving en aanstelling van nieuwe medewerkers is net achter de rug, we kunnen nog niet zien of dat een positief effect heeft op de werkdruk’, aldus de woordvoerster. De gemeente laat de keten nu door een externe partij doorlichten. ‘Dat moet meer inzicht geven in de nieuwe keten die sinds anderhalf jaar functioneert.’ Daar moeten we het even mee doen, want tot de afronding van het onderzoek wil Nijmegen er verder niets over kwijt.

Veel hectiek
‘We zijn twee jaar onderweg, maar we hebben minstens vier jaar nodig om alles goed op de rit te krijgen’, schat Monique van Esterik, manager van het sociaal wijkteam in Zwolle. ‘Er is nog veel hectiek en de werkdruk blijft aandacht vragen. Maar niet meer zoals vorig jaar. Toen werden we geleefd. Ik durf wel te stellen dat we nu in control zijn. We hebben zicht op wat er nog te doen valt, wat beter kan, en wat de effecten zijn van bepaalde keuzes.’

Zwolle liet het er volgens haar niet bij zitten en schoot het sociaal wijkteam te hulp met geld voor structurele en tijdelijke extra formatiekracht. ‘De werkbelasting komt niet alleen voort uit onderbezetting, maar ook uit ontwikkelingen in de jeugdhulp, met wachtlijsten en minder plaatsen’, aldus Van Esterik.

Een deel van de bureaucratie is volgens haar onvermijdelijk, omdat die voortvloeit uit wettelijke regels. ‘Vroeger hoefde je alleen een beschikking op te stellen voor Wmo-voorzieningen. Nu moet dat voor het hele spectrum: jeugd, Wmo, individuele begeleiding bij participatie, de hele administratie rondom de persoonsgebonden budgetten.’ Zwolle probeert de registratieen verantwoordingskraam waar mogelijk weg te houden bij de werkers van het sociaal wijkteam.

Hoezeer bureaucratie als hinderlijk wordt ervaren, hangt er volgens Van Esterik ook maar net vanaf wie je ernaar vraagt. ‘Medewerkers van een gemeente kijken daar anders naar dan die van partnerorganisaties. Laatstgenoemden hoefden vroeger misschien alleen gesprekverslagen te schrijven, maar nu ook ondersteuningsplannen. Terwijl mensen van de gemeente juist minder administratieve handelingen hoeven te verrichten. Het is inmiddels al stukken minder bureaucratisch dan bij de start.’

Ard Sprinkhuizen, lector Maatschappelijk Werk aan Hogeschool InHolland zegt dat de caseload van sociale wijkteams ‘je vaak aanvliegt’ is en dat er ‘met enige regelmaat aan de alarmbel getrokken wordt’. ‘De professionals doen hun gloeiende best’, zegt hij. Maar het besef dat cliënten door uiteenlopende redenen niet altijd of niet snel genoeg de ondersteuning of zorg krijgen die ze nodig hebben, drukt volgens hem zwaar op sommigen. ‘Dit type professionals, zeker de goede, werkt vanuit een soort roeping. Het is geen beroep waarbij je de deur achter je dicht trekt en zegt: bekijk het maar.’

Niet rijp
Tijdelijke maatregelen, zoals in Nijmegen en Zwolle, ontlasten de teams, maar Sprinkhuizen, die veel onderzoek doet in het sociale domein, vindt dat er meer nodig is dan een incidentele schep geld. De infrastructuur van de civil society is volgens hem nog niet rijp voor de transformatie. ‘Het opbouwwerk is er voor een groot deel tussenuit gesloopt, jeugd- en jongerenwerk heeft geen stevige positie meer en er is niet geïnvesteerd in de infrastructuur bij kerken en moskeeën, sportclubs en buurtverenigingen. Mensen gaan niet uit zichzelf van alles voor elkaar doen.

Dit vraagt om een stevige investeringsagenda. Als je veel verwacht van de voorkant, moet je dáár investeren.’ Geld hoeft het probleem niet te zijn, denkt Sprinkhuizen, al zit dat nu verstopt in ‘complexe systemen. ‘In tweedelijnsvoorzieningen gaat per jaar ongeveer 100 miljard om: in de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg. Als je een klein deel van die 100 miljard richting gemeenten schuift, kan het budget dat ze nodig hebben voor het versterken van de civil society worden verdubbeld, zonder dat iemand met de ogen knippert.’

Het is naar Sprinkhuizens idee naïef te veronderstellen dat problemen die al decennialang bestaan met een paar wetswijzigingen zijn te verhelpen. ‘De teams krijgen te maken met armoede, opvoedingsproblemen, huiselijk geweld, mensen die met de rug naar elkaar staan, wijken en buurten die niet goed meekunnen. Hardnekkige problemen. Eigen kracht ontwikkelen, outreachend werken [het actief benaderen van inwoners met een zorg- of ondersteuningsvraag in hun eigen leefwereld], de sociale veerkracht in de wijk versterken, een structuur die dat mogelijk maakt – dat staat allemaal niet een, twee, drie.’

In de weg
Naar Sprinkhuizens schatting komt 80 procent van de leden van wijkteams uit de hulpverlening, het soort professionaliteit dat volgens hem de beoogde manier van werken mogelijk in de weg zit. ‘Maatschappelijk werkers, verpleegkundigen, mensen uit de schuldhulpverlening, ambtenaren van het Wmo-loket – allemaal professionals die met een bepaalde bril naar de werkelijkheid kijken. Zij signaleren problemen en lossen die op, maar zijn gewend dat op individueel niveau te doen. De andere 20 procent – de opbouw- en jongerenwerkers – zoekt het vanuit vakmanschap misschien meer in de collectiviteit. Als je teams construeert waarin het leeuwendeel van de professionals van oudsher die hulpverleningsblik heeft, wordt het moeilijk om dat outreachend werk en de gewenste inzet op algemene voorzieningen vorm te geven.’

Daarnaast blijkt de werkwijze van professionals binnen en buiten wijkteams niet goed op elkaar aan te sluiten. Hulp- en zorgverleners uit wat voorheen ‘de tweede lijn’ was - jeugdzorg, de GGZ, de huishoudelijke zorg – hebben volgens Sprinkhuizen ‘de substitutieopdracht van zwaardere naar lichtere zorg minder goed in de vingers’. ‘De organisaties waar ze vandaan komen waren naar binnen gekeerde bastions en moeten zich nu naar buiten keren’.

Afschuiven
Sociale teams op hun beurt moeten ervoor waken cliënten te laat door te verwijzen. ‘Het op- en afschalen tussen eerste en tweede lijn heeft nu vaak meer het karakter van afschuiven dan van adequaat samenspel’ vindt Sprinkhuizen, ‘terwijl juist in dat samenspel de meerwaarde zit. Maar zoals gezegd dan moet de ondersteunende kwaliteit van de basisinfrastructuur, dus scholen, buurthuizen, speelplaatsen, alle gelegenheden voor onderlinge bekommernis en verheffing, wel op orde zijn. Dat is ze niet’.

Aanbod creëert vraag, constateert Joyce Langenacker, in Haarlem coördinerend PvdA-wethouder voor het sociale domein. Ook daar is de werkdruk in de teams hoog. ‘Niet alleen omdat er veel klanten op afkomen, maar ook omdat we nieuwe vraag genereren. Door de aanwezigheid in de wijk vinden we mensen die zich hadden afgekeerd van de zorg.’ Met het outreachend werken zit het volgens de wethouder wel goed in Haarlem. Aan de samenstelling van de teams wordt tot op de dag van vandaag gesleuteld. ‘We hebben gemerkt dat negen van de tien klanten schulden heeft.

Als mensen eerder bij de schuldenproblematiek worden geholpen, verkleint dat vaak de problematiek op andere levensgebieden. We hebben op jaarbasis 400.000 euro extra vrijgemaakt om de sociale wijkteams ook op dit onderdeel beter te equiperen, zodat ze de schulddienstverlening zelf kunnen oppakken. Werkenderwijs merk je waar de druk zit.’

Naarmate de vertrouwdheid met nieuwe werkzaamheden groeit, zullen stress en werkdruk volgens Langenacker afnemen. ‘De kern van het sociaal wijkteam is dat wat je in het verleden hebt geleerd om te zetten in een generalistische blik en aan de andere kant meer te kijken naar het collectieve in plaats van het individu. Ik geloof meteen dat zo’n cultuur- en gedragsverandering een hele opgave is. Daar moeten we doorheen. De een pakt dat sneller op dan de ander, maar ik zie echt enthousiasme bij de medewerkers.’


Afbeelding

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.