of 59236 LinkedIn

Vertrouwen in decentralisaties stijgt ietsjes

Het vertrouwen in de decentralisaties maatschappelijke ondersteuning, ouderenzorg en jeugdhulp neemt licht toe, maar bijna de helft van de Nederlanders is nog steeds sceptisch. De waardering voor de jeugdhulp en die voor de sociale wijkteams is het afgelopen jaar afgenomen. Dat blijkt uit onderzoek van I&O Research. 

Het vertrouwen in de decentralisaties maatschappelijke ondersteuning, ouderenzorg en jeugdhulp neemt licht toe, maar bijna de helft van de Nederlanders is nog steeds sceptisch. De waardering voor de jeugdhulp en die voor de sociale wijkteams is het afgelopen jaar afgenomen. Dat blijkt uit onderzoek van I&O Research. 

Het onderzoeksbureau heeft voor de vierde keer de ‘thermometer’ in de decentralisaties Wmo en jeugdhulp gestopt. De eerste keer gebeurde dat in december 2014; net voordat gemeenten verantwoordelijk werden voor de uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Medio en eind 2015 en eind vorig jaar werd het onderzoek herhaald. Aan de laatste meting deden bijna 11.000 Nederlanders mee, waarvan de helft een vorm van hulp of ondersteuning vanuit de Wmo en/ of de Jeugdwet krijgt. Doel van het langlopende onderzoek is het in kaart brengen en in de tijd volgen van het effect van de decentralisaties op de waardering van de geboden zorg en ondersteuning.

Het vertrouwen in positieve effecten van de decentralisaties groeit licht. Voordat de Wmo 2015 en de Jeugdwet van kracht werden, gaf 54 procent van de Nederlanders aan er geen vertrouwen in te hebben dat de hulp en zorg door de decentralisaties beter zou worden dan daarvoor. Slechts 13 procent had er wel fiducie in. In 2015 was het aantal criticasters weliswaar licht afgenomen, maar zag nog altijd een meerderheid van de Nederlanders de decentralisaties niet zitten. In de laatste peiling (eind 2016) stelt een op de vijf Nederlanders dat de decentralisaties goed uitpakken en is het aantal mensen dat er geen vertrouwen in heeft gedaald naar 47 procent. Het aandeel Nederlanders dat weinig vertrouwen heeft in positieve effecten van de decentralisaties is nog wel altijd ruim twee keer zo groot als het aantal Nederlanders dat er wel vertrouwen in heeft.

Het minste vertrouwen is er in de uitvoering van de ouderenzorg (Wmo). Een op de drie Nederlanders verwacht dat de taken op het gebied van de ouderenzorg op termijn slechter zullen worden uitgevoerd. Bij jeugdzorg is dat een kwart. Zeven op de tien Nederlanders zijn tegen verdere bezuinigingen op de zorg; een stijging van zeven procent in vergelijking tot 2014 en van drie procent ten opzichte van 2015.

Niet goed luisteren
De waardering van de geleverde zorg en ondersteuning ligt nog altijd lager dan in 2014. Gemiddeld wordt de professionele hulp of zorg door hulpbehoevenden (zorggebruikers) in 2016 met een 7,4 gewaardeerd; even hoog als in het eerste jaar van de decentralisaties, maar lager dan de 7,7 in 2014. Huisgenoten of familie van de zorggebruikers (naasten) zijn met een 7,1 minder tevreden over de geboden zorg dan de zorggebruikers zelf, maar zijn wel iets tevredener dan vorig jaar toen de professionele hulp met een 7 werd gewaardeerd. Voor de decentralisaties waardeerden huisgenoten en familie de hulp aan naasten met een 7,2.

Ruim een op de tien zorggebruikers (11 procent) geeft een onvoldoende aan de geboden hulp; een lichte toename in vergelijking met 2014 en 2015, toen 9 procent van de Nederlanders een onvoldoende uitdeelde. In de top vijf van redenen om een onvoldoende te geven, staat de lange wachttijd voordat de hulp op gang kwam met 57 procent met stip op één. Dat is meer dan een verdubbeling ten opzichte van 2015. Het niet goed naar de hulpvrager luisteren staat met 50 procent op twee, gevolgd door te veel organisaties die niet goed samenwerken (43 procent). Het steeds maar weer dezelfde gegevens geven staat met 42 procent op vier. Te veel doorverwijzingen zijn eveneens een belangrijke reden voor zorggebruikers om een onvoldoende uit te delen.

I&O-onderzoeker Rachel Beerepoot noemt het opvallend dat er op deze punten zoveel onvrede is. ‘Meer samenwerken was het credo van de decentralisaties. Dat blijkt nog niet echt van de grond te komen.’ De kritiek dat er niet goed wordt geluisterd, kan ‘m er volgens Beerepoot in zitten dat er minder hulp wordt gegeven dan gevraagd. ‘Als je te horen krijgt dat je meer op eigen kracht verder moet en minder hulp krijgt, kan dat een gevoel geven dat er niet goed naar je wordt geluisterd.’ De onvrede over de lange wachttijd is volgens Beerepoot te verklaren in de wettelijke termijnen die er, bij bijvoorbeeld de Wmo, tussen melding en beschikking zitten. ‘Mensen wachten vaak al een tijdje voordat ze echt hulp gaan vragen. Ze willen dat die hulp dan zo snel mogelijk op gang komt.’

Opvoedproblemen
De grootste ontevredenheid zit in de jeugdhulp. De waardering hiervoor daalde vorig jaar verder van gemiddeld een 7,6 in 2014 via een 7,2 in 2015 naar gemiddeld een 7,0 het afgelopen jaar. Ouders met opvoedproblemen waarderen de geboden hulp (met een 6,6) het laagst. Voordat de jeugdhulp onder de verantwoordelijkheid van gemeenten viel, werd deze nog met een 7,4 gewaardeerd. Ook ouders van een kind met gedrags- of psychische problemen zijn met een 7,1 niet alleen minder tevreden dan in 2014 (7,7), maar ook meer ontevreden dan vorig jaar toen de waardering op 7,2 lag. De waardering van de hulp door ouders voor een kind met verstandelijke beperking lag in 2014 op 7,6 en nu op 7,0 en is daarmee iets gestegen ten opzichte van de 6,8 in het eerste jaar van de decentralisatie. De zorg en ondersteuning die vanuit de Wmo wordt ontvangen, wordt net als in 2015 het beste (met een 7,4) gewaardeerd. Voor de decentralisaties werd deze zorg met een 7,7 gewaardeerd. Opvallend vindt Beerepoot de discrepantie tussen vertrouwen in en waardering over de gedecentraliseerde taken, ook al zit bij jeugd de meeste pijn. ‘Het vertrouwen is relatief laag, terwijl de zorg en ondersteuning relatief hoog wordt gewaardeerd. Het beeld en de werkelijkheid lopen uiteen. Hier is nog een wereld te winnen.’

De waardering voor de sociale wijkteams is in 2016 ten opzichte van 2015 licht gedaald. De hulp die mensen van de wijkteams kregen, werd vorig jaar met een 6,6 beoordeeld. Een jaar eerder lag dat op een 6,7. Een kwart van de mensen die bij het wijkteam aanklopten, gaven het wijkteam een (dikke) onvoldoende. Deze mensen stellen dat er te weinig specialistische kennis aanwezig is (47 procent), het te lang duurt voor de hulp kon worden geboden en dat er slecht wordt geluisterd (beide 42 procent). Bijna de helft van de mensen die contact zoekt met het wijkteam is zeer tevreden over het team. Zij geven het wijkteam een 8 of hoger.

Betuttelende eisen
Voor de decentralisaties werd aan professionals gevraagd wat de verwachte gevolgen van de overheveling van taken naar gemeenten zouden zijn voor hun eigen werk. Een kwart van hen dacht toen (in 2014) dat het werk zou veranderen en 38 procent schatte in dat er weinig zou veranderen. In de laatste meting (2016) is gepeild wat er van die verwachting is uitgekomen. Bijna een op de drie professionals geeft aan dat het werk is veranderd, tegen 47 procent die zegt dat het werk (nog) niet is veranderd. De grootste wijzigingen hebben plaatsgevonden in de ouderenzorg, de thuiszorg en de maatschappelijke ondersteuning.

Niet iedereen is even enthousiast over de veranderingen. Bijna een op de vijf professionals beoordeelt de veranderingen in het takenpakket als overwegend positief. 37 procent vindt de veranderingen overwegend negatief. Nog eens 42 procent heeft zowel goede als slechte ervaringen met het veranderde takenpakket. ‘Als gemeentelijk beleidsmedewerker kan ik veel beter een integrale probleemaanpak bevorderen. Dat is beslist noodzakelijk’, stelt een van de respondenten. ‘De schotten moeten nog veel meer verdwijnen tussen de verschillende onderdelen in het sociaal domein.

Het rijk zegt dat te willen, maar stelt vervolgens wel allerlei betuttelende eisen. Dat is kortzichtig en dom. We hebben voldoende aan wat hoofdkaders, maar geen ‘overkill’ aan onzinnige nonsens zoals nu vaak gebeurd.’ ‘De decentralisatie van de jeugdzorg maakt dat de behandelvormen kritisch onder de loep genomen worden. Vooral doen wat werkt, zo kort mogelijk en dicht mogelijk bij huis. Dat is positief’, stelt een andere professional. ‘Negatief is de verantwoording naar de gemeenten. Ook de financiering is een ramp.’ ‘Er worden te veel veranderingen doorgevoerd’, stelt weer een ander. ‘Het is niet meer bij te benen en veel is dan ook nog onduidelijk. Het lijkt mij alleen om de centen te draaien. Het heeft allemaal weinig meer met echte zorg te maken.’  


Afbeelding

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.