of 59045 LinkedIn

Overheid levert banen niet

Op schrift staat het er stoer. ‘In tien jaar tijd 25.000 banen creëren voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Dat gaan we als overheidswerkgevers voor elkaar krijgen.’ Was getekend: Ronald Plasterk, minister van Binnenlandse Zaken; Jan van Zijl, voorzitter van de MBO-Raad, en Roel Cazemier, voorzitter van het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, VNG.

De overheid realiseert te weinig werkplekken voor arbeidsgehandicapten. We roeien tegen macrotrends in, aldus banenambassadeur Hans Spigt.

Op schrift staat het er stoer. ‘In tien jaar tijd 25.000 banen creëren voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Dat gaan we als overheidswerkgevers voor elkaar krijgen.’ Was getekend: Ronald Plasterk, minister van Binnenlandse Zaken; Jan van Zijl, voorzitter van de MBO-Raad, en Roel Cazemier, voorzitter van het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, VNG.

Maar het aanvankelijke ‘Yes we can’ klinkt een toontje lager. Met minder dan twee maanden te gaan tot aan de telling van 2015 is het vrijwel zeker dat de doelstelling voor dit jaar – 3.000 extra aangepaste overheidsbanen vanaf 2013 – niet wordt gehaald. Het tijdpad was te optimistisch, denkt Hans Spigt, ambassadeur voor de uitvoering van de banenafspraken in de publieke sector (overheid en onderwijs). ‘De beweging naar een inclusieve arbeidsmarkt vraagt tijd,’ constateert de voormalige PvdA-wethouder van Dordrecht en Utrecht, jarenlang voorzitter van de commissie Werk en Inkomen van de VNG. ‘De banenafspraak is een politieke afspraak, maar je kunt niet met een druk op de knop de hele arbeidsorganisatie in Nederland wijzigen. Behalve over het plaatsen van mensen gaat het over hervormingen op de arbeidsmarkt en met name in arbeidsorganisaties. Helaas is er nog geen oplossing om massa te creëren, terwijl dat in het licht van de afspraken wel zou moeten.’

De banenafspraak houdt in dat werkgevers in Nederland tot en met 2026 in totaal 125.000 extra banen (voorheen: ‘garantiebanen’, een benaming waar werkgevers van gruwden) creëren voor de groep die valt onder de Participatiewet en die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen (zie kader volgende pagina). 100.000 daarvan moeten gerealiseerd door het bedrijfsleven; de rest is voor rekening van overheid en onderwijs. Alleen mensen die in het zogenoemde ‘doelgroepregister’ van het UWV zijn opgenomen, komen in aanmerking voor de banenafspraak. Dat is een database met gegevens van mensen die onder de doelgroepen van de banenafspraak vallen en daarop zijn (her)beoordeeld. Werkgevers kunnen het UWV vragen of iemand in het register staat.

Van diverse kanten (gemeenten, werkgevers en Divosa) is opgemerkt dat de toetsingscriteria van het UWV te rigide zijn, waardoor minder mensen geplaatst worden dan met enige souplesse mogelijk zou zijn. Maar verantwoordelijk staatssecretaris Klijnsma (PvdA, Sociale Zaken en Werkgelegenheid) wil de criteria niet oprekken, uit vrees dat de minst kansrijken anders weer achteraan moeten sluiten. 

Missionaris

Spigt trekt naar eigen zeggen ‘als een missionaris’ door het land, om te overleggen met werkgevers, gemeenten, vakbonden en UWV. ‘Onwil tref ik nergens aan’, beweert hij. ‘Vrijwel iedereen die er iets mee te maken heeft, snapt dat er iets moet gebeuren. Vanuit je maatschappelijke verantwoordelijkheid als werkgever, maar ook omdat de overheid aangesproken kan worden op haar voorbeeldfunctie.’

De moeite die het kost om de banenafspraak gestand te doen, wordt de komende jaren dwingender. Want er is ook nog een grote groep Wajongers die moet worden herbeoordeeld op arbeidsmogelijkheden. De SW zit op slot. En er komen jaarlijks naar schatting 10.000 jongeren van het voortgezet speciaal onderwijs met een arbeidsbeperking bij.

‘Koffiedik kijken,’ zegt Spigt, gevraagd hoeveel ‘banenafspraken’ van 25,5 uur of meer naar verwachting eind dit jaar wél ingevuld zullen zijn. De stand moet komen van het UWV, dat het aantal verloonde uren bijhoudt. Tijdens de laatste tussenrapportage (stand van zaken per 1 januari 2015) stond de teller van de overheidswerkgevers op ruim 1.500 extra plekken en die van de private sector (100.000 extra banen te realiseren tot 2023) op dik 9.000. Door de Tweede Kamer, maar ook door gemeentelijke bestuurders, is over die cijfers opgemerkt dat Klijnsma heeft ‘opgeplust’ door bestaande detacheringen vanuit de sociale werkvoorziening mee te tellen, waardoor het beeld tamelijk geflatteerd is.  

‘Wat concrete plaatsingen betreft heeft de overheid de afgelopen maanden niet het been bijgetrokken’, erkent Spigt. Geen kwestie van falen, vindt hij. ‘Zeker niet als het gaat om de inspanning die betrokken partijen leveren, maar die leiden niet altijd tot concrete plaatsingen. Gelukkig kunnen we constateren dat het ónder de streep – afgezet tegen het totaal van het aantal beoogde banenafspraken – wel goed gaat. Want als je de tot nu toe gerealiseerde banenafspraken van overheid en marktpartijen bij elkaar optelt, kom je op bijna 11.000 plekken, terwijl we als ‘werkgevers van Nederland’ een taakstelling hebben om voor 1januari 2016 9.000 plekken te realiseren.’

Catering en schoonmaak
Waarom haalt de overheid, anders dan de markt, haar target niet? Het geld is er volgens Spigt niet en de vacatures zijn er evenmin. ‘Bij gemeenten en andere overheids­organisaties moeten de banenafspraken binnen de formatie worden opgevangen. Komen er nieuwe functies bij, dan is dat in de regel boven de sterkte. Dat staat haaks op de bezuinigingsopdracht die overal geldt. Verder is veel facilitaire ondersteuning zoals catering en schoonmaak uitbesteed. Bij gemeenten is 80 procent van het laaggeschoolde werk ver­dwenen.’ En om laaggeschoold werk gaat het bij de banenafspraken in de meeste gevallen. ‘De Wajongers met hbo, het zogenoemde laaghangende fruit, worden er snel uitgepikt.’

Pas volgend jaar komen er definitieve nieuwe cijfers, en waarschijnlijk nog voor het eind van het jaar regionale aantallen. Maar Spigt weigert zich blind te staren op getallen, al staan de afspraken per overheidssector gedetailleerd op schrift. ‘Straks wordt het tellen van het aantal baantjes belangrijker dan het plaatsen van mensen. Dat is een gevaar: dat de exactheid van de doelstellingen en de afrekenbaarheid straks een eigen dynamiek krijgen. Het gaat dan niet meer over de kwa­liteit van de plek en de vraag of mensen daar na een maand nóg zitten. Dan worden zij de speelbal van een afrekening aan het eind en hebben we in januari 2016 een diep tranendal. Omdat we de begeleiding niet op orde hadden, of onvoldoende inzicht hadden of mensen wel in staat waren bepaald werk te doen. De snelheid mag niet de vijand worden van de zorgvuldigheid.’

Disclaimer
Maar cijfers spelen bij overheidswerkgevers wel degelijk een grote rol, tot achter de komma soms. Dat blijkt wel als Amsterdam op verzoek de aantallen gerealiseerde banenafspraken overlegt. De gemeente heeft de doelstellingen al gehaald tot eind 2016, zegt een trotse wethouder Arjan Vliegenthart (SP). De opgave is jaarlijks 42 banen te realiseren, vanaf 2013. Eind 2016 moeten het er dus 126 zijn. Maar met de wetenschap van nu zijn er tegen die tijd volgens hem al 130 banenafspraken met een gemiddelde omvang van 25,5 uur ingevuld, door 111 personen (sommige medewerkers werken meer dan het minimum van 25,5 uur). Vliegenthart voegt er een disclaimer aan toe: ‘Dit is geen netto resultaat. We moeten rekening houden met de mogelijkheid van uitval en vervangingsvraag. De omvang daarvan is nog niet in kaart gebracht. Verder wordt de afbouw van het gesubsidieerd werk meegenomen bij de telling; de wijze waarop is nog niet helemaal duidelijk. Dat zorgt voor de rare situatie dat we keihard werken, maar straks per saldo administratief een negatief resultaat kunnen hebben op onze doelstelling als werkgever.’

Waar komen de nieuwe medewerkers in Amsterdam vandaan? Er zijn veertig werknemers die op een ‘nieuw gerealiseerde baan’ gedetacheerd zijn vanuit het werk- en reïntegratiebedrijf. Drie werknemers met een SW-indicatie kregen een jaarcontract voor een functie die er voorheen nog niet was. Er zijn 55 nieuwe banen voor Wajongeren. Dan zijn er nog werknemers met een ID-status (voorheen ‘Melkertbaan’) vanuit de bijstand doorgestart in een banenafspraak, en enkelen waarvan de indicatie of herkomst onbekend is, maar die wel zijn erkend in het doelgroepregister.

Dwangmiddel
Vooral het scheppen van nieuwe banen vinden de gemeenten lastig. Dat vergt creativiteit, zegt Vliegenthart. En vooral: overheidsorganisaties moeten het volgens hem wíllen: ‘Je moet het met passie aanpakken. Een baan hoeft niet per se één functieprofiel te hebben, maar je kunt ook werkzaamheden bij elkaar voegen, al moet je er bij voorkeur voor zorgen dat medewerkers wel één uitvalbasis hebben. Dat hebben we bijvoorbeeld gedaan bij een sporthal in Amsterdam-Zuid. Daar werken nu twee mensen die groepen begeleiden, maar die ook zorgen dat het materieel klaar staat.’

Ook Spigt dringt aan op het inventariseren van werk dat er wel is, maar nu blijft liggen of er door anderen ‘even bij gedaan wordt’. Als voorbeelden van jobcreation noemt hij beddenopmakers in de zorg, mensen die gasten van de receptie begeleiden van de receptie naar hun afspraak, zorgassistenten die het onderwijzend personeel ontlasten van het tijdrovende “jas aan, jas uit”. Spigt: ‘Voor jobcarving- en creatie zijn allerlei methodieken en programma’s, met ondersteuning van het UWV. Maar ook die vergen tijd en die is er niet voor eind 2015.’

Hoe groot is de kans dat er toch een quotumregeling komt? Spigt was daar in zijn tijd als wethouder Werk en Inkomen van Utrecht tegenstander van. Nog steeds, maar hij beseft dat een dwangmiddel nodig is. ‘Ik kan me voorstellen dat het oordeel een jaar uitgesteld wordt. De instelling van een quotum moet je jaarlijks beoordelen; voer je het in 2016 niet in, dan kun je het een jaar later wel doen. Zo blijft de druk erop. Tegelijk is het te­recht dat marktpartijen willen zien dat ook de overheid levert en niet op haar handen heeft gezeten. Anders sta je bij het sociaal overleg met een mond vol tanden.’ 


Banen­afspraak voor wie?
• Personen met een Wsw-indicatie (hebben voorrang)
• Wajongers met arbeidsvermogen (hebben voorrang)
• Mensen met een WIW-baan of ID-baan (vanuit de bijstand aan het werk)
• Mensen die onder de Participatiewet vallen en door hun beperkingen niet het wettelijk minimumloon kunnen verdienen (na indicatie door UWV).


Afbeelding

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door M (CDA-lid) op
Erg lastig allemaal! Tijd om weer gesubsidieerde banen voor de onderkant van de arbeidsmarkt in te voeren op kosten van de hoogste inkomens die daarvoor een participatiebelasting moeten betalen en ook te bekostigen door uitkeringen 3 jaar lang te bevriezen.