Volg ons op: , LinkedIn of

Kijk snel bij: Abonnementen Vacatures BB Magazine

Lessen uit de Diamantbuurt

Sjors van Beek 0 reacties
In het schemergebied tussen overlast en lichte criminaliteit is het lastig optreden voor de overheid. Volgens Amsterdam, door schade en schande wijs geworden, is het uit de anonimiteit halen van probleemjongeren een belangrijke stap naar minder overlast.

Het is rustig, deze winterdag in de Diamantbuurt in Amsterdam. Geen mens op straat. Aan het ene uiteinde van de Diamantstraat torent de honderd jaar oude Diamantslijperij Asscher boven alles uit. Aan het andere uiteinde het huis waar Gerard Reve in 1947 werkte aan zijn boek De Avonden - icoon van opperste verveling. Rustig was het hier niet in het najaar van 2004. Het lieflijke jaren-dertigwijkje verwierf bekendheid vanwege problemen met rondhangende Marokkaanse jeugd. Een gezin dat zich via de Volkskrant teweer stelde tegen overlast, kreeg een steen door de ruit en voelde zich uiteindelijk genoodzaakt te verhuizen. Weggepest en de overheid deed niks, zo was het beeld. 'Diamantbuurtachtige toestanden' werd een begrip. De overheid moest iets dóen tegen deze vorm van hinder. De vraag is: wat dan?

 

Op zijn werkkamer op het hoofdstedelijk parket denkt hoofdofficier van justitie Leo de Wit even na over de vraag. Justitie, zo betoogt hij, kan pas in actie komen als jongeren een strafbaar feit plegen. Zijn de crimineeltjes jonger dan twaalf, dan kunnen ze niet eens worden vervolgd. Burgers die dagelijks een groepje blowende jongeren op hun vensterbank hebben hangen, hebben hier echter geen boodschap aan, beseft ook De Wit. 'Zij willen gewoon dat er iets gebéurt. En terecht.' In de kwestie van de Diamantbuurt viel er volgens De Wit 'justitieel niet zoveel vis te vangen want die groep schuurde tegen de rand van het strafbare'. De hoofdofficier: 'Maar dan moet je wel samen vaststellen dat Justitie niet zoveel kan en dus iets organiseren aan hulp en steunverbanden.' Welke middelen heeft de overheid eigenlijk in het grijze gebied tussen zware overlast en lichte criminaliteit? 'Het allerbelangrijkste is: maak contact tussen de overlastgevende groep en de buurt. Die jongeren hebben vaak niet eens in de gaten dat de mensen bang van hen zijn', stelt Frank van de Streek, programmamanager prioritaire doelgroepen van de regiopolitie Amsterdam- Amstelland.

 

John Doffer, projectleider afdeling jeugd van de Amsterdamse politie: 'Het draait uiteindelijk om het praatje, even langslopen, vragen hoe het gaat. Haal die jongens uit de anonimiteit.' In dat proces van kennen en gekend worden is in Amsterdam een sleutelrol weggelegd voor de buurtregisseur van de politie. Deze 'wijkagent' moet het contact tot stand brengen tussen jeugd en bewoners. Omgekeerd moet hij ook de database voeden die momenteel wordt aangelegd over de jeugdgroepen in de hoofdstedelijke regio. Jongerengroepen worden op wetenschappelijke gronden ingedeeld in de categorie hinderlijk, overlastgevend of crimineel. De classificatie geschiedt op grond van vragenlijsten die door de buurtregisseur zijn ingevuld. In Amsterdam worden alle gegevens bijeengebracht in een informatiesysteem. Elke jeugdgroep heeft zijn eigen 'homepage', waar mogelijk geïllustreerd met foto's van de groepsleden. Surveillerende agenten kunnen binnenkort vanuit de auto beschikken over deze informatie. Wie in de database zit, is niet per definitie verdacht. Overleg tussen politie, justitie en gemeente bepaalt welke groepen daadwerkelijk worden aangepakt. 'Het blijft vaak subjectief', erkent projectleider Doffer. Bij een enquête in juni 2005 in de Diamantbuurt zei eenderde van de bewoners vaak overlast te ondervinden, eenderde soms, eenderde nooit.

 

Ongrijpbaar

 

In de Diamantbuurt sloeg indertijd de vlam in de pan omdat signalen dat jongeren hinder veroorzaakten, werden genegeerd. Dat is dan ook de belangrijkste les uit die onverkwikkelijke episode, zeggen betrokkenen in een terugblik. 'Denk niet dat het vanzelf overgaat, want dan gaat het de verkeerde kant op', zegt hoofdofficier De Wit. 'Breng alle partijen snel samen, bundel de verantwoordelijkheden. Zo hebben we het gedaan in twee gevallen die zich sindsdien hebben aangediend, en die zijn niet echt uitgegroeid tot een probleem. Ze zijn niet eens in de pers geweest', aldus De Wit.

 

Een van die kwesties deed zich voor in september 2005, in diezelfde Diamantbuurt. Een Nederlandse man met een hond viel een Marokkaanse jongen aan die de vriendin van de Nederlander al vaker had uitgemaakt voor 'hoer'. De jongen vluchtte via een raam een huis binnen, de man trapte de voordeur in en richtte binnen vernielingen aan. Het bleek het huis van een ander Marokkaans gezin. Een potentieel kruitvat, onderkenden degenen die verantwoordelijk waren voor openbare orde en veiligheid. Alle mogelijke instanties kwamen razendsnel in actie. 'De wethouder is op bezoek gegaan, we pinden meteen geld om de schade te vergoeden. Het is goed afgelopen', vertelt Douwe van den Berg, begin 2005 aangesteld als crisismanager in de Diamantbuurt. 'De belangrijkste les uit 2004 was voor ons: snelheid. Je moet het vertrouwen winnen van de bewoners. Laat meteen zien dat er iets gebeurt. Zeg desnoods snel dat je iets níet gaat doen, maar laat zo'n kwestie niet maanden slepen want dan creëer je wantrouwen'. Bij dit alles voert voortaan het stadsdeel en niet de politie de regie, zo is inmiddels in Amsterdam afgesproken.

 

Optreden dus. Maar hoe? Amsterdam kiest voor de zogeheten Groepsaanpak: per jeugdgroep wordt een plan van aanpak opgesteld met maatregelen voor de hele groep (inzet jongerenwerk of streetcornerwork), ingrepen in de situatie (bankjes, verlichting, buurtbemiddeling) en actie gericht op de persoon (straf of hulpverlening). De persoonsgerichte maatregelen worden dan weer gecoördineerd in het Netwerk 12+, een overlegorgaan voor alle partijen die te maken hebben met deze groep jongeren: politie, justitie, stadsdeel, leerplicht, jeugdzorg, straathoekwerk, jongerenwerk.

 

Signaal

 

Bij dit alles lijkt het besef doorgedrongen dat overlastgevende jongeren niet alleen oorzaak van een probleem zijn, maar meestal ook symptoom van dieperliggende problemen. Hinder op straat als signaal van ellende thuis. De ouders weten vaak van niets, willen het niet weten, of zijn murw door hun eigen problemen. De Diamantbuurt, bijvoorbeeld, had vooral hinder van Marokkaanse jongens tussen vijftien en 23 jaar oud. 'De ouders waren nauwelijks aanspreekbaar op het gedrag van hun zonen. Oude mannen, uitgeblust, afgeschreven, in de wao. Niet bepaald een voorbeeld', vertelt Caroline Gorissen, procesmanager groepsaanpak jeugd bij het verantwoordelijke stadsdeel Oud-Zuid. Inmiddels is er intensief in het contact met de ouders geïnvesteerd en krijgen ze taalles en opvoedingsondersteuning aangeboden. 'Maar we bewegen hen ook om mee te gaan naar de rechtbank, bijvoorbeeld. En langzaam, langzaam gaan ze erkennen dat kun kinderen verkeerd bezig zijn.' 

 

Energie wordt tegenwoordig ook gestopt in contact met de buurtbewoners. Stadsdeel Oud-Zuid heeft sommigen van hen de status van 'buurtthermometer' verleend, er is regelmatig contact om te peilen wat er leeft. En er komen trainingen 'Hoe om te gaan met straatcultuur?' Doel: de buurtbewoners weerbaarder maken, leren hoe ze normoverschrijdend gedrag tegemoet kunnen treden. Gorissen signaleert normvervaging: de grenzen van wat geaccepteerd wordt zijn de laatste jaren flink opgeschoven. 'Ik ken het verhaal van een elfjarige scholier die een leerkracht met een mes bedreigde. Er is géén aangifte gedaan. Terwijl je juist moet laten merken dat zoiets niet door de beugel kan.' 

 

Dat laatste gebeurt sinds kort elders in Amsterdam letterlijk. In stadsdeel Slotervaart is eind vorig jaar een project gestart waarbij overlastgevende - veelal Marokkaanse - jongens op straat worden aangesproken door 'straatcoaches' van een beveiligingsbedrijf. Vervolgens gaat een tweekoppig team van Marokkaanse 'interventiemedewerkers' bij de jongens thuis op bezoek om harde afspraken te maken om de overlast te laten stoppen. 'Ons doel is vijftig procent minder overlastgroepen. Daarvoor zetten we onorthodoxe middelen in, zoals dit project dat tussen preventie en repressie in zit', zei burgemeester Cohen bij de officiële start in december. 

 

Projectleider Jack van Midden benadrukt dat de straatcoaches zelf geen hulpverleners zijn, 'we zijn puur de brengers van de boodschap'. De ervaringen in de eerste vier maanden zijn overwegend positief. Met de ouders van 25 jongeren (uit achttien gezinnen) is inmiddels afgesproken (en op papier gezet) dat ze op een bepaalde tijd thuis moeten zijn, dat ze de hanggroep mijden en naar school gaan. De vaders moeten dit ook met eigen ogen controleren door twee keer per week op school te komen. Ook moeten de gezinnen indien nodig hulpverlening accepteren. Tot nu toe heeft slechts één gezin elke bemoeienis afgehouden. Projectleider Van Midden: 'De meeste ouders blijken onwetend van wat hun kind op straat doet. Ze zijn ook vaak onmachtig, soms zijn de kinderen thuis gewoon de baas.' 

 

Hoe irritant dergelijke knaapjes kunnen zijn weet ook Marc Bart, bedrijfsleider van de Albert-Heijnvestiging op het Sierplein in Slotervaart: 'Die jongetjes halen je soms echt het bloed onder de nagels vandaan. Ze zijn niet echt crimineel maar provoceren je enorm. Opzettelijk doen alsof ze iets stelen, een grote mond, tegen dingen aanschoppen. Onze klanten raken er door geïntimideerd. Als je die jongens individueel aanspreekt, zijn ze poeslief, maar in een groep menen ze stoer te moeten doen. Sinds de start van het project zijn ze echter weg. Het is ze te link geworden want ze zijn niet meer anoniem. Voor ze het weten wordt er naar hun ouders gebeld.'

 

'Enorm woud aan instanties'

 

Professionals die met overlastgevende jeugd te maken hebben, klagen vrijwel zonder uitzondering over de vele instanties waar ze zaken mee moeten doen. Crisismanager Douwe van den Berg: 'In de Diamantbuurt in Amsterdam hebben we vooral bestreden, niet voorkómen. In Oud-Zuid zijn er op het gebied van jeugd twintig organisaties actief, betaald door het stadsdeel, de regio, de provincie en het rijk. Het is allemaal zó onoverzichtelijk. Ik ken een gezin waar tien verschillende hulpverleners over de vloer komen. Het is een woud waar iedereen steeds een stukje bijplant in plaats van te kappen'. De oplossing, volgens hem: bundel de geldstromen. 'Laat één iemand of één afdeling al het geld voor jeugd en jeugdzorg distribueren.' Gerard Gruppen, tot 1 juni bestuursvoorzitter van Altra, instelling voor jeugdzorg en speciaal onderwijs: 'Telkens komen er nieuwe clubjes bij. Daar word je wel moe van. Terwijl het niet zo heel moeilijk hoeft te zijn.' 

 

Gruppen, die op 1 maart het stokje heeft overgegeven aan voormalig staatssecretaris Ella Kalsbeek, ziet een centrale rol weggelegd voor de school. Langs die weg moeten gezin en hulpverlening - in eerste instantie de Jeugdzorg - worden benaderd als jongeren op straat rondhangen. De juridische route van de leerplicht is niet de eerst aangewezen oplossing, denkt de Altra-voorzitter, omdat er achter het hanggedrag vaak andere problemen zitten. Die kan een gemeente met de bestaande regelgeving vaak niet te lijf, zodat ze eigen oplossingen bedenkt. Het gevolg: versnippering. Gruppen: 'Die ontstaat dus omdat niemand verantwoordelijk is. Mijn advies: benoem rond elk gezin één persoon die ook echt de ruimte krijgt van instellingen én hun financiers.'

 

Ook Utrecht haalt probleemjongeren uit anonimiteit  

 

De pijlers van de Utrechtse aanpak van jongerenoverlast vertonen veel overeenkomsten met die van Amsterdam. Ook in de Domstad - deze week nog opgeschrikt door rellen in de wijk Ondiep na een geëscaleerde ruzie rond hangjongeren - is het uit de anonimiteit halen van de jongeren een speerpunt. Utrecht heeft een extern bureau vorig jaar een overzicht laten maken van alle jeugdgroepen. Vervolgens is gekeken welke leden al bij justitie bekend waren en welke niet. In tegenstelling tot Amsterdam hanteert Utrecht bij haar indeling ook een 0-groep, de 'aanvaardbare jeugdgroepen' die zich 'gedragen binnen de normen die de sociale omgeving stelt'. Van de 54.000 jongeren tussen de twaalf en 24 jaar zijn er zeshonderd als overlastgevend of crimineel te bestempelen. Deze zijn verdeeld over 31 groepen, Marokkaanse jongens zijn erin oververtegenwoordigd. 

 

In folders adviseert Utrecht haar inwoners allereerst zelf 'eens een praatje te maken' met de overlastgevende jongeren en begrip te tonen én te vragen. Blijven er wrijvingen, dan is er werk aan de winkel voor het JoS-team (Jongeren Op Straat), bestaande uit vertegenwoordigers van gemeente, politie en welzijn. In elke wijk verzamelt een JoS-coördinator alle overlastmeldingen, spreekt de jongeren daar op aan en maakt een plan van aanpak. Daarbij is Utrecht, net als Amsterdam, er inmiddels van doordrongen dat de overlast niet ophoudt door de jongeren alleen maar achter de broek te zitten en ze vrijetijdsbesteding aan te bieden. 'Je zal ook verdergaand in de jongeren moeten investeren', stellen Marijke de Jong, programmanager veiligheid en Martin Wisselink, beleidsmedewerker jeugd en veiligheid. Sterker nog: 'Juist de zwaar overlastgevende en criminele groepen worden niet of niet voldoende bereikt met de huidige aanpak', staat te lezen in een ambtelijke notitie die binnenkort naar de raad gaat. Utrecht wil er de komende tijd dan ook een schepje bovenop doen. 

 

De grootste lastpakken - vrijwel allemaal met criminele antecedenten - worden individueel benaderd en krijgen een eigen 'casemanager' die een zinvolle dagbesteding moet afdwingen. Justitie is daarbij veelal de stok achter de deur. Daarnaast gaat Utrecht op speciale locaties 'potige jongerenwerkers' inzetten. 'Het reguliere jongerenwerk kan deze groep gewoon niet aan en erkent dat ook', aldus programmamanager De Jong. 'Deze jongens wil je ook niet binnenhebben op een regulier buurthuis, waar ook de peuterspeelzaal en de cursus bloemschikken zijn gevestigd.' Met dit programma, dat het aantal overlastmeldingen met een vijfde moet terugdringen, is jaarlijks enkele miljoenen gemoeid, denkt Utrecht. De raad moet zich nog over de plannen buigen. Minister van Justitie Hirsch Ballin krijgt binnenkort een brief waarin wordt gevraagd mee te betalen. 'Het veiligheidsgevoel in de grote steden wordt misschien nog wel het meest aangetast door deze overlastproblemen, maar gemeenten staan er erg alleen voor', aldus De Jong. 'Het ministerie van Justitie stelt te weinig geld en mogelijkheden beschikbaar aan instellingen als de Jeugdreclassering en de Raad voor de Kinderbescherming.'

 

Print dit artikel
Mail dit artikel
Deel dit artikel op

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Vacatures

Partner Bijdragen

recente bijdragen