of 59232 LinkedIn

Integreren, laat maar

Gemeenten lichten de hand met het strenge integratiebeleid van het Rijk. Dat leidt alleen tot meer stigmatisering, stellen ze. Migrantenpotjes gaan op in programma’s over burgerschap en participatie. ‘De etnische bril bestaat niet meer.’

Gemeentelijke voorlichtingsfolders in het Turks of Arabisch – je vindt ze niet of nauwelijks meer. In Haarlem verdwijnt binnenkort de Stedelijke Adviesraad Multiculturele Stad om op te gaan in een brede Participatieraad. Stichting BOEG, die in Utrecht jarenlang ondersteuning bood aan migrantenorganisaties, is opgeheven. De zwemuurtjes voor allochtone vrouwen waren in veel gemeentelijke zwembaden al eerder afgeschaft. Zomaar een paar voorbeelden van een geruisloze maar onmiskenbare koerswijziging in het gemeentelijke integratiebeleid. 


Toen Binnenlands Bestuur vorig jaar naar aanleiding van de Emancipatienota van het kabinet – die allochtonen niet meer noemde als aparte groep – een rondgang langs gemeenten hield, bleek al dat het lokale bestuur grotendeels is afgestapt van ‘doelgroepenbeleid’ of ‘categoraal beleid’.

Een nieuwe rondgang en twee recente publicaties – De staat van integratie van Paul Scheffer en Han Entzinger, en het NIDI-onderzoek De etnische bril – bevestigen dat beeld. Hebben we iets gemist, is de integratie en emancipatie van migranten voltooid? Zijn er geen etnische groepen meer met specifieke, cultuurgebonden problemen die om een speciale aanpak vragen?

Nee, wat vooral is veranderd, is dat gemeenten in tegenstelling tot veel nationale politici niet langer de etnische, religieuze en culturele verschillen willen benadrukken tussen de inwoners van hun stad, omdat dit tot stigmatisering leidt. Of, zoals de Utrechtse wethouder Victor Everhardt (D66) het zegt: ‘Wij zijn allemaal Utrechters. Allemaal anders, maar wel gelijkwaardig. Culturele en etnische diversiteit maakt de Utrechtse samenleving zoals die is. De term “integratie” heeft een onprettige bijbetekenis, die suggereert dat de migrant moet veranderen om erbij te horen. Terwijl de kracht van onze stad nu juist is dat iedere Utrechter zijn eigen identiteit, kennis en kunde meebrengt.’

Haaks

In De etnische bril, categorisering in het integratiebeleid van Marcel Ham en Jelle van der Meer, dat op 13 maart verscheen, wijden de auteurs een hoofdstuk aan lokaal integratiebeleid. Ook zij constateren bij gemeenten een mentaliteit die haaks staat op de toon vanuit Den Haag. Culturele kwesties zoals de hoofddoek, man-vrouwverhouding en homodiscriminatie blijken nauwelijks te spelen.

De toon in de notities en collegeakkoorden is in het algemeen verzoenend, schrijven ze, met formuleringen als: ‘samenleven’, ‘allemaal Stadjers’, en ‘iedereen is gelijkwaardig’. ‘Het is een geheel andere toon dan die van het nationale publieke en politieke debat. Religie komt nergens aan de orde. Integratie wordt minder belangrijk, het woord valt vaak niet eens in collegeakkoorden, net zo min als de termen “allochtoon” of “Marokkaan”.’

Het oude ideaal van de multiculturele samenleving blijkt op lokaal niveau nog lang niet dood. Al wordt daar op een heel andere manier invulling aan gegeven dan in de jaren tachtig en negentig.

Ook Han Entzinger, hoogleraar migratie- en integratiestudies aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, constateert een groot verschil in benadering tussen centrale en decentrale overheid. ‘Op landelijk niveau zie je veel meer die drang tot acculturatie, zo niet assimilatie, van minderheden. Dat de PVV lokaal geen verantwoordelijkheden heeft, zal daar ongetwijfeld mee te maken hebben. Anders had Wilders allang begrepen dat het in de praktijk allemaal een tikje genuanceerder ligt.

Overigens zijn het vooral sweeping statements, want het feitelijke beleid wordt steeds meer op lokaal niveau gemaakt, zeker als het gaat om deelname van burgers aan de samenleving. De centrale overheid schept de kaders, en gemeenten gaan daar creatief mee om. Als er op de integratieof participatiegelden wordt gekort, spreken ze andere potjes aan om de dingen te doen die ze altijd al deden. Indien nodig geven ze daar dan een andere naam aan.’

Sterk veranderd

Een andere belangrijke oorzaak van het verdwijnen van het klassieke integratiebeleid, zo niet de belangrijkste, is dat de migrantenpopulatie de afgelopen tien, twintig jaar sterk is veranderd, zowel kwantitatief als kwalitatief. In Amsterdam en Rotterdam is bijna de helft van de inwoners van allochtone afkomst, en in 2025 zullen het er nog meer zijn, zo blijkt uit De staat van integratie, een vergelijkende studie tussen de allochtone bevolking van de twee grootste steden in Nederland die eerder deze maand werd gepubliceerd.

‘Wie integreert nu eigenlijk nog in wie?’ vraagt Entzinger, die het boek schreef samen met Paul Scheffer, zich retorisch af. De komst van nieuwe migrantengroepen en de groei van de tweede en derde generatie maken de migrantenbevolking heterogener dan ooit. Bovendien vestigen veel migranten zich anders dan vroeger slechts tijdelijk in Nederland, zodat de (grote) stad meer en meer een ‘doorgangshuis’ wordt.

Kortom, een verscheidenheid die niet meer met ‘doelgroepenbeleid’ is te behappen. Etniciteit is nog steeds een indicator voor achterstand, maar steeds minder. In het onderwijs had men dat jaren geleden al door. In 2006 veranderde de ‘gewichtenregeling’, die basisscholen extra geld toebedeelde voor achterstandsleerlingen: niet langer etnische afkomst maar de opleiding van de ouders werd het criterium.

Wat ook meespeelt, stelt Entzinger, is dat het idee van de maakbare samenleving is opgegeven. ‘De overheid beseft steeds meer dat integratie een langdurig en grotendeels autonoom proces is waar ze niet zo bijster veel invloed op heeft. Dat was dertig jaar geleden wel anders. Ik herinner me nog goed dat Henk Molleman, Tweede-Kamerlid voor de PvdA en later directeur minderhedenbeleid op het ministerie van Binnenlandse Zaken, eind jaren zeventig verkondigde dat het minderhedenprobleem in vijf jaar opgelost zou zijn.’

Vertaalbeleid

Is het gemeentelijk beleid ten aanzien van allochtonen veranderd sinds ze niet meer over ‘integratie’ spreken maar over ‘participatie’, ‘diversiteit’ of ‘burgerschap’? Vallen bepaalde cultureel gebonden problemen nu niet tussen wal en schip? Al genoemd is het vertaalbeleid, de gemeentevoorlichting die niet meer standaard in vijf of meer talen wordt gepresenteerd.

‘Kort geleden hebben we met het college besloten om in principe niets meer te laten vertalen’, zegt de Haarlemse wethouder Jack van der Hoek (D66). ‘Je woont, werkt en leeft in Nederland en zolang wij heel veel teksten blijven vertalen, prikkelt dat niet om de taal te leren. De eventuele negatieve effecten nemen we op de koop toe. Dat wil absoluut niet zeggen dat mensen hun eigen culturele achtergrond zouden moeten afschudden. Integendeel, de etnische en culturele diversiteit draagt bij aan de veelkleurigheid van de stad, die wordt daar alleen maar rijker van.’

Van der Hoeks beleidsambtenaar Herman Lock, die zelf jaren geleden als welzijnswerker Turks leerde om beter met ‘zijn’ gastarbeiders te kunnen communiceren, is het daarmee eens. ‘Het is beter om erover na te denken hoe je in goed en helder Nederlands je boodschap over kunt brengen dan om alles maar te vertalen. In de jaren tachtig lag dat allemaal heel anders, maar de kinderen van de gastarbeiders van toen zijn vaak hoger opgeleid dan ik. Die zouden bij wijze van spreken mijn teksten kunnen corrigeren.’

Verdwijnen

Een ander zichtbaar voorbeeld van de overgang van doelgroepbeleid naar algemeen beleid is de omgang met migrantenorganisaties. Hun bestaansrecht wordt volop erkend, maar ze krijgen niet meer automatisch subsidie. In Haarlem wordt het oude subsidiebeleid voor zelforganisaties momenteel omgebouwd tot een ‘subsidieregeling participatieen integratiebevorderende activiteiten’, zodat iedereen, en niet alleen migrantenclubs, plannen kan indienen voor projecten.

Sommige voorzieningen zullen daardoor verdwijnen. Zo raken in Haarlem de allochtone organisaties voor huiswerkbegeleiding hun subsidie kwijt; hun voortbestaan is daarmee zeer onzeker geworden. In Utrecht krijgen de migrantenorganisaties die voorheen door een speciale stichting werden begeleid tegenwoordig ondersteuning van de Vrijwilligerscentrale.

Wethouder Everhardt vindt deze verandering een goed voorbeeld van hoe het verdwijnen van het doelgroepenbeleid de integratie kan bevorderen. ‘Toen ze in één keer zoveel organisaties met allemaal verschillende achtergronden erbij kreeg, is de Vrijwilligerscentrale kritisch gaan kijken naar het eigen personeelsbestand.

Dat wordt daardoor meer een afspiegeling van de Utrechtse bevolking. Nog belangrijker is dat al die migrantenorganisaties nu in contact komen met andere vrijwilligersorganisaties, zodat ze elkaar inspireren en er een kruisbestuiving ontstaat.’

Han Entzinger, die zich als wetenschapper en adviseur al ruim 35 jaar bezighoudt met migranten en integratie, is niet rouwig om de verdwijning van het ‘doelgroepenbeleid’. Het had volgens hem vaak een tegengesteld effect. ‘Neem het onderwijs in eigen taal en cultuur, waarbij kinderen met een andere moedertaal dan Nederlands een deel van de lessen in hun eigen taal volgden. Het gebeurde met de beste bedoelingen, met het idee dat je eerst je eigen taal goed moet leren om een vreemde taal te kunnen beheersen. Ondertussen werden die kinderen wel steeds apart gezet.’

Criminaliteit

Zijn er dan geen typisch cultuurgebonden problemen meer waarvoor een specifieke aanpak nodig is? Dreigt niet het gevaar dat we het kind met het badwater weggooien?

Entzinger: ‘Hier en daar slaat het door, ja. Aandacht schenken aan etnische achtergrond kan wel degelijk van belang zijn als het binnen het kader van een bepaald beleid relevant is. Dat geldt bijvoorbeeld voor de aanpak van criminaliteit.

Als Antillianen en Marokkanen hoog scoren in de statistieken, juist omdat ze specifieke problemen hebben, is het heel verstandig om daar voorzieningen voor te treffen. Bij het aantreden van het huidige kabinet leek het er op dat de Antillianen- en Marokkanenaanpak zou verdwijnen. Gelukkig is dat nog niet gebeurd. Maar dat betekent dus niet dat je op alle beleidsterreinen voor alle Antillianen of Marokkanen specifiek beleid moet voeren.’

Nog zo’n specifiek probleem van migranten: de Nederlandse taal. Het is een onderwerp dat gemeenten serieus blijven nemen, ook nu de inburgeringsgelden van het Rijk binnenkort wegvallen. In het voorwoord van De staat van integratie schrijven de wethouders Andrée van Es (Amsterdam, GroenLinks) en Korrie Louwes (Rotterdam, D66) dat gebrekkige taalbeheersing een hardnekkig probleem is dat de integratie belemmert. Ze verklaren: ‘Zowel Rotterdam als Amsterdam wil de komende jaren een fors offensief starten op taalbeheersing.’

De Haagse wethouder Marnix Norder (PvdA) vertelt: ‘Taal is een wezenlijk punt voor ons, daar begint en eindigt alles mee en we zetten er zwaar op in met alle mogelijke taalcursussen. Die worden nu nog gefinancierd uit de inburgeringsgelden. Als die middelen wegvallen, moet er een andere oplossing komen om te zorgen dat migranten ook in de toekomst de taal kunnen leren. Linksom of rechtsom.’

Norder zou, ter bestrijding van de taalachterstand bij met name Turkse kinderen, heel graag zien dat de vroegschoolse educatie verplicht werd. ‘Daarover zijn we al een tijdje in gesprek met de regering, maar we hebben het nog niet voor elkaar.’


Preventie eergeweld in de knel
Renate van der Zee, journaliste en auteur van Eerwraak in Nederland, vreest dat de aandacht voor eergeweld in Nederland gaat verdwijnen, nu het programma Aan de goede kant van eer is afgelopen en er niets voor in de plaats is gekomen. Aan dit programma, in 2007 ontwikkeld door het Inspraakorgaan Turken, het Samenwerkingsverband van Marokkaanse Nederlanders, Vluchtelingenorganisaties Nederland en het ministerie van VROM, deden tien gemeenten mee. Cursussen en trainingen voor professionals over eergeweld, debatten en voorlichtingsbijeenkomsten maakten deel uit van dit programma.

Van der Zee: ‘Er is veel ten goede veranderd de laatste jaren, allerlei projecten hebben ervoor gezorgd dat er openlijk over eergeweld wordt gesproken. Maar nu de subsidie vanuit het Rijk is gestopt, verstomt het debat, terwijl het ontzettend belangrijk is om het erover te blijven hebben. Het is de enige manier om het taboe te doorbreken. Eerwraak is niet zomaar huiselijk geweld, er zit een heel gedachtegoed achter, dat van de familie- eer. Het probleem moet dus ook heel anders benaderd worden. Een echtgenoot tijdelijk uit huis plaatsen bijvoorbeeld, is nooit een oplossing. Als een hulpverlener of andere professional niet weet hoe de eercultuur functioneert, kan zo iemand de zaak erger maken. Dan kunnen er zelfs doden vallen.’


‘Doelgroepenbeleid moet blijven’
‘Omdat de samenleving nu eenmaal grote verschillen kent, kunnen we met algemeen beleid de bestaande maatschappelijke problemen zoals kansenongelijkheid niet uitbannen’, aldus Zeki Arslan. Hij is programmamanager Onderwijs, Arbeid en Maatschappelijke Ondersteuning bij Forum, instituut voor multiculturele vraagstukken. Arslan zet vraagtekens bij de afschaffing van het doelgroepenbeleid. ‘In de praktijk bestaat er nog steeds specifiek beleid: voor plattelandbewoners, voor mensen met beperkingen, voor langdurige werklozen, voor 60-plussers enzovoort.

Voor etnische minderheden moet dit ook blijven, zolang het nodig is voor hun sociaal-economische vooruitgang.’ Hij geeft het onderwijs als voorbeeld: ‘Als we niet specifiek focussen op etnische minderheden, zien we niet dat het percentage basisschoolleerkrachten van allochtone afkomst aan het dalen is.’ Forum heeft er ook bezwaar tegen dat het criterium etniciteit is geschrapt uit de gewichtenregeling in het onderwijs. Arslan: ‘We hebben voorgesteld om bij het toekennen van extra geld aan scholen voor het bestrijden van onderwijsachterstanden vooral te kijken naar de thuistaal en het opleidingsniveau van de moeder in plaats van dat van de vader. Die belangrijke aspecten dreigen nu achter de horizon te verdwijnen.’

Het onderzoek De etnische bril is te downloaden op: www.nidi.nl.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.