of 58959 LinkedIn

‘Ik snap de enorme worsteling’

Bijna een jaar nu zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de Wmo 2015 en de jeugdzorg. ‘Je ziet dat er meer samenwerking tot stand komt, meer afspraken worden gemaakt en meer integraal naar een persoon of gezin met een hulpvraag wordt gekeken’, ant­woordt staatssecretaris Van Rijn (VWS) op de vraag wat er inmiddels goed gaat.

Ze hebben pech, de gemeenten die vinden dat ‘Den Haag’ zich minder moet bezig­houden met de gedecentraliseerde taken Wmo 2015 en de jeugdzorg. ‘We bemoeien ons wél met elkaar’, stelt staatssecretaris Martin van Rijn (VWS) resoluut.

Bijna een jaar nu zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de Wmo 2015 en de jeugdzorg. ‘Je ziet dat er meer samenwerking tot stand komt, meer afspraken worden gemaakt en meer integraal naar een persoon of gezin met een hulpvraag wordt gekeken’, ant­woordt staatssecretaris Van Rijn (VWS) op de vraag wat er inmiddels goed gaat. ‘Neem de wijkteams. Daarin werken verschillende disciplines met elkaar samen om zorg of ondersteuning te verlenen, in plaats van dat er over en weer rapporten worden gestuurd.

En minder goed? ‘De bejegening van mensen, al dan niet via het keukentafelgesprek, laat een wisselend beeld zien. Kerntaak van de gemeente is om hulp en ondersteuning in de thuissituatie te bieden en daar zorg op maat te leveren. Dan moet je goed contact hebben met de mensen waar het om gaat. Soms gaat het heel goed. Tegelijk voelen mensen zich soms onvoldoende gehoord. Of ze vinden dat er onvoldoende zorgvuldig onderzoek is geweest naar hun persoonlijke situatie. Dat is niet goed.’

Maar bekijk dat laatste positief, stelt Van Rijn. ‘Er is nu meer contact met mensen die zorg nodig hebben. Er wordt gezocht naar wegen om rekening te houden met hun specifieke situatie. Dat gaat met vallen en opstaan, dat zie ik ook. Maar het is heel belangrijk dat we ervoor zorgen dat de zorg zich aanpast aan de mensen in plaats van dat de mensen zich aanpassen aan de zorg.’

Hoe staat het met de zorgvernieuwing, een belangrijke doelstelling van de decentralisaties?
‘Deze operatie vergt aan de ene kant heel hard werken, regelen en overleggen om het in de dagelijkse praktijk goed te laten lopen. Aan de andere kant vergt het ook geduld. In het begin hebben we vooral gezorgd voor de continuïteit van zorg. Dat is grosso modo een beheerst proces geweest, een groot compliment aan alle bestuurders en medewerkers van gemeenten. Of die zorgvernieuwing al tot stand is gekomen? Daar zal soms wel en soms niet sprake van zijn. Daar is gewoon tijd voor nodig. En die tijd moeten we elkaar gunnen.’

U noemt het een beheerst proces. Maar er is een hoop niet goed gegaan: de vele bezwaarschriften en rechtszaken rondom de huishoudelijke hulp, niet goed gevoerde keukentafel­gesprekken, de stapeling van eigen bijdragen in de Wmo. Valt dit in uw ogen ook onder de noemer ‘beheerst’?
‘We bezuinigen op lichte zorg om de zware zorg uit de wind te houden. Rondom die huishoudelijke zorg hebben we daarom moeilijke keuzes moeten maken. Ik snap heel goed dat mensen niet blij zijn als ze minder uren huishoudelijke hulp krijgen. Daarom moet het een zorgvuldig proces zijn, waar met de persoonlijke omstandigheden van de zorgbehoevende rekening wordt gehouden en waarbij de bejegening goed moet zijn.’

Snapt u dat mensen naar de bezwarencommissie en naar de rechter stappen?
Ik snap het, maar ik vind het jammer dat het een juridische procedure wordt. Dat is een teken dat sommige gemeenten misschien niet zorgvuldig genoeg zijn geweest of de bejegening anders had gemoeten; daar moeten we van leren.’

Veel wethouders hebben nog steeds zorgen over de te krappe budgetten. Zeker ook omdat het niet alleen gaat om budgetkortingen op de Wmo en de jeugdzorg, maar ook om gevolgen van de herijking van het gemeentefonds en de verdeelmodellen die in de optiek van die wethouders niet kloppen.
‘Dat laatste zou me een beetje verbazen. We doorlopen daarvoor een zeer zorgvuldig proces. Van een historisch verdeelmodel gaan we naar een objectief verdeelmodel, wat we allemaal beter vinden. Ja, dan zitten daar voor- en nadeelgemeenten bij. Ik heb ook nog geen nieuw verdeelmodel meegemaakt dat níet tot discussie leidde. We zullen periodiek met elkaar om tafel zitten om te kijken of het model werkt en of er dingen moeten veranderen. Er zijn knelpunten gesignaleerd, zoals rondom het woonplaatsbeginsel – die moeten we oplossen. Daarnaast is een vangnet gemaakt; als er te grote verschillen zijn tussen het historische en het objectieve model, dan moeten we een maximum bepalen van hoeveel gemeenten er op achteruit mogen gaan. Zodat ze tijd hebben om zich aan de nieuwe situatie aan te passen.’

U zegt: de wet is er, we lopen tegen uitvoeringskwesties aan en we kijken wat we er aan kunnen doen.
‘Dat is een permanent proces. Ik heb van begin af aan gezegd: ik ben niet de staatssecretaris die wetsvoorstellen maakt, die vervolgens die voorstellen in overleg met het parlement tot wet probeert te maken en daarna zegt: “Zoek het maar uit.” Dat heb ik nog nooit gedaan. En dat is ook de reden waarom ik zo bezig ben geweest om over de verdeelmodellen te praten, over dat vangnet. En om naar de uitvoering te kijken en die bij te sturen waar nodig. Dat zal de komende jaren ook zo doorgaan.’

Toch heeft de VNG al voor Prinsjesdag gezegd dat er geld bij moet.
‘De discussie of er geld genoeg is voor de zorg is van alle tijden en zal van alle tijden zijn. Ik snap heel goed dat het proces met nog meer geld erbij makkelijker zal zijn. Tegelijk willen we met elkaar de zorg ook in de toekomst betaalbaar houden en probe­ren we die zo goed mogelijk te organiseren. Minder verspilling, minder bureaucratie. Dat kan heel veel opleveren. Ik snap best dat in deze fase van de strijd wethouders daar enorm mee worstelen. We moeten met elkaar de tijd nemen om te kijken hoe het zich allemaal ontwikkelt. Als we er in slagen om preventiever te werken, dan kunnen we aan de achterkant kosten besparen en zijn we nog beter voor de mensen bezig ook.’

De wethouders zijn het daar wel mee eens, maar zeggen dat er meer tijd en geld nodig is om de zorg en ondersteu­ning op een andere manier te regelen.
‘Hier spelen continuïteit en vernieuwing door elkaar. Aan de ene kant willen we met elkaar zorgen dat er zorgcontinuïteit is. Daar hebben we dit jaar ook heel veel aandacht aan gegeven. Aan de andere kant willen we ook voldoende ruimte voor vernieuwend aanbod. Dat zal altijd een spanningsveld blijven. Ik constateer dat er nu ongelooflijk hard is gewerkt aan de continuïteit van zorg en dat er heel erg hard wordt nagedacht over hoe die vernieuwingsslag verder kan worden gemaakt.’

U wordt regelmatig door de Kamer op het matje geroepen – over kwesties in de Wmo of jeugdzorg – die vindt dat u moet ingrijpen. Dit leidt tot ergernis bij gemeenten: ‘Den Haag: ga eens op uw handen zitten’, wordt er regelmatig van­uit gemeenteland verzucht. Snapt u dat?
‘Ik begrijp die reactie. We moeten waken voor een te snelle risico-regelreflex. Aan de andere kant: dit is een grote operatie. Die decentra­lisaties en hervormingen doen we niet omdat het zo leuk is om te decentraliseren en te hervormen. We willen de kwaliteit van de zorg verbeteren en dichter bij de mensen orga­niseren. Dan vind ik het niet zo gek dat we, als er ergens iets gebeurt, wel met elkaar nagaan wat er mis is en wat we er aan kunnen doen. Ik geloof niet in een rijksoverheid die wetten maakt en gemeenten die tegen het rijk zeggen: “Bemoei je er nu even niet mee.” We bemoeien ons dus wél met elkaar. We moeten op een zakelijke, volwassen manier met elkaar omgaan. Niet omdat we tot elkaar veroordeeld zijn, maar omdat we samen betere zorg, hulp en ondersteuning willen realiseren voor mensen die het nodig hebben.’

Wat zijn de uitdagingen voor 2016?
‘De eerste is: hoe zorgen we ervoor dat we een goed functionerende eerstelijn-nieuwe-stijl hebben waarin het sociale en het medische domein goed met elkaar worden verbonden. Dat vereist veel samenwerking, dat partijen bereid zijn om over de schutting van de eigen organisatie of over de eigen inkoop heen te kijken.

Bij de vernieuwing van de jeugdhulp is het, ten tweede, heel belangrijk om de combinatie met onderwijs en jeugd­gezondheidszorg mee te nemen. De dementiezorg is een derde opgave. Dementie is een lang, slopend proces. Het begint met kleine signalen dat het wonen thuis steeds moeilijker gaat, tot het moment dat iemand naar een instelling moet omdat het thuis echt niet langer gaat. Dat vereist samenwerking over de domeinen heen.

De vermindering van administratieve lasten is een thema dat in alle domeinen speelt en waar nog grote slagen moeten worden gemaakt. Deze decentralisatie biedt enorme kansen voor administratieve lastenverlichting, maar het gevoel is dat het nog niet is gelukt. De lasten zijn eerder toegenomen omdat iedereen zijn eigen contractvoorwaarden en zijn eigen manier van registratie en toezicht heeft. Het afschaffen van centrale indicaties en het ruimte bieden aan lokaal maatwerk zou op den duur tot minder administratieve lasten moeten leiden. Daarom zijn we bij de wijkverpleging aan het kijken of we de bekostiging zodanig kunnen aanpassen dat de professionals meer ruimte hebben en minder hoeven te registreren. Ik wil dat dit ook wordt geregeld in de contractvorming tussen gemeenten en aanbieders.’

U stelt dat het een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van rijk en gemeenten om de zorg beter te maken. Wat is uw definitie van ‘betere zorg’?
‘Dit is niet het type hervorming waarbij we kunnen zeggen: de wetten zijn veranderd, dus is de wereld veranderd. Uiteindelijk gaat het erom of de mensen merken en vinden dat de zorg beter is geworden.’


CV

Martin van Rijn werd geboren in Rotterdam op 7 februari 1956. Hij studeerde economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Van Rijn was van 1995 tot 2000 plaatsvervangend directeur-generaal volkshuisvesting op het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Van 2000 tot 2003 was hij directeur-generaal management en personeelsbeleid bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en van 2003 tot 2007 onder meer directeur-generaal gezondheidszorg (DGG) bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Vanaf januari 2008 was hij CEO van pensioenfonds PGGM. Van Rijn is sinds 5 november 2012 staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in het kabinet-Rutte II.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.