Het speelkwartier is voorbij
‘Het programma-ministerie voor Jeugd en Gezin komt naar u toe deze zomer!’ Deze leus had minister Rouvoet zó kunnen gebruiken voor de ‘implementatieregisseurs’ die hij sinds kort het land in stuurt om gemeenten te helpen met het oprichten van een Centrum voor Jeugd en Gezin.
Het speelkwartier is voorbij voor de Centra voor Jeugd en Gezin. Er moeten nu koppen met spijkers worden geslagen. Rouvoet wil zijn politieke ‘erfenis’ goed op orde hebben. Des te groter is de kans dat het volgende kabinet zijn troetelkindje wil adopteren. Bij zijn aantreden in februari 2007 als programma-minister voor Jeugd en Gezin, presenteerde André Rouvoet zijn ambitieuze programma: ‘Alle kansen voor alle kinderen’.
Belangrijkste spil in dat programma zijn de Centra voor Jeugd en Gezin. In 2011 moeten alle 430 gemeenten er op zijn minst één hebben. De teller staat nu nog maar op 178 centra, maar op het ministerie blijven ze er in geloven dat het kan. ‘Het is nog te vroeg om te zeggen dat we de kat al in het bakkie hebben, maar we hebben er goede hoop op dat het lukt’, zegt een woordvoerder van minister Rouvoet.
Sommige gemeenten pakten de opdracht van de minister meteen zeer voortvarend op. In Amsterdam en Rotterdam waren bijvoorbeeld al ‘Ouder en Kind Centra’, het was een kwestie van nog een beetje sleutelen, een ander naambordje op de deur en klaar. Maar veel - kleinere - gemeenten lopen bij de invoering van een CJG tegen problemen op die vanachter het bureau op het ministerie niet konden worden voorzien.
Versnellen
Peter Cuyvers en Leo Cok - beiden verdienden hun sporen in de jeugdzorg ruimschoots - werden in juni tijdens een conferentie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) over de CJG’s officieel gepresenteerd als implementatieregisseurs. Cuyvers vindt het een mooi nieuw scrabblewoord.
‘Ik weet niet wie dit woord heeft verzonnen, maar we gebruiken het zelf niet omdat het veel te ambtelijk en te vaag is. Wij hebben het liever over het ondersteuningsteam, dat maakt namelijk meteen duidelijk wat we doen: we ondersteunen gemeenten bij het opstarten en invoeren van een CJG. We geven gemeenten desgewenst een zetje in de rug om zo het proces versnellen.’
En dat is hard nodig. Eind vorig jaar hadden 95 gemeenten een CJG, half april 2010 waren dat er 163 en de teller bleef voor de zomervakantie steken op 178. Wil de minister op schema blijven, dan moeten er eind dit jaar driehonderd CJG’s operationeel zijn. Kunnen we uit het feit dat er een ondersteuningsteam door Rouvoet is aangesteld, concluderen dat de invoering spaak dreigt te lopen?
Cuyvers: ‘Nee, als dat echt het geval zou zijn, dan zouden twee fte’s voor heel Nederland toch veel te weinig zijn om de boel vlot te trekken vóór het einde van 2011.’ Cuyvers denkt dat het kan. ‘Er wordt achter de schermen heel hard gewerkt aan de voortgang. De meeste gemeenten beginnen met de backoffice van het CJG en pas daarna aan de frontoffice. Dat je nu nog niets ziet, zegt dus weinig. Het is net als met de ontwikkeling van baby’s, die kunnen ook opeens een groeispurt maken. Dat zul je het komende jaar ook zien met de CJG’s.’
Cuyvers en Cok zijn op afroep beschikbaar voor gemeenten. ‘We hebben al diverse gemeenten gesproken. Het verschilt sterk per gemeente hoe ver ze zijn met de invoering. Als je laagdrempelig wil aansluiten op de wensen van ouders en jongeren en het bestaande lokale netwerk, dan moet je maatwerk leveren. Het maakt nogal uit of je een CJG in de Randstad moet opstarten of in Oost-Groningen’, aldus Cuyvers.
Dilemma’s
Die regionale verschillen, kwamen dit voorjaar aan de orde tijdens een ‘Dilemma’s’- bijeenkomst van de VNG en het CJG Den Bosch. Wouter Smits, de Bossche coördinator, was op die bijeenkomst. Hij ziet soms door de bomen het bos niet meer. ‘Het CJG is een containerbegrip geworden. Alles valt eronder: van kinderopvang tot hangjongeren. Ik had graag meer sturing gehad van het ministerie. Nu kan elke gemeente voor een groot deel zelf bepalen wat eronder valt.’
Cora Schout is projectleider CJG Reimerswaal en loopt weer tegen heel andere zaken aan. Zij vindt dat het ministerie bij het opstellen van de CJG-taakomschrijving te veel is uitgegaan van een Randstedelijke situatie en te weinig rekening houdt met plattelandsgemeenten. ‘Bij ons ontbreken geld en capaciteit om eigenstandig het wiel uit te vinden. De organisatie van de CJG’s zal gemeenteoverstijgend gaan werken.’
De zeven Zeeuwse gemeenten Schouwen-Duiveland, Goes, Noord-Beveland, Borsele, Kapelle, Reimerswaal en Tholen besloten voor de organisatie van hun backoffice de krachten te bundelen. ‘We hebben ook gezamenlijk de 'groendruk' geschreven, die ligt nu bij de colleges van B en W.’ Zij moeten het plan goedkeuren, maar Schout verwacht niet veel problemen.
‘We hoeven ook niet helemaal opnieuw te beginnen, we hebben al jaren opvoedsteunpunten en Zorg en Advies Teams (ZAT) op scholen. We zien het CJG vooral als een infrastructuur, die alle jeugdzorg die we al hebben met elkaar verbindt. Zie het als het touwtje om de rollade, dat ervoor zorgt dat het vlees niet uit elkaar valt.’
De aandacht is in Reimerswaal niet primair gericht op het neerzetten van een nieuw gebouw. ‘Ons grondgebied is uitgestrekt en de zeven kernen liggen ver uit elkaar. De eerste vraag is dus al meteen, waar zou je dat nieuwe gebouw dan neer moeten zetten? Daarnaast is een groot deel van de bevolking gereformeerd. Zij hebben een eigen circuit voor vragen rondom opvoeding en treden niet zo gemakkelijk buiten. Wij hebben daarom voor de strategie gekozen om ons aan te sluiten bij de vindplaatsen, de plekken waar ouders en kinderen nu al naartoe gaan.
'We willen de kerken en scholen gaan betrekken bij het opzetten van een CJG en willen ons loket graag openen bij de opvoedsteunpunten die er al zijn. Die steunpunten vallen onder de GGD Zeeland en staan er wel voor open dat wij als CJG aanhaken.’ Schout meldt dat Reimerswaal vóór de jaarwisseling een CJG heeft.
Lappendeken
Wie op de site van de VNG (www.vng.nl/cjg) ziet hoe verschillend gemeenten invulling geven aan de opdracht van minister Rouvoet, begrijpt dat hét CJG niet bestaat. Het is een lappendeken die ouders en kinderen omhult op de manier die het beste aansluit bij de lokale wensen en problemen.
In de visie van Woensdrecht is het CJG bijvoorbeeld het ‘VVV voor opvoed- en opgroeivragen’: klant- en vraaggericht, bereikbaar, laagdrempelig, niet stigmatiserend, niet zwaar wel veilig en naast fysiek ook virtueel/ digitaal. Het CJG is gevestigd in een voormalig schoolgebouw.
In Pekela bestaat het CJG uit twee medewerkers: één schoolmaatschappelijk werker en één sociaal-verpleegkundige. Zij vervullen de informatieen adviesfunctie door middel van spreekuren voor ouders op álle scholen. Ook nemen zij deel aan het Zorg Advies Team en hebben ze overleg met de Interne Begeleiders van de basisscholen en peuterspeelzalen. Voor de doorverwijzing naar intensievere vormen van hulpverlening en de zorgcoördinatie hebben de twee CJG-medewerkers geregeld contact met lokale en provinciale instellingen.
Het CJG is gevestigd in Ontmoetingscentrum De Kiepe, maar medewerkers gaan ook regelmatig de boer op. Zo stonden ze onlangs met een stand van het CJG op de markt in Pekela. Ze vroegen voorbijgangers of zij hun kind soms ook achter het behang wilden plakken. Ouders konden ter plekke opvoedtips op een behangrol schrijven.Veel ouders gingen de uitdaging aan en in de loop van de dag raakte de rol gevuld met tips en trucs.
De gemeente Boarnsterhim in Friesland bestaat uit achttien dorpen. Net als in Zeeland is het lastig om één fysiek inlooppunt te hebben. CJG-coördinator Jiske Sloot ‘We sluiten daarom zoveel mogelijk aan bij de plaatsen waar ouders al komen. Ze kunnen straks bij zoveel mogelijk voorzieningen terecht in hun eigen buurt’. Daarin zijn de ouders van Boarnsterhim niet uniek.
Veel ouders geven aan informatie liever op hun gemak achter de computer op te zoeken, dan dat ze de deur uit moeten om folders te halen of met een deskundige te spreken. Hoe laag de drempel van het CJG ook is. Steeds meer CJG’s gaan dan ook online. Met voorzieningen zoals Biblionet, DCJG en het virtuele CJG (VCJG) opgroei- en opvoedinformatie verstrekt.
Een vergelijkbaar initiatief is JongIn, dat zich richt op jongeren met cursusinformatie, nieuws, een quiz of een poll. Naar verwachting is eind 2010 ongeveer de helft van de gemeentelijke CJG’s ook bereikbaar via een online CJG.‘Het vervangt nooit het fysieke CJG-inlooppunt’, beklemtoont een woordvoerder. ‘Het programmaministerie heeft met opzet géén gedetailleerde blauwdruk voor het CJG aan gemeenten gegeven, zodat ze voor een groot deel naar eigen inzicht kunnen invullen. Maar elke gemeente moet een fysiek inlooppunt hebben.’
Wim Hoddenbagh, projectleider landelijke invoering CJG bij de VNG, zou het toch jammer vinden als de nadruk te veel op het fysieke inlooppunt komt te liggen. ‘Veel gemeenten hebben zich eerst gericht op goede samenwerking tussen de diverse instellingen die straks één voordeur hebben. Dat is ook het belangrijkste. Wat heb je aan een stapel stenen als de mensen niet goed samenwerken? Het hoeft ook geen nieuw gebouw te zijn, bestaande locaties zoals een consultatiebureau kunnen ook best opgeplust worden tot CJG.’
Officieel moet elke gemeente op zijn minst één inlooppunt hebben. ‘Wij kijken liever naar het bereik. Op Goeree-Overflakkee denken ze er over om CJG-bussen in te zetten. Dat werkt daar beter dan een gebouw op één plek.’
Draagvlak
Hoddenbagh is ervan overtuigd dat de CJG’s niet worden afgeschaft door een nieuw kabinet. ‘Er is bijna bij alle politieke partijen groot draagvlak voor de centra. Al leggen veel partijen het accent net even anders. De liberalen zouden het liefst afwillen van de naam CJG, daaraan zou teveel de nestgeur van de ChristenUnie zitten. Maar de brede beweging in de politiek is duidelijk gericht op overheveling van de jeugdzorg naar de gemeenten, en dat is positief.’
Peter Cuyvers vindt dat het CJG de tijd moet krijgen. ‘We zijn in Nederland te gehaast. Dit is een enorme operatie, het zal echt nog wel even duren voordat de CJG’s hun meerwaarde bewijzen. De Family Centers in Engeland bestaan al langer en daar beginnen de positieve resultaten zichtbaar te worden. Het is echt nog te vroeg om de vruchten al te willen plukken. Ze zijn nog niet rijp.’
Waarom een CJG?
Nederland heeft goede basisvoorzieningen voor jeugd en gezin. Toch valt er in hulpverlening jeugd tussen wal en schip, kan meer worden gedaan om vroegtijdig problemen te signaleren en werken instanties onvoldoende samen. Het kabinet wil met CJG’s dat snel, goed en gecoördineerd advies en hulp op maat vanzelfsprekend wordt (één gezin, één plan). Het moeten laagdrempelige fysieke inlooppunten zijn waar ouders en jeugd voor alles over opgroeien en opvoeden terecht kunnen.
Basismodel
Een CJG is pas een CJG als het aan de volgende punten voldoet:
- bundeling met Jeugdgezondheidszorg Consultatiebureaus en GGD
- integratie WMO-functies: informatie & advies, signalering, toeleiding naar hulp, lict pedagogische hulp, coördinatie van zorg met maatschappelijk werk, gezinscoaching en opvoedondersteuning
- schakel met Bureau Jeugdzorg
- schakel Zorg- en Adviesteams (ZAT's)
Lokaal maatwerk
Naast het Basismodel zijn er veel functies die als lokaal maatwerk aan het CJG kunnen worden gekoppeld, zoals kinderopvang, peuterspeelzaal, voor- en vroegschoolse educatie, leerplichtambtenaren, maatschappelijk werk, jongerenwerk, huisartsen, diensten werk en inkomen en politie en Justitie.
Op de site www.cjg.nl wordt op een kaart van Nederland bijgehouden waar de lokale CJG's zitten.
Floor de Booys