of 59045 LinkedIn

‘Gemeenten doen maar wat’

Rick Kwekkeboom onderzoekt hoe netwerken kunnen worden ontwikkeld en versterkt en wat hun rol is in de maatschappij. Onlangs gaf ze er voor gemeenteambtenaren een lezing over. Maar in de vraag wat sociale netwerken zijn, hoe ze in elkaar steken en wat de kracht ervan is, waren de toehoorders niet erg geïnteresseerd. Kwekkeboom: ‘Ze wilden meteen verder. Hoe kregen ze iemand die een Wmo-verstrekking vraagt zover dat hij niet bij hen uitkwam, maar bij z’n sociale netwerk?’

Mensen met een zorgvraag moeten hun sociale netwerk beter benutten. Het is de mantra achter de decentralisaties. Maar hoe kunnen gemeenten die eigen kracht stimuleren? Dat weet gek genoeg niemand, stelt onderzoekster Rick Kwekkeboom.

‘Als je ziek bent en je kunt het huis niet uit voor boodschappen, bel je dan de gemeente?’ De vraag stellen is ‘m beantwoorden, vindt lector Community Care van de Hogeschool van Amsterdam Rick Kwekkeboom. Het is maar de vraag of de veronderstelling dat mensen voor alles naar de overheid kijken wel terecht is, bedoelt ze te zeggen. Ze is bijna hersteld van een flinke verkoudheid die haar een paar dagen op bed hield. ‘Mijn buurvrouw kwam ook nog even langs om te vragen of ik nog wat nodig had.’

Kwekkeboom onderzoekt hoe netwerken kunnen worden ontwikkeld en versterkt en wat hun rol is in de maatschappij. Onlangs gaf ze er voor gemeenteambtenaren een lezing over. Maar in de vraag wat sociale netwerken zijn, hoe ze in elkaar steken en wat de kracht ervan is, waren de toehoorders niet erg geïnteresseerd. Kwekkeboom: ‘Ze wilden meteen verder. Hoe kregen ze iemand die een Wmo-verstrekking vraagt zover dat hij niet bij hen uitkwam, maar bij z’n sociale netwerk?’

Het voedt de hypothese dat mensen met een hulpvraag wel over een sociaal netwerk beschikken, maar daar nog geen hulp hebben gevraagd. De Wmo-consulent hoeft er alleen maar even op te wijzen en klaar is Kees. ‘Heel pragmatisch, maar met een verkeerde aanname’, vindt Kwekkeboom. ‘Uit mijn onderzoeken weet ik dat in Nederland het aanbod aan informele zorg al heel groot is. Een belangrijk deel van de zorgvragen die er leven, zijn niet in beeld bij professionals of beleidsmakers. Dat wordt allemaal in het informele circuit geregeld door een enorm aantal mantelzorgers en vrijwilligers. Deze zorgvragen komen pas in beeld bij de professionals als de mantelzorg uitgeput is of om andere redenen wegvalt. Als mensen een beroep op de gemeente gaan doen, is dat dus een signaal dat de grenzen van het eigen netwerk bereikt zijn. Of dat er helemaal geen netwerk is.’

Framing

Het beeld dat mensen per definitie naar de overheid stappen is dus niet juist, maar wel enigszins begrijpelijk, vindt Kwekkeboom. Het heeft te maken met framing van zowel gemeenten als media, maar ook met het feit dat de praktijk vaak anders is dan de theorie. ‘In enquêtes vullen mensen in dat uiteindelijk de overheid verantwoordelijk is voor de zorgverlening. Maar als er zich daadwerkelijk iets voordoet, zie je dat mensen meestal eerst in hun eigen omgeving naar een oplossing zoeken. Gemeenten én professionals gaan te vaak uit van de theorie.’

Slaan rijk en gemeenten dan helemaal de plank mis als ze denken dat er winst te behalen valt bij het extra aanspreken van iemands sociale netwerk? Nee, denkt Kwekkeboom. Maar dat gaat niet vanzelf. Gemeenten moeten daarom goed nadenken hoe ze de zorgkracht van sociale netwerken willen vergroten en daar actief mee aan de slag gaan.

In een onderzoek voor mantelzorg- en vrijwilligersorganisatie Mezzo onderscheidde ze drie typen interventies die daarvoor kunnen worden ingezet.

De eerste is gericht op het vergroten van het sociale netwerk. ‘Gemeenten kunnen interventies aanbieden met als doel dat mensen meer in contact komen met anderen. Het mes snijdt daarbij aan twee kanten. Door meer contacten is de kans op eenzaamheid kleiner, wat het beroep op professionele hulp verlaagt. Bovendien: als er dan hulp nodig is, is er meteen een groter netwerk.’

Daarnaast kunnen gemeenten activiteiten aanbieden gericht op het versterken van een netwerk. ‘Zet mensen af en toe met z’n allen aan een tafel. Dat is gezellig en daarnaast kan worden gekeken of bestaande familie- en vriendenverbanden kunnen worden benut voor onderlinge hulpverlening. Een gezelligheidsnetwerk kan dan een zorgverlenend netwerk worden.’

Acceptatie
De derde manier is gericht op de samenleving: het bevorderen van de acceptatie van mensen met een zorgvraag. ‘Je kunt burgers erover voorlichten dat je voor iemand met een verstandelijke beperking of psychische problemen niet bang hoeft te zijn’, legt Kwekkeboom uit. ‘Het moet wat vanzelfsprekender worden dat ook deze burgers in de samenleving een plekje hebben. En dat de samenleving niet antwoordt met “jij bent gek” of “jij hoort er niet bij.”’ Dit staat volgens Kwekkeboom los van de sociale netwerken, maar kan er wel invloed op hebben. ‘De zorgvraag van deze mensen kan minder worden, omdat er minder uitsluiting plaatsvindt en iemand meer contact krijgt met de samenleving.’

Buddies, netwerkcoaches, Moeders informeren moeders, Mijnbuurtje.nl, Mantelscan, Peuter in zicht!, Eigen Kracht Conferenties – de lijst met interventies om sociale netwerken te versterken is lang en het enthousiasme waar ze mee worden ingezet groot. Maar wat werkt?

‘Dat weet eigenlijk niemand’, is het even simpele als onthutsende oordeel van Kwekkeboom. ‘Op de korte termijn kunnen we wel wat resultaten geven, maar of al deze zaken ook op de langere duur effect hebben, weten we niet. Simpelweg omdat we dat nooit hebben onderzocht. In de gezondheidszorg is het heel normaal dat je de duurzaamheid van beleid onderzoekt en na enige jaren kunt zeggen of iets werkt.’ In het sociaal domein ontbreekt volgens haar een dergelijke systematische aanpak.

Gemeenten en instellingen doen dus eigenlijk maar wat? ‘Ja, als je het negatief ziet, is dat zo’, zegt Kwekkeboom. ‘De sector kenmerkt zich door steeds weer nieuwe interventies toe te passen. Vanuit een grote betrokkenheid en het idee dat je soms snel moet handelen, wordt er als een soort Hansje Brinker ergens een vinger in de dijk gestoken. Maar op een bepaald moment mag je je toch afvragen of je niet beter ergens een stevige dijk kunt neerleggen.’

Gezellig buurthuis
Over de resultaten over een langere periode is dus eigenlijk niets te zeggen. Maar hoe zit het met de korte termijn: wat is effectief, wat niet? Ook daar kan Kwekkeboom weinig over zeggen. Er worden projecten opgetuigd, vol enthousiasme uitgevoerd en soms afgesloten met een tevredenheidsonderzoekje, weet ze. ‘Daar volgt dan uit dat de mensen er blij mee zijn en op zich is dat natuurlijk winst. Maar waar het succes vandaan komt en of de methode ergens anders ook toepasbaar is, dat wordt niet onderzocht. Misschien ligt een deel van het succes in het gezellige buurthuis. Eigenlijk weten we ook daar heel weinig van.’

Kwekkeboom zou graag zien dat gemeenten in hun pogingen de kracht van sociale netwerken te versterken toch een klein deeltje van het budget zouden uittrekken voor een onderzoek naar de effectiviteit. Maar dat is lastig. In plaats van naar de effecten op lange termijn te kijken, presenteren ambtenaren en wethouders liever meteen een resultaat. Over tien jaar zit er een andere wethouder en kan de wereld er weer geheel anders uitzien.

Als Kwekkeboom de gemeenten een tip mag geven, dan raadt ze aan in te zetten op projecten rondom sociale inclusie. Want als de samenleving minder grenzen kent voor mensen met een beperking, dan wordt het voor hen makkelijker om zelfstandig te leven. En daar zou wel eens de meeste duurzame oplossing kunnen liggen. ‘Want iemand die zelf naar een winkel kan lopen, omdat de gemeente de stoep heeft verlaagd, heeft geen hulp nodig om over een drempeltje te komen.’ Vermoedt ze, want om daar zeker van te zijn, is eerst gedegen onderzoek nodig.


CV Rick Kwekkeboom
Geboren in1958 in Fijnaart. Studeerde aan de toenmalige Landbouwhogeschool in Wageningen en specialiseerde zich in maatschappelijke en geestelijke gezondheidszorg. In 1985 werd ze wetenschappelijk ambtenaar bij het stafbureau onderzoek bij het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. In 1991 stapte zij over naar het Sociaal en Cultureel Planbureau waar ze onderzoek deed naar het lokale beleid en voorzieningenaanbod voor mensen met langdurige beperkingen. In 2001 promoveerde ze op een onderzoek naar het draagvlak en de draagkracht voor de vermaatschappelijking in de geestelijke gezondheidszorg. Vanaf 2010 is Rick Kwekkeboom lector Community Care bij de Hogeschool van Amsterdam.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.