of 58940 LinkedIn

Essay: Statushouder verdient maatwerk

Start eerder, breng de achtergrond van de statushouders beter in kaart en betrek burgers, maatschappelijke organisaties en marktpartijen erbij, betogen Linda Bakker, Bart Geurts en Iri Angeli.
Reageer

De integratie van statushouders vereist een omslag in het gemeentelijk beleid. Start eerder, breng de achtergrond van de statushouders beter in kaart en betrek burgers, maatschappelijke organisaties en marktpartijen erbij, betogen Linda Bakker, Bart Geurts en Iri Angeli.

De afgelopen jaren is de instroom van vluchtelingen in Europa en Nederland sterk gegroeid. Als gevolg hiervan moeten gemeenten in Nederland dit jaar 43 duizend statushouders huisvesten. Dit is een kwart meer dan in 2015 en meer dan een verdubbeling ten opzichte van 2014. Gemeenten staan niet alleen voor de uitdaging om passende woonruimte voor deze groep te realiseren, maar ook om de vluchtelingen goed te laten landen in de gemeente. Ten behoeve van de sociale cohesie en het beperkt houden van de bijstandskosten is integratie van statushouders van groot belang. In dit artikel doen we drie aanbevelingen aan gemeenten voor het vervullen van deze uitdaging.

Officieel hebben gemeenten na het afgeven van een verblijfsvergunning twaalf weken de tijd om een woning te vinden voor statushouders. Uit cijfers van  het COA blijkt echter dat de helft van de statushouders die in 2015 of in de eerste helft van 2016 een status hebben verkregen op 1 mei 2016 nog geen woning heeft. Totaal wachten nu nog ruim 16 duizend statushouders in het azc op een woning. Voor statushouders betekent dit dat ze in het azc (of in tijdelijke huisvesting in de vorm van een zogenaamd ‘zelf zorg-arrangement’) blijven wonen totdat een geschikte woning is toegewezen.

Zolang statushouders in een azc wonen, vallen ze onder de verantwoordelijkheid van het COA. Pas na het betrekken van de woning kan de statushouder aanspraak maken op inkomensvoorzieningen en ondersteuning vanuit de gemeente bij bijvoorbeeld begeleiding naar werk. Om op lange termijn hoge bijstandskosten en lage participatie van statushouders te voorkomen, raden we echter aan dat gemeenten al in het azc starten met de begeleiding van statushouders.

Uit onderzoek is namelijk gebleken dat een lang verblijf in een AZC succesvolle integratie belemmert. Het lange wachten in een omgeving met weinig privacy en beperkte rechten en mogelijkheden op het gebied van arbeid heeft een negatief effect op de mentale gezondheid van statushouders. Op de lange termijn beperkt dit ook hun participatie en kansen op de arbeidsmarkt.

Momenteel aarzelen gemeenten veelal om statushouders te begeleiden wanneer deze nog in het azc verblijven, onder andere omdat het risico bestaat dat de statushouder uiteindelijk wordt gehuisvest in een andere gemeente. Eventuele investeringen vloeien daarom niet direct terug naar de gemeente waar het azc is gevestigd. Maar in deze fase leveren investeringen in taal, onderwijs en inburgering maatschappelijke waarde op landelijk niveau. Hoe meer gemeenten deze uitdaging gezamenlijk aangaan, hoe meer alle gemeenten hier de voordelen van ondervinden.

Assessments
De gemeente Amsterdam heeft onlangs 6 miljoen euro vrijgemaakt voor het uitvoeren van assessments bij statushouders in het azc die aan de gemeente zijn gekoppeld voor huisvesting. Nog voordat ze in de gemeente wonen, wordt hiermee duidelijk wat voor werk ze kunnen doen of dat ze eerst behoefte hebben aan een opleiding, taalonderwijs of zorg. Het doel is al in het azc te starten met taaltraining en statushouders te koppelen aan werkgevers die personeel kunnen gebruiken.

Dat kan bijkomende voordelen opleveren. Wanneer een statushouder die nog in het azc woont ook werk vindt in zijn woongemeente, dan kan de statushouder ook voor huisvesting aan die gemeente worden gekoppeld. Zo kan een gemeente invloed uitoefenen op welke statushouders in de gemeente worden geplaatst – interessant voor gemeenten die bijvoorbeeld een specifieke werkgelegenheid bieden.

Zo experimenteert de gemeente Eindhoven, die behoefte heeft aan hoogopgeleiden in met name de technische sector, met een matchingsproces. Daarbij worden op het moment van statusverlening de capaciteiten en ambities van de statushouder in kaart gebracht met het doel hem zo snel mogelijk te koppelen aan passende vacatures en werkgevers.

De gemeente Utrecht heeft zich onlangs als doel gesteld alle asielzoekers die in eerste instantie in Utrecht worden opgevangen ook hier te huisvesten op het moment van statusverlening. Daardoor krijgt de gemeente meer grip op de instroom én kan de integratie van statushouders versnellen.

Samenstelling
Inzicht in de samenstelling van de groep statushouders waarvoor de gemeente verantwoordelijk wordt, helpt gemeenten zich goed voor te bereiden op hun komst. Uit onderzoek blijkt dat mannen, hoogopgeleiden en vluchtelingen die op jonge leeftijd aankomen in Nederland meer kans hebben op een baan en vaak ook gezonder zijn dan vrouwen, ouderen en vluchtelingen zonder opleiding. Ook zijn er grote verschillen tussen herkomstlanden. Zo is de participatie op de arbeidsmarkt van Iraniërs hoger dan de participatie van Somaliërs. Het is daarom belangrijk te weten hoe de groep statushouders die zich in een gemeente zal vestigen is samengesteld.

Inzicht in de doelgroepen maakt het mogelijk om doelmatig beleid te voeren. Een voorbeeld: bij de instroom van Somalische statushouders in de gemeente is het van belang een taalcursus aan te kunnen bieden die gericht is op analfabeten. Dit omdat een derde van de Somalische vluchtelingen in Nederland ongeschoold is. In tegenstelling tot de Somaliërs is de Iraanse groep juist relatief hoogopgeleid; tweederde heeft een opleiding afgerond op hbo/wo-niveau.

Voor deze groep is een taalcursus gericht op hoogopgeleiden van belang, wellicht in combinatie met een oriëntatie op de arbeidsmarkt of een werkervaringsplek. Andere relevante vragen zijn: gaat het met name om alleenstaanden of juist om (grote) gezinnen? Hoeveel leerplichtigen kunnen we verwachten in verband met beschikbare plaatsen op scholen? Hoeveel alleenstaande minderjarige statushouders of hoeveel ouderen in verband met verwacht (jeugd)zorg gebruik of behoefte? Alleen dan kan de gemeente zorgdragen voor passende huisvesting, arbeidsmarkttoeleiding en andere faciliteiten. Ketensamenwerking met het COA ten aanzien van informatievoorziening is hierbij cruciaal.

Good practices
Een laatste, maar niet onbelangrijke suggestie is het ontwikkelen van een integrale benadering, ten eerste tussen de domeinen wonen, werk, zorg. Uit onderzoek blijkt dat vluchtelingen pas na een verblijf van vijf jaar substantieel toetreden tot de arbeidsmarkt. Integraal beleid kan dit proces versnellen en daarmee de bijstandskosten in gemeenten naar beneden brengen. Good practices uit andere gemeenten kunnen hierbij een voorbeeld zijn, zoals het combineren van inburgering en oriëntatie op werk in de gemeente Amersfoort. Of het zoeken van samenwerkingsverbanden met de lokale arbeidsmarkt, zodat het leren van de Nederlandse taal gecombineerd kan worden met betaald werk. Een andere good practice is dat onder andere de gemeente Amsterdam het voor vluchtelingen mogelijk maakt om te studeren met behoud van uitkering.

Het behalen van een Nederlands diploma vergroot de kansen op arbeidsmarktparticipatie van vluchtelingen aanzienlijk. Bovendien verhoogt het de kansen op een baan die past bij het opleidingsniveau, wat op lange termijn waarde toevoegt. Wanneer de gemeente inzicht heeft in de omvang van de vraag en de samenstelling van de statushouders kent, kan zij zorg dragen voor passend integraal beleid.

Daaronder verstaan we ook een samenhangende benadering van alle doelgroepen. De gemeenten zijn met de ingang van de Wmo, Jeugdwet en Participatiewet per 1 januari 2015 immers verantwoordelijk voor meerdere kwetsbare doelgroepen. De focus verschuift daarbij onder andere van doelgroepenbeleid naar algemene en maatwerkvoorzieningen die veel meer uitgaan van de behoefte van de cliënt in plaats van de grondslag en achtergrond. Door niet bij voorbaat te categoriseren op specifieke achtergrond of problematiek worden statushouders waarschijnlijk sneller opgenomen in de maatschappij.

Voor een succesvolle integrale benadering raden we gemeenten aan om alle betrokkenen al in een vroeg stadium bij het integratieproces te betrekken. Door het gesprek aan te gaan met reeds bij de integratie betrokken instanties, maar ook met allerlei initiatieven van burgers, maatschappelijke organisaties en marktpartijen komt het gezamenlijke belang voor de statushouders, de burgers in de gemeente en andere belanghebbenden naar voren. Dit helpt bij het starten van integrale initiatieven met betrekking tot wonen, zorg en passend werk.

Belangrijk daarbij is om de nadruk te leggen op het snel doen (experimenteren, ervan leren en weer iets nieuws proberen). De gemeente heeft daarbij met name bij de start een verbindende en regisserende rol.

Bart Geurts is adviseur* en maakt gegevens inzichtelijk in het sociaal domein.
Linda Bakker promoveerde in januari 2016 op de integratie van vluchtelingen in Nederland. Nu werkt ze als onderzoeker en adviseur*.
Iri Angeli is als senior adviseur* verantwoordelijk voor de marktgroep sociaal domein.

* Alle drie de auteurs zijn werkzaam bij advies- en onderzoeksbureau Significant

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.