of 59250 LinkedIn

De zachte hand versus de harde

In hun bijstandsaanpak staan de twee grootste steden faliekant tegenover elkaar. Rotterdam is strenger op instroom, Amsterdam is sterker in uitstroom. Wethouders Maarten Struijvenberg (Leefbaar Rotterdam) en Arjan Vliegenthart (Amsterdam, SP) schermen met hun successen. Een dubbelinterview.

In hun bijstandsaanpak staan de twee grootste steden faliekant tegenover elkaar. Rotterdam is strenger op instroom, Amsterdam is sterker in uitstroom. Wethouders Maarten Struijvenberg (Leefbaar Rotterdam) en Arjan Vliegenthart (Amsterdam, SP) schermen met hun successen. Een dubbelinterview.

Rotterdam en Amsterdam claimen succes bijstandsaanpak

We beginnen met een heet hangijzer: de tegenprestatie. Een principiële discussie. Rotterdam vraagt van een flinke groep bijstandsgerechtigden een tegenprestatie, Amsterdam moet daar niks van hebben. Moet de verplichte tegenprestatie uit de Participatiewet, zodat meer plek is voor maatwerk, of juist nog verplichtender?
Vliegenthart: ‘Volgens mij gaat het eerder om effectiviteit. Wat helpt om mensen actief mee te laten doen? Elk onderzoek laat zien dat mensen die meedoen gelukkiger en gezonder zijn. Dat is goed voor de stad en de mensen. Ik heb geen tegenprestatie nodig om mensen in beweging te krijgen. De meeste mensen die je vriendelijk vraagt mee te doen, doen mee en daar ben ik heel blij mee. Wij kunnen de huidige wet zonder tegenprestatie uitvoeren, dus de Participatiewet mag van mij zo blijven. Verder hebben wij voor een onsje beleidsvrijheid de afgelopen jaren kilo’s geld ingeleverd: minder bijstandsbudget, de sociale werkvoorziening is afgebroken, het re-integratiebudget drastisch gekort. Dat verander ik liever dan symboolpolitiek.’

Struijvenberg: ‘Ik vind het vreemd dat gemeenten de wet te streng of verplichtend vinden. Dertig jaar ander beleid leidde tot de huidige situatie. Geef de wet een kans en voer het uit. Vernieuwend in Rotterdam is dat mensen iets terug kunnen doen voor hun uitkering. Dat is geen symboolpolitiek. Veel mensen doen al iets terug, anderen helpen we ermee. Er zijn ook mensen die het niet willen, vaak uit angst. De tegenprestatie is bedoeld voor mensen met een lange afstand tot de arbeidsmarkt die niet zelfstandig een baan kunnen vinden. Ze zijn gemiddeld 51 jaar oud en zitten 11 jaar in de bijstand. Die mensen hebben angst om weer aan het arbeidsproces deel te nemen. Ze hebben een gebrekkige motivatie en laag zelfbeeld. Het is belangrijk hen toch mee te krijgen.

Wij stellen dat verplicht. Ze komen binnen met weerstand, maar komen wel en wij vragen wat ze graag willen doen. We kunnen met één uur werk per week beginnen, einddoel is twintig uur. Na drie of zes maanden blijken mensen blij met onze hulp: ze hebben meer sociale contacten, meer zelfvertrouwen en een betere gezondheid. Uitstroom naar betaald werk is niet ons primaire doel voor hen, maar logischerwijs vergroten ze met twintig uur per week werk wel hun arbeidsmarktkansen. Het lukt ons om ongeveer 150 mensen per jaar uit die doelgroep naar betaald werk te begeleiden. Dat vind ik een succes.’

Mist Vliegenthart die groep niet in zijn Amsterdamse bijstandsbestand?
Vliegenthart: ‘Nee, maar Maarten, hoeveel mensen heb je de afgelopen vier jaar van de bank gekregen met de tegenprestatie?’

Struijvenberg: ‘Twaalfduizend, inclusief de mensen die graag iets wilden doen.’ Vliegenthart: ‘Precies, in de afgelopen twee jaar hebben wij met onze aanpak vijftienduizend mensen in beweging gekregen. Dat zijn iets betere resultaten, maar met een zachte hand.’

Struijvenberg: ‘Dat is uitstroom naar betaald werk. Dat is een andere doelgroep.’ Vliegenthart ‘Nee, dat zijn mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daar hebben we het programma Meedoen werk voor. Daarin hebben we stevig geïnvesteerd. Zo kan het dus ook.’ Struijvenberg: ‘Daar geloof ik niets van.’ Vliegenthart: ‘Ik kan de cijfers zo doorsturen.’

Waarom gelooft Struijvenberg zijn Amsterdamse collega niet?
Struijvenberg ‘Het Amsterdamse en Rotterdamse bijstandsbestand is ongeveer even groot. Het Amsterdamse bijstandsbestand kan niet volledig anders zijn. Er zijn verschillen: het gemiddelde opleidingsniveau is in Amsterdam hoger, de bijstandsduur korter. Maar onder de tienduizenden Rotterdammers met een afstand tot de arbeidsmarkt krijg je er relatief veel niet met een vriendelijke vraag in beweging. Ik heb een speciaal programma, waarin honderd ambtenaren in 42 wijken hieraan werken. We investeren er jaarlijks miljoenen in en dan kom je op die twaalfduizend. Het lijkt mij onlogisch dat je met vriendelijk vragen aan die onwillende groep op hetzelfde aantal uitkomt.’

Vliegenthart: ‘Ik investeer 8 miljoen euro per jaar in Meedoen werkt. Wij hebben acht teams, zeven voor de stadsdelen en een vliegende kiep. Het gaat om effectiviteit. Veel mensen tonen eerst weerstand, maar die krijg je wel degelijk in beweging zonder dreiging van bijstandskorting. Een advocaat complimenteerde ons met hoe we een brief aan bijstandsgerechtigden begonnen: hoe gaat het met u? Dat wil de gemeente graag weten. Mensen stellen dat op prijs en komen in beweging. Natuurlijk moet je hen aandacht en zorg geven, maar de vraag is op welke toon je het gesprek aangaat. Met een duwtje in de rug kun je mensen vriendelijk motiveren iets te gaan doen. Ik heb daar geen tegenprestatie voor nodig. Dat doen wij op een andere, effectieve manier.’

Struijvenberg: ‘De eerste brief die ze van mij ontvangen is dat ze verplicht moeten verschijnen op het gesprek. Dan kijken we naar de mogelijkheden. Er is genoeg werk in de stad. We proberen mensen te matchen op hun motivatie en dat lukt ook.’

VU-hoogleraar economie Bas van der Klaauw deed in 2012 een experiment in Amsterdam: eerst twee weken zoeken voor je een bijstandsuitkering ontvangt. Resultaat: 20 procent kwam niet terug en de kosten daalden met 25 procent. Nu kent Rotterdam een dergelijke zoekperiode van vier weken. Waarom Amsterdam niet?
Vliegenthart: ‘Mijn voorganger deed dat. Ik maak een andere bestuurlijke keuze. Willen moet je kunnen. Een bijstandsuitkering aanvragen doen veel mensen met grote tegenzin. Die weten niet waar te beginnen. Wij kiezen ervoor naast Amsterdammers te staan. Wij nemen ze bij de hand en begeleiden ze. Dan krijg je andere effecten. Als naar werk begeleiden niet lukt, kunnen ze zinvol vrijwilligerswerk doen.’ Struijvenberg: ‘Hoeveel heb je van die mensen, waarbij vrijwilligerswerk het hoogst haalbare is?

Vliegenthart: ‘We hebben 41.000 mensen in de bijstand. Daarvan zouden 11.000 binnen een half jaar naar werk kunnen, 30.000 hebben langer nodig. Die doen vrijwilligerswerk en daar houden we qua werkmogelijkheden een vinger aan de pols. Ze hoeven niet binnen een half jaar aan het werk en dus ook geen nutteloze sollicitatiebrieven te schrijven.’

Struijvenberg: ‘Dat is interessant. Ik heb van de 38.000 er 20.000 in die laatste groep. Dat is de helft, bij hem is het driekwart. Het is maar hoe je naar de bijstand kijkt. Ik hoor mijn collega zeggen: “Iedereen in de bijstand is hetzelfde”, “Iedereen doet zijn best” of “Er zijn geen banen.” Ik ben voor maatwerk en dat zie je terug in die zoekperiode. Alle factoren worden meegenomen, want niet iedereen is hetzelfde. In dat maatwerk zit begeleiding naar werk, voor sommigen een verplichting en soms zijn we iets strenger in het aantal sollicitaties. Als het niet op maat lukt, is er een handhavingscomponent. Dat is dus al maatwerk, omdat je rekening met ze houdt.’

In het tv-programma De Monitor zat dit jaar een bijna pensioengerechtigde dame die veertig jaar had gewerkt. Nadat ze haar baan bij een bank kwijtraakte moest ze als tegenprestatie acht uur in de week washandjes vouwen, terwijl ze als vrijwilliger bij een kredietbank wilde werken. Dat is toch geen maatwerk?
Struijvenberg: ‘Dat was het re-integratietraject WerkLoont voor mensen die nieuw zijn in de bijstand en een korte afstand hebben tot de arbeidsmarkt. Zij kunnen prima solliciteren. Ze krijgen cursussen, vier uur per week huiswerk en moeten acht uur werken. De keuze is beperkt. Die mevrouw koos voor de binnendienst en dat was dit.

Het traject werkt wel. Het scheelt 12 procent aan instroom en er is 7 procent meer uitstroom naar betaald werk, toont onafhankelijk onderzoek van de Erasmus Universiteit aan. Niet iedereen vindt een baan, maar er zijn wel significante verschillen.’

Vliegenthart: ‘Die mevrouw in De Monitor was niet te spreken over het Rotterdamse beleid. Het heeft haar niet echt geholpen. Ik geloof de cijfers van de Erasmus Universiteit wel. Het is maar waar je voor kiest. Met onze zachtere hand, behalen we een beter resultaat in uitstroom naar werk. Wij differentiëren ook, maar kijken anders naar bijstandsgerechtigden. Wie zegt: als je werkloos bent, is dat je eigen schuld en moet je zo snel mogelijk richting werk worden begeleid, komt op ander instrumentarium dan wie zegt: werkloosheid ontstaat door arbeidsmarktverschillen, waardoor voor bepaalde mensen geen plek is.’

Struijvenberg: ‘Dat bedoel ik. Dat uitgangspunt is niet erg gedifferentieerd. Het ligt er maar aan. Sommige mensen zitten tegen hun zin en buiten hun schuld in de bijstand.’

Vliegenthart: ‘Nee, Maarten, nu even heel scherp. Het gaat erom: wat is de primaire insteek van jouw beleid? Is jouw beleid veel meer ingericht vanuit het basisprincipe dat mensen zelf schuld hebben aan hun eigen werkloosheid…’

Struijvenberg: ‘Nee, dat is niet waar. Het is geen schuldvraag.’ Vliegenthart: ‘Nou, die mevrouw bij De Monitor zei: ik wil graag, ik doe mijn best, maar ik word beziggehouden met vernederend werk. Ik krijg een schuldgevoel voor datgene wat ik moet doen, namelijk een bijstandsuitkering aanvragen.’ Struijvenberg: ‘Dat lijkt me onterecht.’ Vliegenthart: ‘Dat is het effect van beleid op mensen. Ik wil niet dat mensen dat gevoel krijgen. Ik vind het belangrijk dat de gemeente naast mensen staat en ze helpt. Daar heb ik mijn beleid op ingericht.’ Struijvenberg: ‘Waarom leg je woorden in mijn mond dat ik vind dat die mevrouw schuld heeft aan haar situatie? Dat vind ik helemaal niet.’

Vliegenthart: ‘Ik stel vast dat het beleid bij mensen om wie het gaat, zoals die mevrouw, zo bij hen binnenkomt. Dat zijn mensen van goede wil die geen baan kunnen vinden. En daarom zeg ik wat ik zeg. Er is een fundamenteel andere beleidsbenadering tussen Amsterdam en Rotterdam en ik sta voor mijn benadering.’

Struijvenberg: ‘Het is goed dat je staat voor je beleid. Zo ken ik je ook. Maar ik laat me toch niet aanpraten dat ik vind dat iedereen in de bijstand daar zelf schuld aan heeft? Dat is niet zo. Ik vind het redelijk en billijk van mensen die jaarlijks een bijstandsuitkering van 14.000 euro ontvangen te vragen om vijftien weken één dag per week zulke werkzaamheden te doen, omdat het een effectief instrument is om uitstroom te bevorderen. Dat zijn drie werkweken. Dat heeft niets met schuld te maken.’


Afbeelding

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.