of 59054 LinkedIn

Kansen en valkuilen van de nieuwe Omgevingswet

Christiaan Gort, Andre Oostdijk, Frank de Vries Reageer

Het is bijna zover. De Tweede Kamer staat op het punt om het wetsvoorstel ‘Omgevingswet’ goed te keuren. Daarmee zet de Kamer een belangrijke volgende stap op weg naar de herziening van het ruimtelijk omgevingsrecht. 

Volgens sommigen is dit het belangrijkste wetgevingstraject sinds Thorbeckes Grondwet van 1848. Dat is nogal wat. Maakt deze wet deze pretentie waar en hoe verhoudt de wet zich tot ‘het Huis van Thorbecke’? 

De ingrediënten voor de nieuwe wetgeving zijn op het eerste gezicht overzichtelijk en helder. Het sturingsinstrumentarium in het ruimtelijk domein is complex en versnipperd. Dat leidt  tot stroperige procedures en hoge maatschappelijke kosten. Dat moet anders, eenvoudiger en beter.

De nieuwe Omgevingswet kiest voor groei en ontwikkeling ten faveure van rechtszekerheid en sluit aan bij actuele veranderingen op de ‘werkvloer’ van de ruimtelijke ontwikkeling. Hierbij past een uitnodigingsgerichte planologie, ruimte voor bottum-up initiatieven en het gebruik van nieuwe technieken in de ruimtelijke gereedschapskist. Denk hierbij aan de toepassing van prefab producten in de bouw en de opmars van 3D-printing.

Tot zover eerst even het goede nieuws. De Omgevingswet kent echt serieuze gebreken.  De Raad van State wees terecht op de onheldere bevoegdheidsverdeling tussen provincies en gemeenten.  Dat doet ten principale afbreuk aan een aantal uitgangspunten van de nieuwe wet, zoals bijvoorbeeld de ‘een-loket-gedachte’.  Een prachtig vertrekpunt, maar dan moeten we wel weten waar dat loket staat.

Daar komt nog een bezwaar bij. Zolang het vraagstuk van de bevoegdheidsverdeling niet afdoende is geregeld, dreigt het gevaar van opschaling. En dat onderdrukt de latente wens van de wetgever om lokale afwegingsruimte te bevorderen. Het op maat gesneden kind dreigt met zijn lokale badwater weg te spoelen.

Uiteraard zal een deel van deze bezwaren door het aanstaande bestuursakkoord verdwijnen. Daarin maken betrokken bestuurslagen hierover immers afspraken. Rechtsstatelijk is dat een weinig fraaie keuze met een hoog poldergehalte. De verwachting is daarnaast dat de Tweede Kamer betrokkenheid zal afdwingen bij de AMvB’s die op basis van de wet binnenkort zullen verschijnen. Ook dat is wellicht minder fraai, maar wel onvermijdelijk.

Ondanks dit alles biedt de Omgevingswet voldoende wenkend perspectief. Dat ligt niet zozeer aan feit dat flink is gesnoeid in het aantal wettelijke regelingen en zelfs niet in de verwachting dat besluitvormingstrajecten sneller zullen verlopen. De kracht van de wet ligt elders. De Omgevingswet biedt volop kansen voor nieuwe inspiratie en dynamiek op het terrein van de ruimtelijke ordening.  En dat heeft alles te maken met de sturingsfilosofie die wet hanteert.  Dat is er eerder een van ‘ja, mits’, dan ‘nee, tenzij’.

En dat vraagt van gemeenten een andere, op participatie en overleg gebaseerde houding.

Of die winst te incasseren is, staat of valt met de wil van gemeenten om een cultuurverandering in de eigen organisatie tot stand te brengen en met de wijze waarop nieuwe open-planprocessen een kans krijgen. Hopelijk ontstaan inspirerende ‘driehoeksverhoudingen’ waarin gemeenten ‘aan tafel zitten’ met betrokken initiatiefnemers of burgers en externe professionals zoals architecten, bouwers en ander ruimtelijk volk. Zo’n werkwijze kan zorgen voor verhoogd democratisch draagvlak en een kwaliteitssprong in het ruimtelijk doemin. Een prachtig wenkend perspectief. Het Huis van Thorbecke in 3D? Het zou zomaar kunnen. Maar het gaat allemaal niet vanzelf. Het vraagt van gemeenten de komende tijd om durf en visie. Thorbecke zou het toejuichen.

 

Christiaan Gort en Andre Oostdijk zijn managing consultants bij Berenschot

Frank de Vries is staatsrechtjurist en was van in de periode 2006-2012 wethouder

ruimtelijke ordening van Groningen. Hij is thans als associé verbonden aan Berenschot

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.