of 58959 LinkedIn

Volledige decentralisatie maakt het omgevingsrecht echt eenvoudig

Wouter van der Gaag 1 reactie

Het omgevingsrecht wordt een stuk overzichtelijker als we de vier AMvB's van de Omgevingswet samenvoegen tot één, stelt columnist Jan van den Broek op binnenlandsbestuur.nl. Echt eenvoudiger wordt het pas als het omgevingsrecht werkelijk wordt gedecentraliseerd naar de lagere overheden, betoogt Wouter van der Gaag.

Op dit moment wordt het stelsel van het Omgevingsrecht verbouwd. Hiervoor ligt het wetsvoorstel Omgevingswet ter behandeling bij de Eerste Kamer. Daarnaast worden vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) ontwikkeld. Dit zijn het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken in de leefomgeving. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft verschillende partijen de gelegenheid geboden om in een vroegtijdig stadium input te leveren op de zogenaamde préconsultatieversies van deze vier AMvB’s.

 

Met deze vier AMvB’s, die in de plaats komen van 120 bestaande AMvB’s, wordt het Omgevingsrecht  een stuk eenvoudiger te raadplegen. Naar mijn mening heeft het ministerie hier knap werk geleverd. Geen reden om genoegen te nemen met dit resultaat, het kan namelijk nog een stuk eenvoudiger.

 

In zijn column van 18 november in Binnenlands Bestuur geeft Jan van den Broek al aan dat een ondernemer die een fabriek wilt bouwen nog steeds vier AMvB’s moet raadplegen. Hij noemt dit ‘juridisch kwartetten’. Volgens hem is het integreren van deze vier AMvB’s in het Omgevingsbesluit 2.0 de oplossing waarmee dit juridisch kwartetten kan worden voorkomen.

 

Ik vind dit een interessante gedachte. Het zou inderdaad helpen als de uitwerking van de Omgevingswet in één AMvB wordt geregeld. Echter, het nieuwe stelsel bevat meer dan de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit 2.0. Om het gehele stelsel te beoordelen moeten ook de nog op te stellen de ministeriële regeling(en) worden meegenomen.

 

Daarnaast blijkt uit de préconsultatieversies van de AMvB’s duidelijk dat het rijk de regulering van veel activiteiten overlaat aan de decentrale overheden. Dit betekent een decentralisatie ten opzicht van de huidige praktijk. Verder wordt de decentrale overheden een ruime bevoegdheid gegeven om via maatwerkregels in de decentrale regelgeving af te wijken van het Besluit activiteiten leefomgeving. Vanuit deze decentralisatie en de gewenste bestuurlijke afwegingsruimte zie ik een toenemend belang van de provinciale Omgevingsverordeningen, de gemeentelijke Omgevingsplannen en de Waterschapsverordeningen.

 

Nog eenvoudiger

Met het voorstel van Van den Broek is de ondernemer die een fabriek wilt bouwen maar ten delen geholpen. Deze ondernemer moet naast het Omgevingsbesluit 2.0 eveneens kennis nemen van de ministeriele regeling, provinciale Omgevingsverordening, gemeentelijk Omgevingsplan en de Waterschapsverordening. Dit kan verder worden vereenvoudigd.

 

Het stelsel van het Omgevingsrecht kan zo worden gebouwd dat de ondernemer kan volstaan met het raadplegen van het gemeentelijk Omgevingsplan en de Waterschapsverordening. Hiervoor moeten het Rijk en de provincies zich in hun regelgeving beperken tot instructies aan gemeenten en waterschappen en zelf niet langer algemeen verbindende bepaling stellen. Dit betekent dat het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken in de leefomgeving kunnen worden vervangen door instructieregels. Deze instructieregels kunnen samen met het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit worden opgenomen in het Omgevingsbesluit 2.0.

 

 

Wouter van der Gaag is werkzaam als beleidsadviseur bij het Hoogheemraadschap van Rijnland en is partime gedetacheerd bij de Unie van Waterschappen. Hij is nauw betrokken bij de ontwikkelingen rondom de Omgevingswet. Deze bijdrage is op persoonlijke titel geschreven.

 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Toine Goossens (Toezichthouder gedrag en moraal) op
Geachte heer van der Gaag,

Het is mijn ervaring dat gemeenten zich nauwelijks houden aan instructieregels en liever zelf het wiel uitvinden. Gemeenten zijn sterk gericht op de lokale autonomie. Zij verdedigen die autonomie tegen alle ontwikkelingen in, terwijl de samenleving op alle fronten om centrale aansturing roept.

Gemeenten doen maar wat, doen wat hen op dat moment uitkomt. Het ontduiken van de instructies omtrent de tarieven voor gezinshulp zijn daar het zoveelste voorbeeld van.

Provinciale en Rijks regelingen behoeden ondernemers voor gemeentelijke willekeur.