Veiligheid water is grondrecht
Het nieuw te vormen kabinet gaat bezuinigen op het overheidsapparaat, zoveel is zeker. Helaas spreekt uit de reeks heroverwegingsrapporten een alarmerend gebrek aan intellectuele diepgang. Op geen enkele manier gaan de rapporten over productiviteit en maatschappelijke efficiëntie in de publieke sector.
De boventoon voert de administratieve - bureaucratische - vraag naar kostenreductie. Het meeste bespaar je door taken af te stoten. Meer nog door de overheid op te heffen. Hetzelfde geldt trouwens voor de markt. Nog een stapje verder en je geeft Nederland terug aan de zee. Lekker goedkoop. Een efficiencymaatregel die voldoende besparingen oplevert om de verhuiskosten te bekostigen van een massamigratie naar hoger gelegen delen van Europa.
Een extreem idee? De opheffing van het waterschap als eigenstandige overheid is door zijn institutionele concurrenten tot doelmatigheidsmaatregel nummer 1 verheven. Er is zelfs brede steun voor in de Tweede Kamer. Provincies, gemeenten en (in stilte) Rijkswaterstaat zien in de crisis een kans. Het waterschap als onafhankelijke klokkenluider voor onze waterveiligheid kan ten langen leste de nek om worden gedraaid. In het voorbijgaan kan op doelmatige wijze een belastinggebied worden ingepikt.
De kabelbedrijven en energiebedrijven van gemeenten en provincies zijn met winst verkocht. Op naar een nieuwe prooi. Waterschappen zijn systeemrelevante instellingen. Daarom staan ze ook in de Grondwet. Opheffen van waterschappen is geen doelmatigheidsmaatregel. Het is een bestuurlijke systeemingreep.
Provincies willen waterschappen niet opheffen, maar zich het instituut toe-eigenen door er een watercorporatie van maken. Net als met woningnood valt met waterveiligheid momenteel politiek winst te behalen. Dat is voor de provincie mogelijk een besparing, maar voor de veiligheid een verlies. Ook gemeenten willen waterschappen niet kwijt. Zij zullen er een gemeenschappelijke regeling van moeten maken.
Op zijn best komt er dan een veiligheidsregio bij, georganiseerd rond stroomgebieden en dijkringen. Waarschijnlijker is de totstandkoming van een onzichtbare, op afstand geplaatste en - door het natuurlijke monopolie in de regio - extern nauwelijks meer te controleren ambtelijke uitvoeringsdienst voor regionaal waterbeheer. In beide gevallen wordt de bestuurlijke drukte er zeker niet minder door.
En Rijkswaterstaat? Dat is al gewend aan een nationale politiek die geen oog heeft voor het belang van strategisch beheer van grootschalige infrastructuur. ‘Waterstaat’ kan wel wat geld gebruiken voor het achterstallige onderhoud van zijn areaal in de ‘droge sector’. Waterbeheer is altijd een politieke strijd geweest. Een strijd om de macht over het water.
Waterschappen zitten vol met technici, ingenieurs en juristen. Zij communiceren over hun technische prestaties. Niet over de fundamentele menselijke waarden en maatschappelijke belangen waar zij voor staan. Onbedoeld bevestigen ze daarmee telkens weer het beeld een uitvoerende dienst te zijn.
Waar het technische blauwdrukdenken eindigt, begint het systeemdenken. In ons staatrechtelijke systeem hebben Rijk, provincies en gemeenten het recht en de taak - omwille van de doelmatigheid - alles tegen elkaar af te wegen. Kannonen tegen boter, werk tegen inkomen. Maar niet tegen waterveiligheid. Want dan houdt Nederland op te bestaan.
Vanuit systeemperspectief zijn de waterschappen constitutioneel verankerde buffers tegen bureaucratische doelmatigheid en politiek winstbejag. Zij zijn het geïnstitutionaliseerde grondrecht op waterveiligheid in Nederland. Na een grondige analyse van de systeemcrisis in het bancaire stelsel concludeerde de WRR onlangs: ‘Dunne buffers zijn goed voor de winstgevendheid, maar gevaarlijk voor het voortbestaan’. Zo is het maar net. Het zijn voortekenen van een zelfuitgelokte systeemcrisis.
Theo Toonen, hoogleraar Bestuurskunde Delft en Leiden