of 59236 LinkedIn

Opheffen? Grondwet wijzigen!

Reageer
Vanwege bezuinigingen, heroverwegingen en ‘bestuurlijke drukte’ wordt voorgesteld de waterschappen op te heffen. Dat kan niet zonder grondwetswijziging.

Artikel 133 van de Grondwet bevat de kernbepaling voor de waterbeheersorganisatie in Nederland. Plaats, tekst en strekking van dit artikel positioneren het waterschap als zelfstandig en volwaardig overheidslichaam, naast provincies en gemeenten. Evident is dat voor opheffing van de drie in de Grondwet verankerde decentrale overheidslichamen de Grondwet moet worden gewijzigd.

 

De decentrale eenheidsstaat is het in de Grondwet verankerde kenmerk van de Nederlandse staatsinrichting. De uitwerking van deze grondwettelijke positionering vindt plaats in de organieke wetgeving (Provincie, Gemeenteen Waterschapswet). Ook voor de ‘ombouw’ van het waterschap tot uitvoeringsorganisatie is een grondwetswijziging noodzakelijk. Artikel 133 Gw bepaalt namelijk dat het waterschap een eigen (verkozen) bestuur heeft.

 

De grondwetsbepaling borduurt voort op het rapport van de Studiecommissie Waterschappen (1974) en de regeringsnota Naar een nieuw waterschapsbestel? (1977), waarin opgenomen beschouwingen over het bestel van het waterschap (inclusief bestuursverkiezing). Omdat de ‘ombouw’ het waterschap van zijn eigen (verkozen) bestuur ontdoet, kan dit niet zonder grondwetswijziging geschieden. Dit geeft ruimte om rustiger na te denken of afschaffing van waterschappen de oplossing is voor een algemeen bestuurlijk en begrotingsprobleem. Het probleem is immers niet dat de waterschappen hun taak niet goed en tegen lage kosten uitvoeren.

 

Het Nederlandse integrale waterbeheer verdient niet alleen vanuit historisch perspectief, maar vooral vanwege de feitelijke en hoogst actuele noodzaak van een goed overstromingsrisicobeheer afgewogen besluitvorming over de bewoonbaarheid van deze laaggelegen delta. Dat legitimeert ook de bijzondere bestuurlijke organisatie. Financiering van deze belangrijkste publieke overheidstaak is in het waterschapsbestel gewaarborgd en staat niet bij iedere crisis of veranderende politieke wind ter discussie.

 

Waterbeheer is langetermijnbeheer. Met een grondwetswijziging is een aantal jaren gemoeid. Bovendien is bij de tweede lezing een meerderheid van tweederde van het aantal uitgebrachte stemmen vereist. Dit is geen overbodige luxe, want de discussie beperkt zich nu tot het schrappen van een bestuurslaag met slechts een financieelpolitieke motivatie. De ingreep levert financieel niet veel op, maar leidt tot flinke reorganisatieperikelen. De bestuurlijke drukte wordt niet minder.

 

Vanwege Europeesrechtelijke verplichtingen moet beheer ook organisatorisch op (deel)stroomgebiedniveau plaatsvinden. Overheveling van de waterschapstaak naar provincies vraagt onevenredig veel afstemming en coördinatie. Provinciegrenzen zijn geen stroomgebiedgrenzen. Overheveling naar het Rijk leidt tot vergaande centralisatie die haaks staat op het grondwettelijke decentralisatiebeginsel. Provincies, gemeenten en belanghebbenden rest dan nog maar weinig inbreng.

 

De financiering van waterbeheer is niet langer gegarandeerd en wordt constant afgewogen tegen andere belangen. Het is onduidelijk of kortetermijnvoordelen (die vanwege de grondwetswijziging moeilijk zijn aan te wijzen) ook voordelen op lange termijn opleveren. Vele landen kijken terecht met bewondering naar het waterschapsbestel, want nergens is waterbeheer zo goed geregeld dat inwoners nauwelijks stilstaan bij de vraag of ze veilig wonen, en of er voldoende en schoon water genoeg is. De noodzakelijke grondwetswijziging kan er hopelijk toe leiden dat de argumenten nog eens rustig op hun merites worden bezien.

 

Prof. mr. Marleen van Rijswick, hoogleraar Europees en nationaal waterrecht aan de Universiteit Utrecht

 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.