of 59045 LinkedIn

Geen eenheid in toezicht op risicobedrijven

Marleen Blommaert en Suzan Mathijssen Reageer

Onafhankelijk, helder en transparant milieutoezicht. Na de vuurwerkramp In Enschede, de explosie bij Chemiepack, en de incidenten bij Odfjell leek iedereen het erover eens te zijn dat het streven daarop gericht zou moeten zijn. Zestien jaar na de ramp in Enschede kan de vraag worden gesteld  hoe het is gesteld met het onafhankelijk milieutoezicht.

Vanaf het moment van de ramp zijn vele commissies aan de slag gegaan , is een stelsel van omgevingsdiensten opgericht en is veel verschoven, herschikt, hernoemd en gereorganiseerd en is wetgeving op de schop gegaan. Met onder meer de oprichting van het stelsel van omgevingsdiensten heeft een forse transitie plaatsgevonden.

 

De provinciale rekenkamers  onderzochten de rol van provincies bij de vergunningverlening-toezicht en handhaving - de zogenaamde VTH-taken - bij bedrijven met grote risico’s op zware ongevallen. Wat troffen de rekenkamers aan ?

 

In Nederland zijn ruim 400 ‘majeure risicobedrijven’. Dit zijn bedrijven waar op grote schaal gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, verwerkt en/of opgeslagen. De majeure risicobedrijven zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen om ongevallen te voorkomen. De majeure risicobedrijven vallen onder het Besluit risico op zware ongevallen (Brzo).

 

Voor de VTH -taken bij deze majeure risicobedrijven hebben de provincies samen met de rijksoverheid en gemeenten zes gespecialiseerde Brzo-omgevingsdiensten aangewezen. De gedachte hierachter is dat er voor het toezicht op de meest gevaarlijke en complexe bedrijven van Nederland specifieke expertise nodig is. Bundeling van deze expertise in gespecialiseerde Brzo-omgevingsdiensten zou de kwaliteit van het toezicht doen toenemen, zo is de gedachte. 

De Gedeputeerde Staten moeten als verantwoordelijk bestuursorgaan afspraken maken met deze Brzo-omgevingsdienst over de (uniforme) uitvoering van de VTH-taken bij deze bijzondere categorie bedrijven. Zij fungeren als opdrachtgever. Maar hoe ziet de werkelijkheid eruit?

 

De rekenkamers troffen een toezichtlandschap aan dat sterk varieerde in aanpak, juridische constructie en dat nog steeds in beweging is.  In Overijssel wordt de feitelijke uitvoering van het toezicht – via ingewikkelde constructies - door provinciemedewerkers verricht. Van een duidelijk opdrachtgeverschap is geen sprake. In Gelderland worden de VTH-taken wel door de Brzo-omgevingsdienst uitgevoerd en zijn daarover duidelijke afspraken gemaakt. Ook in de provincies Flevoland, Noord Holland en Utrecht worden de VTH-taken door de Brzo-omgevingsdienst uitgevoerd en wordt de opdrachtgeversrol van de provincie voldoende tot goed ingevuld.

 

In de noordelijke provincies ligt de situatie anders. Drenthe, Groningen en Friesland hebben te maken met de Brzo-Omgevingsdienst Groningen. De uitvoering van de VTH-taken bij de majeure risicobedrijven vindt echter niet bij de Brzo-omgevingsdienst geconcentreerd plaats, maar gedeconcentreerd bij de drie regionale omgevingsdiensten. Zuid-Holland en Zeeland kennen deels een vergelijkbare gedeconcentreerde uitvoering. De reden die de provincies hiervoor aanvoeren, is dat zij hechten aan een voldoende robuuste omgevingsdienst die verankerd is in de regio. Zij vrezen dat wanneer ze de uitvoering bij een gespecialiseerde omgevingsdienst concentreren, cruciale kennis aan de ‘eigen’ regionale omgevingsdienst wordt onttrokken. De angst bestaat dat belangen op regionale schaal minder worden afgewogen.

 

Verder kunnen voor bijna alle provincies kanttekeningen worden geplaatst bij de verantwoordingsrapportages die nog nauwelijks een beeld geven van de kwaliteit van de uitvoeringstaken.

 

Hoewel op dit moment nog niet alle besluitvormingstrajecten zijn afgerond bij de diverse Provinciale Staten is een groot aantal van de aanbevelingen van de Rekenkamers om zaken eenduidiger en transparanter te maken overgenomen. Daarmee vindt een verdere stroomlijning van de werkwijze in Nederland op dit gebied plaats.

 

Inmiddels is ook het wetgevingstraject voortgeschreden. In april dit jaar is de wet Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving in werking getreden. Daarmee wordt een wettelijke basis onder het stelsel van omgevingsdiensten gelegd en wil men de kwaliteit van de handhaving van het omgevingsrecht bevorderen. Vanaf januari 2017 geldt ook de bijbehorende Algemene maatregel van bestuur. De door de rekenkamers aangetroffen netwerkconstructies en gedeconcentreerde uitvoering worden daarin als ongewenst bestempeld. Met de invoering van de wetgeving en het doorvoeren van de aanbevelingen van de provinciale rekenkamers wordt op die manier een stap gezet op de weg naar helder en transparant toezicht. Waarbij de kanttekening past dat het tot nog toe veelal over structuren gaat en minder over een adequate uitvoering zelf terwijl dat het uiteindelijke doel is.

 

Namens de provinciale rekenkamers,

Marleen Blommaert, Rekenkamer Zeeland

Suzan Mathijssen, Rekenkamer Oost-Nederland

 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.