of 59045 LinkedIn

Fraude en corruptie bij aanbestedingen: gedragscodes en eed onvoldoende effectief

Hugo Doornhof en Martine Vidal 3 reacties

Het ene inkoopschandaal volgt het andere inkoopschandaal op. Bij het Ministerie van Defensie, de Nationale Politie en de gemeente Rotterdam worden ambtenaren verdacht van fraude en corruptie bij aanbestedingen (het vragen van offertes door de overheid). Frappant! Aanbestedingen (en dan met name het aanbestedingsrecht) zouden er juist voor moeten zorgen dat eerlijke, open en transparante procedures worden georganiseerd. Het tegendeel blijkt echter nu het geval te zijn.

Hoe worden de aanbestedingen gemanipuleerd? Dit kan worden gedaan bijvoorbeeld door: 1) het (vooraf) doorspelen van aanbestedingsdocumenten; 2) het hebben van informeel contact over de aanbestedingen; 3) het inschakelen van dezelfde adviseur als de overheid. Aanbestedingen worden gemanipuleerd niet altijd voor een financiële tegenprestatie, maar vaak puur omdat er een persoonlijk belang speelt (bijvoorbeeld door het hebben van banden met leveranciers).


Een ambtenaar die bij aanbestedingen sjoemelt, gaat behoorlijk over de schreef. Los van de integriteitsnormen voor ambtenaren, leggen decentrale bestuurders de eed af, waarbij zij onder meer zweren geen geschenken te zullen aannemen om iets in het ambt te doen of na te laten. Bovendien moeten bestuursorganen ertegen waken dat tot het bestuursorgaan behorende personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden. Wordt hiermee in strijd gehandeld, dan staat de rechtsgeldigheid van de gunning op losse schroeven en zijn diverse claims te verwachten.

 

Daarenboven heeft de volksvertegenwoordiging, zijnde de gemeenteraad of provinciale staten, bij schending van integriteitsnormen vaak alle reden om bestuurders weg te sturen, althans een flinke tik op de vingers te geven. Daarbij kan zij zich waarschijnlijk ook nog terecht op het standpunt stellen dat de desbetreffende bestuurders zich schuldig hebben gemaakt aan schending van de voor hen geldende gedragscode. In het model voor die code zijn onder meer bepalingen opgenomen die in het bijzonder als doel hebben belangenverstrengeling bij het gunnen van overheidsopdrachten tegen te gaan.

 

Maar kennelijk zijn een eed en gedragscodes onvoldoende effectief om fraude en corruptie bij aanbestedingen de kop in te drukken. Overheden zullen zich dus extra moeten inspannen om integriteit bij aanbestedingen onder de aandacht te brengen. Hierbij kan gedacht worden aan het bindend maken van intergriteitsnormen door ze bijvoorbeeld op te nemen in een verordening in plaats van een gedragscode. Daarnaast is het belangrijk om waar nodig duidelijke en specifieke integriteitsnormen voor aanbestedingen te formuleren en met die normen te leren omgaan. Tot slot is aanbevelenswaardig om onafhankelijke personen van buiten de betreffende overheid te betrekken bij een aanbesteding om de integriteit te toetsen.

 

Hugo Doornhof is advocaat Overheid en Onderneming, Martine Vidal is advocaat Europees en Mededingingsrecht, beiden bij AKD.

 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Frank (Adviseur) op
nog meer regels om regels te kunnen handhaven. De kop van het stuk dekt daarom de lading niet. Houding en gedrag bieden volgens mij de enige uitweg uit dit dilemma. En simpel vier ogen principe.
Door doeterniettoe (-) op
Nou mijnheer de advocaat, nog even en ambtenaren zijn dankzij de politiek gewoon werknemer (heeft de overheid wel de lusten en de ambtenaren de lasten), dan kan je code's en regels opstellen zoveel als je wilt.
Los van het feit dat aanbesteden leuk is, maar uiteindelijk altijd leidt tot verslechtering van de markt, o.a. door de vreemde aard van aanbesteden (welke vorm je ook toepast)
Door Wouter (adviseur) op
Typische advocaten oplossing: Meer en betere regels maken en daar beter op handhaven... Fraude is bij wet toch al verboden, dus waarom een verordening in het leven roepen dan?
Zit integriteit niet gewoon in de persoon en de organisatiecultuur?