Veiligheidsregio's nadelig voor lokale autonomie
Uit de diverse rapporten en analyses bleek dat hier belangrijke verbeteringen noodzakelijk zijn. Zo moet de brandweerfunctie beter worden geïntegreerd in het algemene veiligheidsbeleid en ook overigens is een betere samenwerking en afstemming tussen de diverse gemeentelijke diensten en beleidsterreinen uiterst wenselijk. Men zou dan ook verwachten dat het kabinet deze lokale verbeteringen mogelijk maakt en stimuleert. Het tegendeel is het geval.
Het kabinet geeft de gemeenten in feite tegelijk een gele en een rode kaart door een belangrijk deel van de veiligheidstaken bij de gemeenten weg te halen en deze onder te brengen in bovengemeentelijke veiligheidsregio's.
Oorspronkelijk was er zelfs het voornemen om de lokale brandweer op te heffen en deze op te laten gaan in regionale korpsen. In de huidige plannen wordt een structuur gekozen die in belangrijke mate lijkt op die van de politieregio's. Het gezag blijft gemeentelijk - de burgemeester houdt hier bevoegdheid - terwijl het beheer naar het regionale niveau wordt verplaatst. De regio krijgt doorzettingsmacht ten opzichte van de gemeenten. Het leidinggevende kader van de brandweer komt in dienst van de regio.
Onder druk van bijvoorbeeld de VNG wordt nog wel enige lippendienst bewezen aan de gemeentelijke autonomie. Zo mogen de brandweervrijwilligers in dienst blijven van de gemeenten, alhoewel het kabinet deze liever in dienst ziet van de regio. De financiering blijft lopen via de gemeenten, echter wel onder de dwingende voorwaarde dat het regionale niveau adequaat wordt bediend. De gemeenten mogen nog wel wat initiatief nemen in de sfeer van lokale veiligheidsplannen, maar het regionale planniveau vormt het belangrijkste kader. Kenmerkend voor het kabinetsstandpunt is dat het probleem van veiligheid en rampenbestrijding nogal eenzijdig vanuit een technocratische visie wordt opgezet.
Doelmatigheidsoverwegingen domineren, terwijl aan de noodzaak van een goede inbedding van het veiligheidsbeleid in een adequate democratisch-politieke context nauwelijks enige aandacht wordt gegeven. Regionalisering van dit type lokale functies betekent verzelfstandiging. De functie wordt op afstand geplaatst en verdwijnt geleidelijk uit de invloedssfeer van de gemeenten. Zo is het met de politiefunctie gegaan en zo zal het ook gaan met de bestrijding van rampen en ongevallen. Bij de regionalisering van de politie beweerde men destijds dat de regio slechts beheer zou voeren, terwijl gezag en beleid bij de gemeenten zouden blijven.
De praktijk in de afgelopen tien jaar heeft laten zien dat het regionale politiebeheer de lokale beleidsfunctie volstrekt heeft leeggezogen. Alleen in de grote steden wordt nog een krachtig lokaal politiebeleid geformuleerd door de gemeenteraden, in vrijwel alle andere gemeenten is deze taakstelling weggevloeid naar het ongrijpbare niveau van de politieregio. In het kader van de veiligheidsregio's zal hetzelfde gaan gebeuren. Aan de merkwaardige figuur van de regionale colleges van de politieregio's wordt een regionaal bestuur van de veiligheidsregio toegevoegd.
Terwijl de evaluatie van de regionale politie nog tot nadere beslissingen moet leiden, wordt daar nu reeds een tweede regionaal beslissingsniveau naast gezet. Evident is dat in grote delen van het land intergemeentelijke samenwerking op het punt van de veiligheidsorganisatie onontkoombaar is. Waar het gaat om allerlei specialisaties kunnen veel gemeenten deze niet meer bieden. Cruciaal is echter dat het integrale veiligheidsbeleid wordt uitgedacht en uitgevoerd in levende bestuurlijke en politieke gemeenschappen. Het kabinet daarentegen zet de kaart op dode regionale constructies die een sterk technocratische inslag hebben. Dat is een fundamenteel verkeerde keuze die zich snel zal gaan wreken. Een eerste zichtbaar gevolg zal zijn dat het aantal vrijwillige brandweerlieden na 2006 drastisch terug zal lopen.