of 59045 LinkedIn

De volkshuisvesting verdient een nieuw station (1)

Het Rotterdams Centraal Station stamt uit de 50-er jaren. Vele spoorlijnen, goederen, mensen en belangen komen er ordelijk samen. Het werd diverse keren aangepast aan de tijdsgeest, totdat duidelijk werd dat het totaal moest worden afgebroken en opnieuw opgebouwd. Aldus geschiedde, met behoud van oude belettering en klok. In 2014 is het een icoon van architectuur die Rotterdam internationaal aantrekkelijker maakt. Een gedurfde keuze, een fantastisch resultaat. Durven wij zo’n keuze te maken voor het volkshuisvestingsstelsel met een duidelijke rol voor onder meer gemeenten?

In enkele columns zal ik daarop ingaan. Eerst met een historische analyse tot aan de Herzieningswet. Vervolgens de periode daarna met incidenten en novelles. Daarna met een analyse van de Herzieningswet zoals de Tweede Kamer die in december behandelt.

 

De regering heeft er lang over gedaan om tot de Woningwet 1901 te komen. Het doel van die wet was eenduidig: de aanpak van erbarmelijke huisvestingssituaties, waartoe verschillende middelen worden geïntroduceerd: woningcorporatie als toegelaten instellingen financiële ondersteuning, onteigening en sloop van oude panden. Het doel was primair de kwaliteit van woonvoorzieningen. Na WOII was de problematiek door de oorlogssituatie vooral het ontstane woningtekort, waarvan het lenigen het primaire doel werd. De middelen  uit de Woningwet werden aangepast. Eind ’80-er jaren was de grootste woningnood gelenigd.

 

De schulden voor corporaties waren opgelopen, de aanspraken op subsidies evenzeer. De Bruteringswet streepte de bedragen tegen elkaar weg. Corporaties moesten zelfstandig zijn en kunnen ondernemen. Er moest meer marktwerking komen. De overheid moest toezicht achteraf en op afstand houden. De Woningwet veranderde mee. Het takenveld bleef “het gebied van de volkshuisvesting”, ingevuld met vier, later zes prestatievelden. Vooral voor de leefbaarheid verschenen aanvullende beleidsregels.

 

Marktwerking werd verder gestimuleerd met het toewerken naar de – nooit verschenen - Woonwet. Vooruitlopend daarop werd de term “nevenactiviteiten”  geintroduceerd: activiteiten ten dienste aan kernactiviteiten die vooraf getoetst moesten worden. Zij werden door de staatssecretaris als buiten het systeem van het BBSH gezien. De marktwerking leidde tot kritiek van Europa en een regeling om de financiele ondersteuning van corporaties voor te behouden voor de sociale taak (“daeb”), die tegelijk werd gebonden aan een inkomensgrens. Een vertaling in nieuwe Nederlandse regelgeving was nodig, maar marktwerking bleef mogelijk voor de “niet-daeb-tak”. Het werd onduidelijk wat nu de primaire focus voor corporaties was. De rol van gemeenten bleef nagenoeg ongeregeld.

 

Marktwerking, financiële overschotten, onduidelijke rollen en grenzen, aanvullende beleidsregels. Een prima recept voor onvoorziene ontwikkelingen. De bestedingsplicht voor het maatschappelijk vermogen lag vast in het BBSH, maar prestatieindicatoren en duidelijke grenzen ontbraken. Wat was überhaupt het verschil tussen kernactiviteiten en nevenactiviteiten? Hoort een sportvoorziening bij leefbaarheid (een kernactiviteit), of is het onvoldoende verbonden met het sociale woningbezit en dus een nevenactiviteit? Hoort bij het prestatieveld “behoud van financiele continuiteit” wel of juist niet – en in hoeverre dan - het beleggen van vermogen?

 

De regelgeving gaf nauwelijks aanknopingspunten. De wet was (en is) gebaseerd op de oorspronkelijke Woningwet 1901, maar meermaals aangepast aan de gewijzigde situaties, waarop allerlei regelgeving was gestapeld zoals twee AmvB’s, vele beleidsregels en circulaires (waarvan niet altijd duidelijk was of die wel, of niet meer in werking waren), alsmede een Ministeriele regeling over het onderscheid tussen daeb en niet-daeb. En dat in een situatie waarin de politieke keuze tot zelfstandigheid en meer marktwerking voor corporaties in die wet was verwerkt maar Nederland door Europa was teruggefloten en wij door de ontwikkelingen die de onvolkomenheden van het wettelijk systeem blootlegden, werden ingehaald.

 

Het wachten was op een ingrijpende wetswijziging en een heroriëntering op het doel van de volkshuisvesting. 

 

Lees volgende week het vervolg op deze column

Lees hier de eerdere columns van Michael de Groot

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.