of 59236 LinkedIn

Termijn advies over integriteit opgerekt van 4 naar 8 weken

Sjors van Beek Reageer
De termijn waarbinnen het Landelijk Bureau Bibob een integriteitsadvies over ondernemers aan een gemeente moet leveren, wordt verdubbeld tot 8 weken. De huidige termijn van 4 weken is 'nimmer haalbaar', oordeelt het kabinet.

Gemeenten kunnen bij het Landelijk Bureau Bibob (LBB) vragen om een screening van aanvragers van een vergunning of subsidie. Het Landelijk Bureau heeft, in tegenstelling tot gemeenten zelf, toegang tot gesloten bronnen zoals politieregisters. Het LBB wordt echter ‘in toenemende mate geconfronteerd met complexe adviesaanvragen die veel onderzoeks- en analysetijd vergen’.

 

Dit komt enerzijds doordat gemeenten steeds beter in staat zijn om de eenvoudige toetsingen zelf te doen, waardoor ze alleen nog de ingewikkelde zaken doorschuiven naar het Landelijk Bureau. Daarnaast ‘worden criminelen steeds slimmer in het opzetten van ingewikkelde constructies om een vergunning te krijgen’, zo schrijft het kabinet in het voorstel om de Wet Bibob op een aantal punten aan te passen. Dat  wetsvoorstel circuleert nu ter consultatie onder betrokken partijen. Omdat de wettelijke termijn van 4 weken in de 7 jaar dat de Wet Bibob van kracht is niet reëel is gebleken, stelt het kabinet nu voor om naar 8 weken te gaan, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens 4 weken.

 

Verbetering

 

De burgemeesters van de G4, die schriftelijk al hebben gereageerd op de kabinetsplannen, vinden het op zich een verbetering. Wel willen ze dat het LBB een gemeente dan in de zevende week gemotiveerd uitlegt waarom verlenging met 4 weken nodig is, ‘dit om te voorkomen dat het onderzoek in de praktijk standaard 12 weken in beslag zal nemen’. En als een gemeente later aanvullende vragen aan het LBB heeft over een verstrekt advies, moeten die ook binnen 4 weken worden beantwoord, vinden de burgemeesters van Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht.

 

De ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken, gezamenlijk verantwoordelijk voor de Bibob-wetgeving, stellen voor om ook een onafhankelijke kwaliteitscommissie in het leven te roepen die gevraagd en ongevraagd advies kan geven over de kwaliteit van de uitgebrachte Bibob-adviezen en de werkprocessen van het LBB. Daartoe zal de commissie, bestaande uit door de ministers benoemde experts, naar eigen inzicht steekproeven gaan nemen, zo is het plan.

 

Als het aan het kabinet ligt, kan een burgemeester een Bibob-advies voortaan ook ter inzage geven aan zijn collega’s in het driehoeksoverleg: de korpschef en de officier van Justitie. Ook de deelnemende partners in de nieuwe RIEC’s (Regionale Informatie en Expertisecentra) zoals de Belastingdienst en bijzondere opsporingsdiensten, mogen voortaan kennis nemen van de uitgebrachte Bibob-adviezen. Zij mogen de informatie echter alleen gebruiken voor zover dat nodig is ‘voor de ondersteunende taak die de expertisecentra bij de uitvoering van de Wet Bibob vervullen’, en dus niet voor andere doeleinden, aldus het wetsvoorstel. Op dit punt willen de burgemeesters van de G4 wel nadere duidelijkheid.

 

Ze vragen zich bijvoorbeeld af of gemeenten onderling dan ook Bibob-gegevens mogen uitwisselen. Ook vrezen ze ‘dubbele-pettenproblematiek’ als bijvoorbeeld de Belastingdienst geen eigen onderzoek mag starten op grond van gegevens die ze in een Bibob-advies heeft gelezen.

 

Discussie is er ook over het aanleggen van een landelijk register. Gemeenten hebben in het verleden te kennen gegeven behoefte te hebben aan een register waaruit blijkt of een ondernemer ergens in Nederland aan een Bibob-toets is onderworpen en zo ja, wat daarvan dan de uitkomst was. Ook zou in zo’n databank opgenomen moeten worden of een ondernemer zich lopende een Bibob-procedure heeft teruggetrokken, kennelijk uit vrees voor een negatieve uitkomst.

 

Waterbed-effect

 

Met zo’n centraal register kan het zogeheten ‘waterbed-effect’ wellicht enigszins worden ingedamd, zo is de verwachting. Voorkomen moet worden, erkennen alle partijen, dat ondernemers die in de ene gemeente geen vergunning krijgen gaan shoppen en dan in een volgende gemeente niet eens aan een screening worden onderworpen.

 

Het kabinet ziet echter ook bezwaren kleven aan zo’n database: gewezen wordt op de hoge kosten van het ontwikkelen ervan ‘terwijl tegelijkertijd het register zijn toegevoegde waarde nog moet bewijzen’. Het kabinet stelt daarom nu voor om een ‘lichte variant’ van zo’n register op te bouwen, waarin alleen de persoonsgegevens van de betrokken ondernemer, de gegevens van het bedrijf of pand, en de uitkomst van het Bibob-advies wordt opgenomen. Die gegevens kunnen aanleiding zijn voor het starten van een nieuw Bibob-onderzoek.

 

Enkel de vermelding in het register is echter onvoldoende om tot weigering van een nieuwe vergunningaanvraag over te gaan, waarschuwt het kabinet, en wie niet staat vermeld is ook niet per se brandschoon. De G4 lopen niet warm voor het voorstel. ‘Wij zien geen meerwaarde in een landelijk register zoals thans wordt voorgesteld. Wij zien hierin juist een nadeel voor aanvragers cq. exploitanten van goede wil’, hebben ze het kabinet op 18 maart geschreven. Als een bona fide ondernemer namelijk ooit een vergunning is geweigerd omdat zijn zakenpartner niet helemaal zuiver op de graat bleek, dan belandt die bona fide ondernemer in het landelijk register met de aantekening ‘ernstig gevaar’, redeneren de G4.

 

Ook draagt zo’n landelijk register volgens hen niet bij aan de administratieve lastenverlichting, zoals het kabinet wel suggereert. De G4 zien al met al meer in een centrale rol voor het nog op te richten Landelijk Informatie en Expertisecentrum, dat de landelijke Bibob-gegevens zou kunnen beheren en eventueel verstrekken aan de regionale RIEC’s.

 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.