of 59221 LinkedIn

Omgevingswet weer laer

Bevestigen wil minister Schultz van Haegen (Infrastructuur en Milieu) het nog niet. Maar het lijkt een kwestie van tijd voor ze naar buiten komt met de mededeling dat de invoeringsdatum van de Omgevingswet opnieuw een jaar opschuift, nu tot 1 juli 2020.

Bevestigen wil minister Schultz van Haegen (Infrastructuur en Milieu) het nog niet. Maar het lijkt een kwestie van tijd voor ze naar buiten komt met de mededeling dat de invoeringsdatum van de Omgevingswet opnieuw een jaar opschuift, nu tot 1 juli 2020.

De oorzaak van de dreigende vertraging is tweeledig. Enerzijds blijkt de totstandkoming van de wet – die straks alle regelgeving bundelt op het gebied van ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water – nog complexer dan gedacht. Daarnaast is het de vraag of gemeenten voldoende zijn toegerust om in 2019 met de Omgevingswet aan de slag te gaan. 

 

Formeel ligt het proces nog op schema. Vorige maand werden de vier Amvb’s behandeld in de Eerste Kamer. Als volgende stap worden die, samen met de Invoeringswet, ter consultatie aangeboden aan de Raad van State. Maar tijdens de behandeling van de Amvb’s in de Eerste Kamer kwam nog een groot aantal hobbels in beeld.

 

Een daarvan betreft de verdere uitwerking van de verhoudingen tussen rijk en regionale overheden. Hoe worden nationale verantwoordelijkheden ten aanzien van, bijvoorbeeld, lucht- en waterkwaliteit geborgd als gemeenten straks veel meer lokale afwegingsruimte krijgen? Ook moet burgerparticipatie (een van de uitgangspunten van de wet) nog beter worden verankerd.

 

Een andere terugkerende kwestie is of regionale overheden zelf de beslissingsbevoegdheid moeten krijgen over hoe zij een aanvraag afhandelen: met een reguliere procedure of met een uitgebreide (die de gemeente bij complexere kwesties meer respijt geeft). Een reguliere procedure biedt de burger de snellere afhandeling die de Omgevingswet beoogt, maar legt extra druk bij nog niet volledig op de wet toegeruste gemeenten.

 

Complicerende factor daarbij is de oplevering van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Schultz heeft lering getrokken uit de lessen van de commissie-Elias en kiest voor een stapsgewijze ontwikkeling. Eerder stelde de G32 dat het voor gemeenten noodzakelijk is dat tenminste anderhalf jaar vóór inwerkingtreding van de wet de standaarden zijn vastgesteld. Een jaar later moet het DSO zo ver zijn ontwikkeld dat gemeenten de werking van het systeem kunnen testen. Zo ver is het nog (lang) niet.
En, stapsgewijze ontwikkeling of niet, de kostenbeheersing lijkt een volgend pijnpunt. De minister in het Kamerdebat: ‘We hebben een externe partij voor de eerste raming gevraagd. Dat bleek later bijna het dubbele te zijn.’

 

Onafwendbaar
Eind vorige maand kwam er nog een reden bij waarom uitstel van de Omgevingswet onafwendbaar lijkt. Om de invoering van de wet eenvoudiger te maken, werden twee domeinen in eerste instantie erbuiten gelaten: grond- en natuurbeleid. Die moesten in 2018 via een Aanvullingswet alsnog worden ingeschoven. Vorige maand bracht de Raad voor de Leefomgeving en Infrasctructuur (RLI) advies uit over het gronddeel.

 

De RLI stelt in het rapport ‘Grond voor gebiedsontwikkeling’ vast dat de Aanvullingswet te weinig aansluit op de filosofie van de Omgevingswet. Ook biedt de wet de gemeenten onvoldoende instrumenten om het grondbeleid een lokale invulling te geven en moet de Aanvullingswet een betere verdeling van kosten en baten bij grondexploitaties mogelijk maken.

Voor de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur is uitstel van Aanvullingswet met één of twee jaar tot 2020 of 2021 daarom ‘een reële optie’. ‘Anders loop je het risico dat de voordelen die de Omgevingswet moet gaan bieden – meer transparantie, maatschappelijke belangenafweging aan de voorkant –  je uiteindelijk in de staart gaan bijten omdat je bij de uitvoering instrumenten tekortkomt’, stelt raadslid Co Verdaas, eerder door de minister aangesteld als bestuurlijk verkenner voor de implementatie van de Omgevingswet.

Maar de minister is nog niet zo ver, althans niet in het openbaar. ‘De totstandkoming van de Omgevingswet is een complexe operatie die gaandeweg steeds complexer wordt’, laat Schultz via een woordvoerder weten. ‘Eerst moesten we 26 wetten terugbrengen tot één. Toen zestig AmvB’s reduceren tot vier en nu moeten de Aanvullingswetten worden ingevoegd. We nemen daarvoor meer tijd. In het najaar komen we met een nieuwe planning.’ Maar, benadrukt de woordvoerder, ‘de einddatum voor de implementatie blijft staan.’

Verstuur dit artikel naar Google+

Gerelateerde artikelen

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Toine Goossens (Toezichthouder gedrag en moraal) op
De omgevingswet is een op zichzelf staande wet. Slechte uitwerking van de aanvullingswetten kan dan ook geen reden zijn om de invoerdatum van de hoofdwet uit te stellen. Dat is de wereld op zijn kop.

De transitie perikelen hebben aangetoond dat een wet niet uitvoerbaar als als het back office systeem niet functioneert. Gemeenten lopen echter in hun procedures echter al lang vooruit op de invoering van de omgevingswet. Er wordt al volop ingewerkt.

Blijkbaar heeft de achterstand in het ICT back office gedeelte daar geen invloed op. Wellicht zijn er gemeenten die hopeloos achter lopen, dan is niet uitstel maar invoering met verschillende snelheden de aangewezen oplossing.

Het borgen van de verhouding tussen rijk en gemeente is geen enkel punt. Ook dat is een belangrijk leerpunt van de transities. Het rijk bepaalt de normen en daar dienen gemeenten zich aan te houden.

Het wordt een volstrekte chaos als gemeenten een andere invulling aan omgevingsnormen mogen geven dan hun buren. Niet alleen is het creëren van chaos contrair met de basisverantwoordelijkheid om voor stabiliteit te zorgen, maar de geschiedenis laat keer op keer zien dat normering op een zo hoog mogelijk niveau noodzakelijk is voor vooruitgang.

Wie het daar niet mee eens is, zou zich eens in de codificaties en centralisaties van de Franse revolutie moeten verdiepen.

Afbeelding