Volg ons op: , LinkedIn of

Kijk snel bij: Abonnementen Vacatures BB Magazine

Wateroverlast bestrijden met kleine plaatselijke ingrepen

Het noodweer van vorige week heeft geleid tot een hernieuwde discussie over de kwaliteit van gemeentelijke rioleringen. Maar capaciteitsvergroting is erg duur en niet altijd nodig. Juist de kleine ingrepen helpen.
0 reacties
Het noodweer van vorige week heeft geleid tot een hernieuwde discussie over de kwaliteit van gemeentelijke rioleringen. Maar capaciteitsvergroting is erg duur en niet altijd nodig. Juist de kleine ingrepen helpen.

‘Bui 10’ is in het riooljargon een bui die 35,7 millimeter hemelwater binnen één uur achterlaat. Het duurt dan ongeveer een kwartier voordat het water van het grondoppervlak in de rioolbuizen is verdwenen.

 

Volgens de modellen is dit een zeldzame gebeurtenis: gemiddeld eens in de 10 jaar. Dat is dermate acceptabel dat rioolstelsels gebouwd zijn op bui 8. Die komt maar eens in de twee jaar over en laat dan 19,8 millimeter neerslag vallen. Een hoeveelheid die ook niet meteen verwerkt kan worden, maar waarbij zich geen echte problemen voordoen. Dat het water even op straat blijft staan, is immers geen ramp.

 

De praktijk is anders. Er zijn nogal wat gemeenten die de afgelopen jaren verdacht vaak de klos waren. Ermelo bijvoorbeeld: in 5 jaar tijd vier keer bui 10. De wolken boven Leersum, Nunspeet, het Westland en vele andere gemeenten hielden zich evenmin aan de modellen. Volgens de kansberekening wil dit nog niet zeggen dat de voorspellingen dus niet kloppen. ‘Maar de situatie begint dan wel verdachte vormen aan te nemen’, zegt Wouter Stapel van ingenieursbureau DHV.

 

Rioned (platform voor waterzorg) onderzocht in 2007 hoe de voorspelde regenwateroverlast zich verhoudt tot de praktijk. Bijna de helft van alle gemeenten zei de laatste jaren vaak getroffen te zijn door extreme buien. En 60 procent zei vaker overlast te hebben dan volgens de voorspellingen waarschijnlijk is.

 

Modellen

 

Op basis van verwachte neerslaghoeveelheden zijn rioleringsmodellen ontwikkeld. De kritiek op deze modellen is de laatste tijd flink aangezwollen. In 1991 werd voor het gemeentelijk rioolbeleid de zogeheten basisinspanning vastgesteld, op basis van modelberekeningen. Deze basisinspanning leidde tot standaardmaatregelen die 20 miljard euro hebben gekost, maar waarvan de opbrengsten onbekend zijn. Dat stelde althans de branchevereniging van advies- en ingenieursbureaus NLingenieurs, in maart van dit jaar.

 

In het position paper riolering uit de vereniging forse kritiek op het gemeentelijk rioleringsbeleid van de afgelopen jaren, waaraan haar leden overigens en masse bijdroegen. ‘Middelen (bergbezinkbassins, afkoppelen van verhard oppervlak) werden belangrijker dan doelen. En de theorie (modelberekeningen) werd belangrijker dan de praktijk. (…) De keuze van maatregelen is veelal niet gefundeerd op gedegen onderzoek. Doordat beleid te weinig meetbaar is gemaakt, is toetsing van de effectiviteit en doelmatigheid niet mogelijk. Normdenken overheerst.’

 

Laagste punt

 

Inmiddels zijn er behoorlijk wat alternatieven voor de standaardmodellen ontwikkeld. ‘Het aantal millimeter water zegt op zichzelf niet zoveel’, stelt Stapel van DHV. ‘Zeker niet buiten de polders, in landschappen die wat glooiend zijn. De modellen gaan ervan uit dat de ondergrond overal vlak is. Ze houden er geen rekening mee dat water op een oneffen ondergrond naar het laagste punt stroomt. 30 millimeter neerslag kan dan met gemak aanzwellen tot 30 centimeter. Als daar dan een winkelcentrum staat, dan heb je een probleem.’

 

De oplossing is volgens Stapel niet het generiek vergroten van de rioolcapaciteit, maar gedetailleerd onderzoeken hoe neerslag zijn weg zoekt. Om die vervolgens met betrekkelijk kleine ingrepen te sturen. ‘Niet zelden blijken bijvoorbeeld verkeersdrempels of stoepranden op de verkeerde plek de oorzaak te zijn van zeer lokale overlast. Zo was er een Limburgse hobbyist die zijn klokkenverzameling al jaren probleemloos in een kelderruimte bewaarde, totdat de gemeente de weg langs zijn huis opnieuw bestraatte en één drempeltje net iets te laag teruglegde.’ Weg verzameling.

 

In Nunspeet wil een raadslid weten of het verhogen van een kruising de oorzaak is van lokale wateroverlast, nadat hij met eigen ogen had gezien hoe zich spontaan gekanaliseerde stroompjes hadden gevormd na de hoosbuien van vorige week. ‘De oplossing zit in kleine dingen’, zegt Stapel. ‘Bijvoorbeeld een trottoirband zo neerleggen dat het water een greppel kan instromen en veilig wordt afgevoerd.’

 

Neerslagcijfers

 

Een lokale in plaats van modelmatige benadering van wateroverlast stuit echter op een probleem: het ontbreekt aan gedetailleerde neerslagcijfers. Het KNMI registreert de dagelijkse neerslag op 300 punten, maar of de gemeten hoeveelheid komt van een kortdurende bui of van een dag lang gemiezer, dat wordt op veel minder plekken bijgehouden.

 

‘Het is voor een college van B en W moeilijk om een gemeenteraad te overtuigen van maatregelen tegen een extreme bui waarvan je niet weet of die in jouw gemeente ooit is gevallen of ooit gaat vallen’, zegt Stapel. Er komen snel betere cijfers beschikbaar, die gedetailleerde maatregelen mogelijk maken. Stapels: ‘Bestuurders moeten keuzes durven maken voor gebeurtenissen waarvan niet zeker is of en wanneer ze plaatsvinden.’

Print dit artikel
Mail dit artikel
Deel dit artikel op

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Vacatures

Partner Bijdragen

recente bijdragen